Bij deze reportage
Uit de shop
Voor een kleine groep veteranen houdt de strijd niet op nadat hun missie is beëindigd. Er hoeft maar een ballon te knappen of ze zijn weer terug aan het front. Hun letsel is onzichtbaar, genezing soms onmogelijk.
Hoe weerloos kan een stoere blauwhelm zijn. “Ik ben van de maatschappelijke ladder gevallen.” John Trippenzee, een fors gebouwde veteraan met kaalgeschoren hoofd, staat op het erf van zijn kleine woonboerderij, verscholen achter de maisvelden tussen Oost-Groningse veenkoloniën. “Ik breng geen geld meer binnen. We zullen het huis moeten verkopen.” Trippenzee kreeg afgelopen najaar het draaginsigne gewonden opgespeld. Zijn wonden zijn echter onzichtbaar: die bevinden zich in de neurologische verbindingen in zijn hoofd. Hij lijdt aan het Post-Traumatisch Stressyndroom, oftewel PTSS. Hoeveel militairen en veteranen er precies aan lijden, wil defensie niet kwijt, maar dat het om enkele procenten van alle uitgezondenen gaat is zeker. Trippenzee voldoet in niets aan het aloude beeld van militaire veteranen: zwaar gedecoreerd, enigszins gekromd leunend op een stok, saluerend met een stramme hand tegen een te ruime pet. Oud-strijders uit de Tweede Wereldoorlog, Nederlands-Indië, Korea of Nieuw-Guinea, vooraan bij herdenkingen, paraat op défilés. Er zijn er nog naar schatting 55.000 van in leven. Maar inmiddels bestaat het veteranenlegioen voor een nagenoeg even groot deel uit veteranen uit vredesmissies: ‘jonge’ veteranen, die hebben gediend in onder meer Cambodja, Libanon en Bosnië. Trippenzee is er een van. De baretten, een helm en een pet op de bovenste plank in de boekenkast vertellen het verhaal van zijn jaren als ‘beroeps bepaalde tijd’. Na een basistraining, een infanterieopleiding en enkele maanden in de Antilliaanse zon werd hij begin 1996 naar Bosnië uitgezonden, als blauwhelm onder de vlag van IFOR. De Dayton-akkoorden die een einde maakten aan de gewapende strijd tussen Servische en moslim-Kroatische strijders, waren net gesloten, maar ‘er zat nog veel agressie’ in het gebied waar Trippenzee werd gelegerd, rond de stad Vitez. “Je weet dat de kans op uitzending naar een oorlogsgebied erin zit en je bent ervoor opgeleid. Ik beschouwde het als een grote uitdaging.” Maar er waren zoveel verschillende groepen strijders, dat het lastig bleek door de bomen het bos te blijven zien. En ondanks het vredesverdrag werden er nog beschietingen uitgevoerd. “Dan zagen we boven het kamp de lichtsporen.” Trippenzee was chauffeur. Zijn pantservoertuig was het voorste in de militaire colonne. “Wij moesten de weg vrijmaken, zodat de colonne nooit tot stilstand kwam, want dan is het gevaar het grootste.” Op een dag passeerde het konvooi een oude man, die werd mishandeld door een aantal agenten en om zijn leven smeekte. “We stopten en de man werd behandeld door onze verzorgers. Maar daarop kregen we het bevel door te rijden en de man achter te laten. We moesten hem uit de ambulance zetten en aan die agenten overlaten, wetende dat hij zou worden doodgeschoten. Hij keek ons nog aan, maar we mochten hem niet meer helpen.” Nederland geeft zijn veteranen nog altijd niet de erkenning waarop ze recht hebben. Eens of oneens? Geef hieronder uw mening!





