lezen Wij

Armenië en Turkije: een bloedig verleden

Bekijk Sluit

lezen Wij

Het bloedige verleden blijft Turkije en Armenië achtervolgen. Ongeveer een miljoen Armeniërs – méér volgens de een, minder volgens de ander – werden een eeuw geleden gedood in het Ottomaanse Rijk.

Datum
Auteur
Paul Salopek
Fotograaf
John Stanmeyer

In de Armeense hoofdstad Jerevan staat een stenen cenotaaf ter herinnering aan die zwarte bladzijde, de Medz Yeghern of ‘grote catastrofe’. Op 24 april, de dag dat de pogroms begonnen, lopen elk jaar duizenden mensen de ­Tsitsernakaberd-heuvel op naar het gedenk-teken. Bij de eeuwige vlam leggen ze bloemen. Maar honderd kilometer hiervandaan, pal over de Turkse grens, ligt een mogelijk nog treffender monument van het Armeense verdriet: de ruïnes van Ani. 

Ani was in de Middeleeuwen de hoofdstad van een machtig Armeens koninkrijk in het ­oosten van Anatolië oftewel Klein-Azië, het schiereiland dat het grootste deel van Turkije vormt. Het was een welvarende, bedrijvige metropool met honderdduizend inwoners aan het noordelijk deel van de zijderoute. De bazaars lagen vol bontvellen, specerijen en edelmetalen. De ‘stad van 1001 kerken’ stak in schoonheid zelfs Constantinopel naar de kroon. Ani belichaamde de gloriedagen van de Armeense cultuur. Maar nu liggen in de brandende zon de resten van de stad: een paar verwoeste kathedralen en wat lege straten tussen het vergeelde gras in een desolaat, door de wind geteisterd landschap. Ik ben erheen komen lopen, op mijn wandeltocht rond de wereld. Ik volg de voetsporen van onze vroegste voorouders, die vanuit Afrika over de aardbol zijn uitgezwermd. Onderweg heb ik nergens iets gezien wat mooier of treuriger was dan Ani.

Op 24 april 2015, exact een eeuw na het begin van de massaslachting die door veel historici de eerste genocide uit de moderne geschiedenis wordt genoemd, worden de doden herdacht met een fakkeltocht in de Armeense hoofdstad Jerevan. Bij de jaarlijkse herdenking – deels een sobere plechtigheid, deels een nationalistische bijeenkomst – krijgt de rouw soms een openlijk politieke lading. Soms worden Turkse vlaggen verbrand.

“De Armeniërs worden hier niet eens genoemd”, stelt mijn Koerdische gids Murat Yazar verbaasd vast.
Hij heeft gelijk: op de plaquettes die Turkije voor de toeristen heeft geplaatst, is geen woord te lezen over de mensen die Ani hebben gebouwd.De Armeniërs zijn uit Ani én uit de geschiedenisboeken verdwenen. Zoals Tsitsernakaberd in Jerevan vraagt om stil te staan bij het verleden, zo symboliseert Ani juist het vergeten.

Het is een van de oudste en ingewikkeldste politieke conflicten ter wereld, de giftige impasse die Armenië en Turkije al generaties lang in een wurggreep houdt van verbittering, vijandschap en nationalistisch extremisme, en die is terug te voeren tot vier eindeloos betwiste lettergrepen: genocide, oftewel de poging tot het uitmoorden van een heel volk, etnische groep, ras of geloofsgemeenschap. Maar wanneer is een slachtpartij genocide? Hoeveel doden zijn daarvoor nodig? Gaat het alleen om de handeling zelf of ook om de intentie?

De impasse die Armenië en Turkije al generaties lang in een wurggreep houdt van verbittering en vijandschap, is terug te voeren tot vier lettergrepen: genocide.

Armenië tijdens de Eerste Wereldoorlog

Eerst de Armeense versie van de feiten. We schrijven 1915. De Eerste ­Wereldoorlog is zijn negende maand ingegaan. Europa stuurt zijn jonge mannen de vuurlinies in. Het Ottomaanse Rijk, de machtigste islamitischemogendheid ter wereld, heeft zich achter Duitsland geschaard. De Armeniërs, een grote christelijke minderheid die eerder nog door de sultans vreedzaam en betrouwbaar genoeg werd gevonden voor het predicaat ‘loyaal volk’, worden ten onrechte beschuldigd van heulen met de Russische vijand en het voorbereiden van een opstand. Enkele Ottomaanse leiders zien uitroeiing en deportatie als de beste oplossing voor het “Armeense probleem”. Armeense mannen worden door het leger en Koerdische milities doodgeschoten. Vrouwen worden op grote schaal verkracht. Armeense dorpen en stadswijken worden geplunderd en geconfisqueerd. Rivieren en waterbronnen raken letterlijk verstopt door de lijken. In de steden hangt de geur van verrotting. De overlevenden – lange rijen haveloze vrouwen en kinderen – worden onder bedreiging met bajonetten zonder water de woestijn van het naburige Syrië in gestuurd. (Vandaag de dag heeft Armenië een kleine drie miljoen inwoners, terwijl acht tot tien miljoen Armeniërs verspreid leven over de rest van de wereld.) Het aantal Armeniërs in het Ottomaanse Rijk slinkt van zo’n twee miljoen tot onder de vijfhonderdduizend. De meeste historici beschouwen deze episode als de eerste echte genocide van de moderne wereld.

“Ik durf te stellen dat dit de ergste gruweldaad is uit de geschiedenis van de mensheid”, schreef Henry Morgenthau sr., de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Constantinopel. “De grote slachtingen en vervolgingen uit het verleden vallen in het niet bij wat het Armeense volk in 1915 is aangedaan.”

Vorig jaar heeft de Armeens-Apostolische Kerk, een van de oudste christelijke geloofsgemeenschappen ter wereld, alle slachtoffers van de Armeense genocide heilig verklaard. De slachtingen vonden plaats in het uitgestrekte, etnisch zeer diverse Ottomaanse Rijk, waaruit het tegenwoordige Turkije is voortgekomen.

Het bloed vloeit overal

De Turkse autoriteiten verzetten zich uit alle macht tegen deze lezing van de “zogenaamde ­genocide”. Het is een tijdsgewricht van volslagenwaanzin, een periode van burgeroorlogen. De Armeniërs hebben het inderdaad zwaar te verduren, maar dat geldt evengoed voor andere bevolkingsgroepen in het uiteenvallende ­Ottomaanse Rijk: etnische Grieken, Syrische christenen, jezidi’s, joden – en ook voor de ­Turken zelf. Het bloed vloeit overal. Er is geen  sprake van een vooropgezet plan om de Armeniërs uit te moorden. En het aantal slachtoffers aan Armeense zijde wordt zwaar overdreven: in werkelijkheid zijn het er minder dan ­zeshonderdduizend. Bovendien zijn veel Armeniërs verraders: duizenden hebben zich aangesloten bij het christelijke leger van de Russische tsaar.

Het tegenspreken van deze officiële versie is in Turkije nog steeds niet zonder risico. Hoewel het meestal niet meer tot vervolging komt, achten Turkse rechters de term ‘genocide’ provocerend, ophitsend en een belediging van de natie. Ook grootheden als de met de Nobelprijs voor de Literatuur bekroonde schrijver Orhan Pamuk worden aangeklaagd wegens belastering van de Turkse identiteit of de Turkse staat wanneer ze zich uitspreken over de Armeense catastrofe.

“Het is onze hoop en onze overtuiging”, zei Recep Tayyip Erdoğan, toen nog premier, in 2014 in een zorgvuldig geformuleerde toespraak, “dat de volken van dit oude, unieke gebied, die dezelfde tradities en gebruiken kennen, ooit als volwassenen met elkaar over het verleden kunnen spreken en op een fatsoenlijke manier samen hun doden kunnen herdenken.”

Wat is toch de kracht van het woord ‘genocide’?

De Armeense diaspora voert al tientallen jaren campagne om deze term voor het drama uit de Ottomaanse tijd overal geaccepteerd te krijgen. Wanneer ik in de Koerdische stad ­Diyarbakır in Oost-Turkije een interview houd in een pas heropende Armeense kerk – een voorzichtig teken van Turks-Armeense ­verzoening –, komt er een man op me afgestapt. 

De ruïne van de Surp Garabed (Johannes de Doperkerk) in Çüngüs, in het oosten van Turkije, herinnert aan de gloriedagen van de Armeense cultuur in dit gebied. Veel oude kerken zijn er tot puin vervallen of in moskeeën veranderd. Maar dankzij inspanningen van burgers – vaak onder leiding van de Koerdische minderheid – is in de stad Diyarbakır een van de grootste Armeense kerken in het Midden-Oosten heropgebouwd.

“Erkent u de genocide?” vraagt de Armeniër. Hij kijkt me recht aan, geagiteerd.
Ik schrik. Ik leg hem uit dat ik aan het werk ben.
“Dat kan me niet schelen”, antwoordt hij. “Nou, was het genocide of niet?”
Ik leg mijn pen neer. Hij blijft zijn vraag maar herhalen. En hij zegt: ik ben heus geen schim. 

Herdenken: we doen het om de herinnering levend te houden. Maar uiteindelijk wint altijd de vergetelheid. “Duizenden jaren voeren de mensen al oorlog,” schreef de Poolse journalist en schrijver Ryszard Kapuściński, “en toch lijkt het elke keer weer alsof ze helemaal van voren af aan beginnen, alsof ze de eerste oorlog ter wereld voeren.”

In een plaatsje even buiten Jerevan ligt een kromgetrokken oude man op een bank. KhosrovFrangyan heet hij, en hoewel het niet eens koud is, is hij dik ingepakt – dekens, een gewatteerde jas, een gebreide muts en sokken over zijn knokige handen – om zijn hoogbejaarde lijf te beschermen. Hij is 105, en een van de laatste overlevenden van de slachtpartij. Ze worden in Armenië op handen gedragen, omdat ze de laatste tastbare schakel vormen met 1915. Omdat ze een levend protest zijn tegen de ontkenning.

“Ik was vijf toen de Turken kwamen”, zegt Frangyan met raspende stem. “We moesten de berg op vluchten.”
Het is een beroemde episode uit de genocide. Zo’n 4700 inwoners van zes Armeense dorpen in het huidige Zuid-Turkije zochten hun toevlucht op de berg Musa Dagh. Ze rolden rotsblokken omlaag naar hun Turkse belagers. Ruim veertig dagen hielden ze stand. De overlevenden hielden wanhopig een handgemaakt banier omhoog naar de schepen die voorbij ­voeren over de Middellandse Zee: ‘Christenen in nood – red ons’. Wonder boven wonder werden ze opgepikt door Franse oorlogsschepen, die hen als ballingen naar Egypte brachten.

Nektar Alatuzyan (102) was één jaar toen het uitmoorden en deporteren van Armeniërs in Turkije begon. Haar familie verschanste zich op een berg in het zuiden van Turkije, werd gered door een Frans oorlogsschip en vond een veilig heenkomen in Egypte. In 1947 vestigde ze zich met haar man en kinderen in Armenië. De laatste ooggetuigen van wat de Armeniërs de ‘grote catastrofe’ noemen, worden in Armenië als helden gekoesterd.

Verloren grond

Frangyans bruine ogen zijn vochtig en rood omrand. Waar andere Armeense getuigen uitvoerig vertellen over gruwelen als het executeren van ouders, massaverkrachtingen of onthoofdingen, vertelt hij juist enthousiast over zijn verloren dorp: “De tuinen! Mijn grootvader had vijgen. Bomen van wel vijftig meter hoog! Wat zou ik die bananen weer graag willen eten! Die bananen zal ik nooit meer vergeten!” Frangyans dochter, zelf ook niet echt jong meer, schudt verontschuldigend het hoofd. De oude man is soms wat in de war, zegt ze. Maar dat is hij helemaal niet. Ik ben zelf ook in zijn geboortestreek geweest in Turkije, in de provincie Hatay. In de buurt van zijn oude dorp stond ik tussen boomgaarden vol tangerines en limoenen. En ik keek vanaf een heuvel naar diezelfde blauwe zee waar de oorlogsschepen voor anker gingen. Zijn redding doet me denken aan het slot van Lord of the Flies, William Goldings beroemde roman over het kwaad in de mens: volwassenen raken verzeild op een afgelegen eiland waar onschuldige kinderen zonder ouderlijk toezicht in moorddadige beesten zijn veranderd, en halen ze daar weg.

Honderd jaar geleden werd de familie van Frangyan gered door de Franse marine. Maar wie redt die mariniers van de duistere kanten in de mens? En wie moet de rest van ons redden?

Ik maak een voettocht vanuit Afrika. Ik volg het spoor van onze voorouders uit de steentijd. Waar deze eerste mensen verschenen, moesten andere mensachtigen wijken. Zij ruimden eenvoudig het veld.

Het vroegere Armeens Hoogland (nu Oost-Anatolië) lag ingeklemd tussen twee instortende rijken, het Ottomaanse en het Russische. Het Armeense volk werd de dupe: vanaf 1915 werden hier in ongeveer tien jaar tijd een half tot anderhalf miljoen Armeniërs gedood of verjaagd. Genocide, zeggen de Armeniërs. De Turken ontkennen dat. *Voor dit verhaal week Salopek af van zijn route, om Armenië en Nagorno-Karabach te bezoeken. **De stippellijn volgt de oude grens tussen het Ottomaanse en het Russische Rijk
Kaart: Lauren C. Tierney, NGM. Bronnen: Ottomaanse Rijk: Cijfers van de volkstelling van 1914 (naar religie); Russische Rijk: Cijfers van de volkstelling van 1897 (naar taal) 

In het oosten van Turkije zie ik de ruïnes van Armeense boerderijen. Tussen het puin groeien bomen, in kamers zonder dak erboven. Ik rust uit in de schaduw van de walnotenbomen die ooit zijn geplant door de latere slachtoffers van de dodenmarsen.

“Wij hebben tegen de Armeniërs gevochten, en er zijn een hoop doden gevallen”, zegt Saleh Emre, burgemeester van het Koerdische dorp Taşkale. “Dat is verkeerd geweest. Zij hoorden hier ook.” 

De islamitische Koerden nemen in de gewelddadige geschiedenis van Oost-Turkije een bijzondere positie in. Honderd jaar ­geleden knapten ze als een soort grenspolitie het vuile werk op voor de Ottomanen, maar vandaag de dag vormen ze zelf een belegerde etnische ­minderheid die in het moderne Turkije ijvert voor meer politieke rechten.

Wanneer is een genocide officieel voorbij? Op welk moment is de uitroeiing van een volk voltooid? Als niemand zich de afzonderlijke doden meer herinnert?

Verwantschap Koerden en Armenen

Door de gemeenschappelijke slachtofferrol voelen veel Koerden nu een verwantschap met hun vroegere Armeense buren. De grond in zijn dorp, vertelt Emre, was vroeger van de Armeniërs. Veel hebben ze er niet voor betaald, zegt hij. Hij noemt hij de namen van de om­­liggende plaatsen waar vroeger vooral Armeniërs woonden: Van, Patnos, Ağrı… Nu zijn er amper Armeniërs over.

Wanneer is een genocide officieel voorbij? Op welk moment is de uitroeiing van een volk voltooid? Wanneer niemand zich de afzonderlijke doden meer kan herinneren? Wanneer het laatste etnisch gezuiverde dorp een nieuwe bevolking, een nieuwe taal en een nieuwe naam heeft gekregen? Of is het boek pas gesloten wanneer eindelijk berouw gemeengoed wordt?

Steeds noordelijker komen we, mijn gids en ik. We trekken over dorre steppen waar voor ons uit roedels wolven lopen, die soms even stilstaan om zwijgend achterom te kijken en dan weer verder rennen. We passeren de berg Ararat, 5137 meter hoog en wit dooraderd met sneeuw. Op deze hellingen zou de ark van Noach volgens de Bijbel aan de grond zijn gelopen.

Voor de Armeniërs is deze imposante vulkaan een heilige plaats. In augustus 1843 klom de Russische meteoroloog Kozma Spasski-Avtonomov naar de ijzige top van de berg. De Ararat is zo hoog dat hij daar overdag de sterren had kunnen zien fonkelen.

De Ararat is een machtig symbool van de Armeense identiteit. Toen na de Eerste Wereldoorlog nieuwe grenzen waren getrokken, bleef de berg, tot verdriet van de Armeniërs, bij Turkije horen. Vanuit Jerevan is de Ararat zichtbaar – ogenschijnlijk dichtbij, maar onbereikbaar: de grens is vanwege het voortslepende conflict gesloten.

Spasski-Avtonomovs expeditie was een typisch Anatolische onderneming: hij wilde iets ontwaren wat er altijd is maar meestal onzichtbaar blijft. Dit is een landschap dat wordt achtervolgd door de schimmen van de verdrevenen.  
‘Zelfgekozen trauma’ is de term van politiek-psycholoog Vamık Volkan voor een ideologie, een wereldbeeld, waarin mensen of volken hun identiteit ontlenen aan hun leed. Zo’n zelfgekozen trauma kan een gemeenschap die het slachtoffer is geworden van grootschalig geweld een gevoel van eendracht en verbonden-heid geven – al kan het ook leiden tot een naar binnen gekeerd nationalisme. 

“Als we het pijnlijke verleden niet loslaten, kunnen we niet vooruit. Het eeuwige slachtofferdenken maakt ons tot bedelaars.”
Elvira Meliksetyan, voorvechtster van vrouwenrechten

Via de Kleine Kaukasus, een zwaar traject, loop ik van Turkije naar Georgië. Na een kort oponthoud in Tbilisi neem ik de nachttrein naar Jerevan. Ik kom aan op 24 april, de herdenkingsdag van de Armeense genocide. 
De Armeense hoofdstad hangt vol grote posters. Op eentje is het jaartal 1915 afgebeeld in wapens: een kromzwaard, een geweer, een hakmes en een strop. Het vredigste teken van rouw is ook het indrukwekkendste: de miljoenen ­vergeet-me-nietjes waarmee de parken enmiddenbermen van Jerevan zijn bezaaid. Ze zijn ook te zien op banieren, op stickers, op reversspeldjes – de bloemetjes van de genocide. ‘Ik herdenk en ik eis’, luidt de herdenkingsleuze. 
‘Ik eis’. Maar wat?
Die vraag stellen de Armeniërs zichzelf ook. Is het verleden een richtsnoer? Of een valkuil?

De vriendschap tussen de christelijke Armeense familie van Nuran Tas¸ (tweede van links) en die van Nizamettin Çim, een Koerdische moslim (tweede van rechts) wiens grootvader de familie Tas¸ heeft laten onderduiken, contrasteert met de geschiedenis van etnische spanningen in Oost-Turkije, waar de Armeniërs in de Eerste Wereldoorlog groten­­­­deels werden uitgemoord of gedeporteerd. Op regeringsniveau is vertrouwen tussen Armenië en Turkije nog ver weg.

Wonden helen

Mikael Ajapahian, de apostolische bisschopvan Gjoemri: “Armenië staat niet vijandig tegenover Turkije. We hebben niets tegen gewoneTurken. Maar Turkije zal er alles, echt alles aan moeten doen om de wonden te laten helen.”

Elvira Meliksetyan, voorvechtster van ­vrouwenrechten: “We weten niet wat we willen. Als we het pijnlijke verleden niet loslaten, dan kunnen we ook niet vooruit, toch? We hebben geen strategie. Het eeuwige slachtofferdenken maakt ons tot bedelaars.”

Ruben Vardanyan, miljardair en filantroop: “Honderd jaar na dato zijn wij de overwinnaars. We hebben het overleefd, we zijn sterk. De volgende stap is dus om onze redders te bedanken –ook de Turken onder hen. Sommige van onze grootouders zijn gered door sommige van hún grootouders. Die verhalen moeten we met elkaar verbinden.” (Vardanyan heeft geld beschikbaar gesteld voor een prijs voor anonieme helden die anderen tegen genocide beschermen.)

Er is nog meer georganiseerd in Jerevan. Een fakkeltocht. Fototentoonstellingen. Een concert van een Armeense rockband uit Los Angeles. Op de Tsitsernakaberd-heuvel ziet het zwart van de mensen: diplomaten, ­wetenschappers, activisten, gewone burgers. Op een nooit-meer-genodicecongres pleit een Amerikaanse historicus onomwonden voor Turkse herstelbetalingen. Het is toch niet te veel gevraagd, zegt hij, als Turkije zes provincies die onder de Ottomaanse heerschappij Armeens waren, zou overdragen aan Armenië?

Arif Oruç, rechts, en zijn familie zijn Armeense moslims. Ze leiden een welvarend bestaan nabij de Turkse stad Batman. Een eeuw geleden werden duizenden Armeniërs islamitisch uit lijfsbehoud, of nadat ze als weeskind in een Turks of Koerdisch gezin werden opgenomen. Nu er in Turkije enig debat is ontstaan over de definitie van de slachting, worstelen veel nazaten van ‘verborgen Armeniërs’ voor het eerst met hun geschiedenis.

Het aangrijpendste verhaal dat ik in Armenië hoor, is dat van een jonge vent met grote, gitzwarte ogen. 
“Ik was nog maar een baby, van een jaar of één. Ik lag op sterven na dood in het ziekenhuis. Met een longontsteking, dat denk ik tenminste. De artsen hadden me al opgegeven. Maar een Turkse vrouw op de kraamafdeling zag mijn moeder huilen. Ze vroeg mijn moeder of ze me even mocht vasthouden. Ze knoopte haar jurk los, pakte me bij mijn enkels en liet me langs haar lichaam omlaag zakken – alsof ze me opnieuw geboren liet worden. Zeven keer achter elkaar. Ook bad ze voor me. ‘Laat dit kind leven!’ riep ze.”
En toen?
“Toen werd ik beter. Die Turkse heeft mijn leven gered.”

Ara Kemalyan, een etnisch Armeense militair,vertelt me dat verhaal in een loopgraaf aan het front, zo’n 250 kilometer ten zuidoosten van Jerevan. In de verte klinkt geweervuur. Kemalyan is 38 en komt uit de opstandige regio Nagorno-Karabach, waar hij al ruim twintig jaar vecht tegen zijn vroegere vrienden en buren die aan de kant staan van Azerbeidzjan, een seculiere staat met overwegend moslims. Bij het geweld zijn sinds eind jaren tachtig naar schatting dertigduizend doden gevallen, vooral burgers, en zijn honderdduizenden mensen op drift geraakt.

Deze venijnige oorlog, die de hele Kaukasus verlamt, heeft vrijwel niets te maken met het geweld in de Ottomaanse periode. En toch noemt Kemalyan de Azerbeidzjaanse vroedvrouw die hem het leven heeft gered, “die Turkse”. Zijn hart is in de greep van de geesten van 1915.

Voordat ik dit land met zijn schimmen achter me laat, ga ik nog eens terug naar Ani, de middeleeuwse ruïnestad in Turkije. Het monument van de ontkenning. Deze keer zie ik Ani vanuit Armenië.

Veehouders op hun weidegronden in Zuidoost-Turkije, waar ooit de kreten van Koerdische, Armeense, Arabische en Turkse herders weerklonken. Het Ottomaanse Rijk, lappendeken van volken en schatkamer van culturen, ontplofte in de Eerste Wereldoorlog door nationalistisch extremisme. Nu leven er nog enkele tienduizenden Armeniërs openlijk in Turkije – in vergelijking met de drie miljoen in Armenië zelf en de acht tot tien miljoen in de rest van de wereld.

Op de grens

De grens tussen Armenië en Turkije is een van de vreemdste scheidslijnen ter wereld. In 1993 sloten de Turken de grensovergang uit solidariteit met Azerbeidzjan in het conflict rond Nagorno-Karabach. Maar ook de Armeniërs sloten de grens, ten dele onder druk van de Armeense diaspora, die tegen normalisering van de betrekkingen met Turkije is. Op een station aan de Armeense kant is al 22 jaar geen trein meer voorbijgekomen. Een slaperige ambtenaar veegt elke dag het stationsgebouw, terwijl de rails ongebruikt wegroesten. De gevolgen voor de economie laten zich raden, en de bewoners aan weerzijden van de grens raken intussen alleen maar armer en geïsoleerder.

Aan Armeense kant wordt de grens met Turkije bewaakt door Russische militairen, in het kader van een wederzijds verdedigingspact. Zo houdt Moskou invloed in deze strategische regio. Het is een surrealistisch gezicht: Armeens prikkeldraad en Russische wacht-torens en controleposten die uitzicht bieden op een open vlakte in Turkije, dat zijn kant van de grens al jaren geleden heeft gedemilitariseerd. Russische en Armeense militairen staan tegenover Turkse herders. De herders zwaaien vriendelijk.

“Ik zorg dat het vuur in mijn keuken altijd brandt”, zegt Vahandukht Vardanyan, een Armeense boerin die pal naast Ani woont, achter het prikkeldraad. “Dan zien de Turken dat we er nog steeds zijn.”

Tijdens een picknick onder de abrikozenbomen – het kruis is provocerend zichtbaar vanuit Turkije – zingen Armeniërs in het grensplaatsje Bagaran liederen uit weemoed, overlevingsdrang en liefde voor hun cultuur. Het bittere conflict tussen Armenië en Turkije duurt al vier generaties en verlamt de economie, diplomatie en politieke vooruitgang.De schimmen uit het verleden houden dit oude kruispunt in Oost-Turkije en de Kaukasus in een wurggreep.

Ik klim op een uitkijkpunt, waar Armeense pelgrims uit de bus stappen. De toeristen kijkenvol verlangen naar hun oude hoofdstad in Anatolië. Ik kijk met ze mee. Ik zie de plek in Turkije waar ik een paar maanden eerder heb gestaan. Tussen de ruïnes dwaalt een geest van mijn eerdere zelf. Al wat mensen van elkaar scheidt,is een gapende kloof van eenzaamheid.

Paul Salopek komt op zijn voetreis op plekken waar de geschiedenis vaak van oudsher een bron van spanning is.

Volg het blog dat National Geographic Fellow Paul Salopek bijhoudt over zijn zeven jaar durende voetreis, waar hij foto’s en persoonlijke verhalen over zijn reis plaatst.

In deze video vertellen overlevenden van de Armeense genocide wat ze zich herinneren, over hun familie en hun ballingschap.

Hoofdfoto: In de Jardi Dzor (‘ravijn van de slachting’) in Noord-Armenië zouden Turkse soldaten in 1920 zo’n vierduizend Armeniërs hebben doodgeschoten.


Bekijk ook

Ads for you!

Beste bezoeker,

We zien dat je waarschijnlijk een adblocker of andere software gebruikt die onze banners ontregelt.
Dat vinden we jammer, hiermee missen we inkomsten voor onze site die we hard nodig hebben.
Merk daarom onze site als 'veilig' aan en volg deze instructies.

Dankjewel voor je tijd.
National Geographic Nederland/België

Sluiten