lezen Wij

Verstoten weduwen vechten terug

Bekijk Sluit

lezen Wij

Wereldwijd vallen weduwen ten prooi aan uitstoting en misbruik. Sommigen laten dit niet langer over hun kant gaan en vechten terug.

Datum
Auteur
Cynthia Gorney
Fotograaf
Amy Toensing

1. EEN LEVEN TERUGGEVEN
Vrindavan, India

De zon is nog lang niet op wanneer de weduwen van Vrindavan haastig door de donkere, onverharde steegjes lopen, tussen modderpoelen en koeienvlaaien door laverend. Ze zijn op weg naar een plek waar vrijwilligers elke ochtend een reusachtige propaanbrander op de kapotte stoep installeren om een grote pot thee te zetten. De weduwen zoeken zo vroeg mogelijk een plekje op het voddenkleed op het trottoir, met opgetrokken zoom om hun sari niet te bevuilen, geduldig wachtend met hun ellebogen op hun knieën. Ben je te laat, dan is de thee soms al op. Net als de gepofte rijst bij de volgende hulppost, een paar straatjes verder.

“Ik ben niet meer zo snel ’s ochtends – ik ben ziekelijk”, klaagt een van de weduwen. “Maar we moeten tempo maken. Je weet nooit wat je anders misloopt.”

Het is pas halfzes, frisjes, met een flintertje maan aan de hemel. Enkele vrouwen dragen een kleurige sari, maar de meeste gaan gekleed in het wit, het duidelijkste teken in India dat een vrouw weduwe is – pas net of al tientallen jaren. In het schaarse licht bewegen de vrouwen zich als een vissenschool, zoals ze dicht tegen elkaar aan, in groepjes van tien of twintig tegelijk, de hoek om schieten. Van het aantal weduwen in Vrindavan zijn geen betrouwbare cijfers. Schattingen lopen uiteen van twee- tot meer dan tienduizend.

Vrindavan en de omliggende plaatsen vormen een spiritueel centrum, met talloze tempels voor hindoegod Krishna en ashrams waar arme weduwen in groepjes op de grond de hele dag bhajans, vrome liederen, zitten te zingen. Dat gezang verhoogt de heiligheid van de ashram, en hoewel de liederen eigenlijk door pelgrims en priesters moeten worden gezongen, kunnen de weduwen een warme maaltijd en soms een slaapplek voor de nacht bemachtigen door die taak over te nemen. Soms zingen ze wel vier uur aan een stuk, onvermoeibaar. 

De vrolijkheid van het kleurrijke Holifeest gold tot voor kort als ongepast voor weduwen. Maar nu worden ze door hulporganisaties die vooroordelen tegen weduwen bestrijden uitgenodigd om juist aan Holivieringen mee te doen, zoals hier in Vrindavan.

Er zijn ook weduwen die in opvanghuizen leven, met een stel een huurkamer delen of onder stukken zeildoek bivakkeren langs de kant van de weg. Vrindavan ligt 150 kilometer ten zuiden van Delhi, maar de weduwen komen er uit heel India naartoe, vooral uit de deelstaat West-Bengalen, dat een sterke Krishnaverering kent. Soms komen ze mee met een goeroe die ze vertrouwen. Soms worden ze bij een ashram of zomaar op een straathoek gedropt door hun familie, die dan snel terug naar huis rijdt.

En anders wordt de weduwen wel op andere manieren duidelijk gemaakt dat ze thuis niets meer te zoeken hebben – dat ze als vrouw met de domme pech langer te leven dan hun man, misschien “niet fysiek maar wel sociaal dood” zijn, zoals Vasantha Patri uit Delhi, psychologe en schrijfster van een boek over weduwen, het uitdrukt.

Omdat Vrindavan bekendstaat als “weduwenstad”, waar wellicht warme maaltijden, gezelschap en zinvolle tijdsbesteding te vinden zijn, komen ze al generaties lang ook in hun eentje hierheen, per bus of per trein. “Niemand van ons wil terug naar huis”, zegt Kanaklata Adhikari gedecideerd in het Bengaals. Ze is een schriel dametje dat op haar bed zit in de kamer in het opvanghuis dat ze met zeven weduwen deelt. “Het contact is verbroken. Wij zijn nu elkaars familie.”

Ze zit in kleermakerszit op haar laken, met kromme benen door ziekte en ouderdom; lopen kan ze alleen nog voorovergebogen, voetje voor voetje. Ze heeft haar witte sari losjes over het hoofd gedrapeerd; vroeger was het in India gebruikelijk dat vrouwen na de dood van hun man werden kaalgeschoren om duidelijk te maken dat ze niet meer aantrekkelijk hoefden te zijn, en zo te zien is de weduwe Adhikari pas nog opnieuw gekortwiekt. “Mijn haar was van hem, daarom hou ik het zo”, zegt ze. Ze kijkt haar bezoekers, de buitenlandse vrouw en haar jonge tolk, verbaasd aan, alsof ze de vraag niet goed begrijpt. “Een kapper komt me hier knippen. Haar en mooie kleren zijn de sieraden van een vrouw. Wat moet ik daarmee sinds ik geen man meer heb?” Hoe oud ze nu is? “Zesennegentig.” En toen haar man overleed? “Zeventien.”

Ik ben in Vrindavan samen met fotografe Amy Toensing. Samen bezoeken we in een jaar tijd drie plekken in de wereld waar weduwen een bijzondere positie innemen. Het is ons niet te doen om hun persoonlijke verdriet, maar om de nieuwe identiteit die vrouwen soms wordt opgedrongen nadat hun man is overleden: paria, banneling, prooi, martelares, blok aan het been.

In 2011 hebben de Verenigde Naties 23 juni uitgeroepen tot Internationale Weduwendag, met een trieste reden: in veel culturen zijn weduwen zo kwetsbaar – voor misbruik, armoede, de nasleep van de oorlogen waarin hun mannen zijn gesneuveld – dat ze alleen al door die weduwenstatus het risico lopen dat hun mensenrechten worden geschonden. Van de weduwen die Toensing en ik spreken, en de mensen die zich voor hen inzetten, horen we de vreselijkste verhalen. In Bosnië-Herzegovina zijn we een maand lang bij een van de grootste groepen oorlogsweduwen uit de recente geschiedenis, die al twintig jaar bezig zijn om de resten van ruim zevenduizend vermoorde mannen op te sporen en te begraven. In Oeganda maken we kennis met de term ‘weduwenerfenis’ – niet de nalatenschap die een weduwe krijgt, maar de gewoonte dat de schoonfamilie alles achteroverdrukt, met de weduwe erbij, als echtgenote of als bedvulling voor wie haar maar hebben wil.

En in Vrindavan vertelt maatschappelijk werkster Laxmi Gautam ons woedend over weduwen die moeten gaan bedelen omdat ze door hun familie het huis uit zijn gezet. Als we haar vragen of ze zich weleens heeft afgevraagd wat ze zou doen om deze vrouwen te beschermen, als dat in haar macht lag, heeft ze haar antwoord al klaar. “Het woord ‘weduwe’ uit het woordenboek schrappen”, antwoordt ze. “Zodra haar man is overleden, wordt ze zo genoemd. Ze krijgt meteen dat stempel opgedrukt. En daarmee begint de ellende.”

Het was de liefdadigheidsorganisatie van de Brits-Indiase zakenman Raj Loomba die de VN zover kreeg om zich achter een jaarlijkse weduwendag te scharen. Hoeveel weduwen er wereldwijd zijn, is vanwege hun sociale isolement en hun onzichtbaarheid moeilijk te achterhalen, maar de betrouwbaarste schatting komt van de Loomba Foundation, die zich internationaal voor weduwen inzet: ongeveer 259 miljoen, maar met de nodige slagen om de arm, want veel landen kijken amper naar hun weduwen om, laat staan dat ze hun aantal bijhouden.

Een weduwe mag zich niet mooi maken of kleurig kleden, want dat past niet bij haar rol als rouwende vrouw. Een weduwe mag alleen dingen eten die nergens naar smaken, en niet te veel, want anders zou ze maar gaan verlangen naar zinnelijke geneugten die ze toch nooit meer zal ervaren. Die benauwende hindoeregels zijn volgens hoogopgeleide Indiërs weliswaar hopeloos uit de tijd, maar op het platteland en in conservatieve families worden ze nog altijd nageleefd. Meera Khanna, een schrijfster uit Delhi die verbonden is aan de organisatie Guild for Service, zegt dat de stigmatisering van weduwen geen basis heeft in de Veda’s, de oude hindoegeschriften, maar berust op een hardnekkige traditie van onderdrukking.

“In de Veda’s staat nergens te lezen dat een weduwe een sober leven moet leiden”, legt ze uit. “Maar er staat wel dit: Vrouw, waarom huil je om de man die is heengegaan? Sta op, neem de hand van een levende man en begin een nieuw bestaan.”

De weduwengemeenschappen in tempelsteden trekken ook hindoevrouwen uit Nepal en Bangladesh aan. De Bengaalse weduwe Bhakti Dashi (75) woont al een kwarteeuw achter in een tempel aan de rivier in het spirituele centrum Navadwip in West-Bengalen. Samen met lotgenoten die thuis zijn weggegaan of weggejaagd, zingt ze gebedsliederen, soms uren aan een stuk, in ruil voor kost en inwoning.

Ons bezoek aan Vrindavan en Varanasi, een stad ten noordwesten van Kolkata die ook duizenden weduwen aantrekt, valt samen met een campagne om weduwen aan hindoefeesten te laten meedoen. Dat is een ambitieuzer doel dan je zou denken. Divali en Holi worden in heel India groots gevierd: Divali met cadeautjes, lichtjes en vuurwerk, Holi met gekleurd poeder en water waarmee mensen elkaar op straat overgieten.

Veel te uitbundig natuurlijk voor vrouwen die worden geacht om op de achtergrond te blijven. “Als je eenmaal weduwe bent, hoor je niet meer aan zulke feesten mee te doen”, zegt liefdadigheidswerkster Vinita Verma. “Maar wij willen deze vrouwen weer een plek in de samenleving geven. Ze hebben recht op een volwaardig leven.”

Verma is vicevoorzitter van de Indiase organisatie Sulabh International, die weduwen in opvanghuizen in Vrindavan en Varanasi financieel en praktisch ondersteunt. Sinds een paar jaar organiseert Sulabh in die steden tijdens Holi en Divali activiteiten voor weduwen.

In 2015 worden de festiviteiten in de ‘weduwensteden’ Vrindavan en Varanasi doelbewust in de openbare ruimte gehouden. Negatieve reacties in de Indiase media blijven uit, en Toensing en ik horen maar één klacht: dat de activiteiten vooral mooie fotomomentjes opleveren. Wat de weduwen nodig hebben, is betere woonruimte, voedsel zonder dat ze ervoor moeten zingen, families waar ze weer welkom zijn, en een samenleving die hen niet langer beschouwt als nutteloze wezens die louter ongeluk brengen.

“De echte verandering moet uit de samenleving komen die dit probleem heeft gecreëerd”, zegt Gautam, de maatschappelijk werkster die van het woord ‘weduwe’ af wil. Bij haar in huis wonen meestal een paar weduwen die nergens anders terechtkunnen, en als ik vraag of ze een beter woord weet voor deze vrouwen, heeft ze over die vraag kennelijk vaker nagedacht. “Moeder”, zegt ze. “En als ze geen moeder is, dan is ze wel een dochter of een zus. En ze is ook een echtgenote, ook al leeft haar man niet meer.”

Wat we ook niet moeten vergeten: de weduwen van Vrindavan zijn niet van suikergoed. Wanneer ik in november 2015 in Vrindavan aankom, staat Divali voor de deur, en een middag lang volg ik Verma bij de voorbereidingen van de festiviteiten die Sulabh organiseert. Op het programma staan onder meer een processie en een groot vuurwerk bij de rivier. En Sulabh geeft duizend sari’s weg die de weduwen na het feest mogen houden – in een kleur naar keuze. De sari’s zijn af te halen in een winkel in Vrindavan, waar de vrouwen die aan het Sulabh-programma meedoen een paar uur lang kunnen kijken en kiezen, even geroutineerd als alle Indiase sari-shopsters.

Met mijn tolk zie ik in de sariwinkel hoe de eerste weduwen naar de stapel toe lopen, de sari’s goed bekijken en dan de winkelier erbij roepen. “Ik vind die aan dat rek veel mooier”, zegt een vrouw. “Mogen we daar niet uit kiezen?”

Nee, die zijn helaas voor de verkoop, is het antwoord. “Hmm”, zegt een weduwe. Ze voelt aan de stof van een gratis sari. “De kwaliteit valt me tegen”, zegt een andere weduwe. “Mag ik er even bij?” vraagt een derde, maar de vrouw die ze aanstoot gaat niet opzij – plaats genoeg, toch? Het duurt langer dan verwacht om iedereen te helpen, en vier weduwen lopen sputterend de deur uit, zonder sari. “Alsof onze tijd niks waard is”, moppert er een.

De Divali-processie en het vuurwerk zijn een schitterend spektakel, met gezang en sterretjes en sari’s, witte én gekleurde – saffierblauw, scharlakenrood, limoengroen, fuchsiaroze, saffraangeel. Er komen een hoop persfotografen op af. Flarden rook, vuurwerk dat de rivier in een roze licht zet, drijvende olielampen die gloeiende kringen maken in het stromende water – en toch, wat me achteraf het meest bijblijft, is de herinnering aan die vrouwen die hun neus ophalen voor de gratis sari’s en verontwaardigd de winkel uitlopen. Met z’n vieren lopen ze in hun witte weduwengewaden giechelend de weg op, waar het verkeer netjes stopt om hen te laten passeren.

Christine Namatovu en haar zoon Andrew troosten elkaar in het huis dat Namatovu’s schoonfamilie haar na de dood van haar man afhandig probeerde te maken. Met hulp van advocaten wist Namatovu te voorkomen dat ze het huis uit moest.


2. HET VERLEDEN BEGRAVEN
Tuzla, Bosnië-Herzegovina

Toen het forensisch identificatiecentrum voor het eerst belde, was Mirsada Uzunović alleen thuis met haar dertienjarige zoon, en dus dwong ze zichzelf om rustig te blijven. De stem aan de andere kant van de lijn klonk vriendelijk. Laboratoriumonderzoek had uitgewezen dat er resten waren gevonden van Uzunovićs man, Ekrem. Veel was het niet, enkel een stuk schedel. Maar als Uzunović dat wilde begraven, in het nieuwe herdenkingscentrum, dan kon dat.

Liever niet. Drie maanden lang vertelde ze het aan niemand. “De nachten waren het moeilijkst. Dan was ik alleen met mijn gedachten. Van die grote man zoals ik hem had gekend, restte alleen nog een stuk schedel. Ik kon er met mijn verstand niet bij. Ze hadden hem vermoord, oké. Maar waarom was hij niet begraven? Zijn lichaam lag overal verspreid. En ik wist niet waar. ”

Dat eerste telefoontje kwam in 2005, tien jaar nadat Bosnisch-Servische troepen aan het eind van de drie jaar durende burgeroorlog in één week tijd meer dan zevenduizend Bosnische Moslimmannen hadden vermoord, in het oosten van de voormalige Joegoslavische deelrepubliek Bosnië-Herzegovina. Tussen 11 en 19 juli 1995 werden de mannen en jongens uit het stadje Srebrenica en omgeving afgeslacht. Velen waren onder toeziend oog van het Nederlandse VN-bataljon Dutchbat van hun gezin gescheiden, waarna ze per bus naar hun executieplaats werden gebracht. Velen ook werden op de vlucht doodgeschoten.

Ekrem Uzunović, van wie Mirsada had gehouden vanaf het moment dat ze hem op haar vijftiende op een dansfeest ontmoette, had een zwarte broek en een T-shirt aan toen ze hem voor het laatst zag. In zijn rugzak had hij een brood bij zich dat zij die ochtend had gebakken. Hij had zich gebukt om hun zoon een kus te geven; toen had hij zich omgedraaid en was weggerend om zich in het bos te verstoppen.

Hun zoontje was op dat moment twee, Ekrem 27. In Tuzla, de stad waar Uzunović en veel andere oorlogsweduwen uit Srebrenica een nieuw huis hebben gekregen, is nu een klein kantoor waar de twee kamers volhangen met foto’s van zwartharige Bosnische mannen als Ekrem, zeker of hoogstwaarschijnlijk allemaal dood. In stapels albums zitten nog eens duizenden van zulke foto’s, mannen die lachen, roken of proosten met vrienden. Er zijn jonge tieners bij, maar ook mannen die Ekrems grootvader hadden kunnen zijn. Uzunović: “Bij elk huis zag je hetzelfde: mannen die haastig weggingen, huilende vrouwen en andere familieleden. Maar de mannen reageerden niet op de tranen; ze liepen zonder om te kijken naar de bossen toe. De duisternis in, naar het woud. Een rivier van mannen.”

Het is juli wanneer we elkaar spreken, in het huis op een heuvel in Tuzla waar Uzunović nog steeds met haar zoon woont. Elk jaar vindt op 11 juli, grotendeels dankzij de inspanningen van een netwerk van Bosnische vrouwen die een mannelijk familielid hebben verloren, een groepsbegrafenis plaats, waarbij op een speciale begraafplaats voor de doden uit Srebrenica één voor één kisten ter aarde worden besteld met de resten die het voorafgaande jaar zijn geïdentificeerd. De begraafplaats ligt in Potočari, een dorp op een paar kilometer van Srebrenica. De eerste zeshonderd kisten werden begraven in 2003, toen de volle omvang van de gruwelen die zich hier hadden voltrokken duidelijk begon te worden.

Links: bij de twintigste herdenking van de moord op duizenden Bosnische Moslimmannen uit Srebrenica wordt Advija Zukić uit de zon gehouden, terwijl de resten van haar man worden begraven. De identifcatie van de slachtofers is nog altijd gaande. Rechts: hun mannen waren broers; beiden werden vermoord. Nu wonen jeugdvriendinnen Fata (links) en Hamida Lemeš samen met vier andere oorlogs - weduwen in het dorp Skejići. Fata: “Dit prachtige landschap heeft zo veel gruwelijks voortgebracht.”

Nu, in de eerste week van juli 2015, nadert de twintigste herdenkingsdag. De Amerikaanse oud-president Bill Clinton komt, heeft Uzunović gehoord, de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders en wat andere kopstukken. De nu 41-jarige Uzunović is intussen maar al te vertrouwd met de begraafplaats op zo’n hoogzomerse dag, de glooiende hellingen, de eindeloze rijen zerken en het stuk open gras voor de graven die nog moeten worden gedolven. Ze heeft al heel wat begrafenissen op 11 juli meegemaakt: die van haar broer, haar grootvader, drie ooms, vier neven en mannen uit Ekrems familie. Maar steeds heeft ze kunnen zeggen dat Ekrem hier niet ligt, nog niet. 

Toen het forensisch centrum voor de tweede keer belde, in 2007, met de mededeling dat nu de heup- en dijbeenderen van haar man waren geïdentificeerd, wilde Uzunović nog steeds niet dat er een begrafenis kwam. Ze vond het nog niet genoeg. 

“Maar ik heb zo’n zware last op mijn schouders gedragen”, zegt Uzunović wanneer ze voor mijn tolk en mij sterke Bosnische koffie inschenkt. Ze heeft die ochtend een muur geschilderd; haar sweatshirt en spijkerbroek zitten vol verfvegen en haar zwarte haar zit in een staartje. Ze maakt een afgetobde maar rustige indruk. “Ik heb te lang gewacht”, zegt Uzunović. “Ik moet het hoofdstuk afsluiten. Ik kan niet langer wachten.” Dit jaar zal ze bij de herdenking in Potočari haar man begraven.

Het Bosnische voor weduwen is udovice. Maar in de namen van de organisaties die ze hebben opgericht, worden de Bosnische vrouwen die in de oorlog hun man hebben verloren žene genoemd. Zoals in Snaga Žene, Vrouwenkracht. In de zomer van 1995 konden mensen die het sportcentrum van Tuzla passeerden de žene uit Srebrenica zien staan. Met vrachtwagens waren ze naar Tuzla gebracht terwijl hun mannen, zonen, vaders en broers werden doodgeschoten. De mannen hadden gezegd: als ik veilig ben, ga ik naar het sportcentrum, wacht daar op me. En dus hadden de vrouwen er weken gestaan, vol verwachting.

“Ze konden het zich gewoon niet voorstellen”, vertelt Branka Antić-Štauber, een arts uit Tuzla. “Dat er in een paar dagen tijd zo veel mensen waren vermoord. Maar toen werden er lichaamsresten gevonden, nog verspreid over verschillende graven ook. Dat konden de mensen al helemaal niet bevatten.”

De Bosnisch-Servische leiders waren bang geweest dat de massagraven zouden worden ontdekt en gaven het bevel de duizenden lichamen op te graven en op verschillende plekken opnieuw te begraven. Dat ging met graafmachines en grof geweld, waardoor de ontbindende lichamen uiteenvielen. Zo kregen de vrouwen van Srebrenica, die zoals alle oorlogsweduwen toch al worstelden met de trauma’s van geweld, verkrachting, isolement en geldnood, er een zorg bij: ze konden hun geliefden pas begraven als hun lichamen stukje voor stukje waren geïdentificeerd.

De forensische opsporing, het eindeloze analyseren van botresten en deze vergelijken met DNA-monsters van bloedverwanten, gebeurt door een speciale organisatie die na de Bosnische oorlog is opgericht, de Internationale Commissie voor Vermiste Personen (ICMP). Dat het bloedbad zo goed mogelijk wordt afgesloten – met een speciale begraafplaats, een fotoverzameling van alle vermisten en maandelijkse betogingen om te eisen dat niet wordt gerust voordat het laatste lichaam is gevonden, de laatste dader berecht, en de moordpartij in Srebrenica officieel tot ‘genocide’ is verklaard – is te danken aan de vrouwen zelf. “Het zijn echte heldinnen”, zegt Amra Begić van het Srebrenica-herdenkingscentrum in Potočari op de dag voor de twintigste herdenking. “We hadden niet gedacht dat onze moeders zo sterk konden zijn.” 

Ook de vader en opa van Begić zijn onder de slachtoffers; hun graven worden door twee zerken gemarkeerd. Voor de begrafenis van 2015 waren er al 6241 graven. Nu staan er in het herdenkingscentrum 136 nieuwe groene kisten; groen is een heilige kleur in de islam. De resten van Ekrem Uzunović liggen in kist 59, en op de warme, onbewolkte ochtend van de ceremonie vindt Mirsada Uzunović de zerk met zijn naam bij het pas gedolven graf. Ze gaat zitten op een van de klapstoeltjes die haar familieleden hebben meegenomen. Vriendelijk staat ze mensen te woord, ze laat zich omhelzen en luistert naar hun zacht uitgesproken condoleances. Vanuit een tent voor de hoge heren in de verte is Clintons stem te horen, maar Uzunović verstaat zijn Engels niet en is ook niet bijster geïnteresseerd. Er klinken steeds andere stemmen en nieuwe gebeden, en op een gegeven moment is er een opstootje wanneer de Servische premier, die voor het eerst naar een 11 juli-herdenking is gekomen en bloemen op een graf wil leggen, zo vervaarlijk wordt uitgejoeld dat zijn lijfwachten hem snel naar een klaarstaande auto begeleiden.

Een imam verzoekt om respect, en dan wordt het stil op de begraafplaats. Onder aan de heuvel wordt de eerste van de groene kisten naar zijn laatste rustplaats gedragen. Wanneer de imam de aanwezigen vraagt om voor de doden te bidden, buigen duizenden mensen het hoofd in gebed. Uzunović bidt niet mee. Ze staat op van haar stoel, steekt een sigaret op, gaat bij het lege gat in de grond zitten en wacht af. Laat de anderen maar bidden, denkt ze. Zij heeft al zo veel gebeden, en ze wil met Ekrem praten: je zei dat ik goed op onze zoon moest passen. Kijk, hij is al 22 nu. Hij studeert aan de universiteit. Hij helpt mee om je kist te dragen, om hem in de grond te laten zakken en met zand te bedekken. Dan heb je eindelijk een plek.

In een klein pand in Tuzla zetelt het kantoor van de Vrouwen van Srebrenica, die nog steeds gerechtigheid eisen voor de duizenden doden van Srebrenica. Oprichtster Hajra Ćatić, die haar man en zoon verloor bij de slachtpartij van 1995, leunt doodmoe achterover bij de voorbereidingen van de jaarlijkse herdenking. Achter haar hangen foto’s van doden en vermisten.

3. DE WET HANDHAVEN
District Mukono, Oeganda

“Het deemoedige verzoek van Tumushabe Clare Glorious luidt als volgt.” In Oeganda zijn juridische stukken gesteld in de bloemrijke taal uit de Britse koloniale tijd, en op een zomerse ochtend bladert advocate Diana Angwech door twee dikke dossiers die op haar schoot liggen. De rechtbank zetelt provisorisch in een rood gebouwtje tussen een maisveld en een groepje bananenbomen op een uur rijden van de hoofdstad Kampala. Binnen, op de betonnen vloer, staan een paar houten bankjes tegenover de tafel van de rechter, waarop niets anders ligt dan een kalender, een koran en een oude bijbel die met touwtjes bij elkaar wordt gehouden.

De bewaker bij de deur doet een stap opzij, waarna de mensen naar binnen lopen en zich installeren op de bankjes naast en achter Angwech. De weduwe Clare Tumushabe gaat op de vierde rij zitten, met haar tweejarige dochtertje op de arm, de jongste van haar zes kinderen. Tumushabe was vroeger verlegen, maar nu kijkt ze met opgeheven hoofd om zich heen in de rechtszaal. Ze was in verwachting van dit kleine meisje toen haar man overleed – een hevige hoofdpijn, een ziekenhuis dat niets meer kon doen – en het lukt haar steeds beter om duidelijk en bevlogen onder woorden te brengen wat haar sindsdien is overkomen.

Weduwen die zich op de wet beroepen om zich tegen misbruik en bezitsonteigening te verzetten, wacht soms een zware strijd. Michael Nyero werkt in het archief van de rechtbank van Mengo, waar de achterstanden groot zijn.

Hoogzwanger en zielsverdrietig werd ze opgetrommeld voor een gesprek met de belangrijkste familie- en clanleden van haar overleden man. Ze kreeg te horen dat de kinderen niet van haar waren, maar van hen; dat ze van de oogst op haar land moest aflijven, want die was nu ook van hen; en dat zij vanaf nu de derde vrouw was van haar zwager – de oudste broer van haar man, twintig jaar ouder dan zijzelf –, die meteen bij haar zou intrekken.

Het huis en de hectare grond die Tumushabes man van zijn vader had geërfd, ging over op hen, zei haar schoonfamilie. En als weduwe hoorde Tumushabe bij de boedel, volgens de traditie, net als de koffiestruiken en de jackfruitbomen.

Tumushabe antwoordde dat dat allemaal onzin was. Ze was niet van plan om het bed te delen met haar zwager, en haar man had haar papieren nagelaten waarin zwart op wit stond dat zij het land zou erven. De schoonfamilie zei dat zij haar man dan wel zou hebben behekst, maar dat ze geen hulp meer van hem hoefde te verwachten vanuit zijn vers gedolven graf. Tumushabe haalde de politie erbij. Ze haalde een deel van de oogst van het veld en kapte bomen als brandhout. De dreigementen werden steeds ernstiger, en zelfs haar kinderen kregen verwensingen naar het hoofd geslingerd. Op een dag stond er ineens iemand van haar schoonfamilie op het erf, die riep dat hij Tumushabe zou vermoorden. Hij had een panga bij zich, een breed Afrikaans kapmes, waarmee hij Tumushabe aan haar hand verwondde. Daarom heeft Diana Angwech de man voor de rechter gesleept. 


Per situatie bekijk je wat de beste aanpak is, zeggen Angwech en haar collega’s bij herhaling wanneer Toensing en ik in hun kielzog diverse dorpen in Midden-Oeganda bezoeken: medeleven tonen, advies geven, voorlichting bieden aan politiemensen en dorpsoudsten, op dorpsbijeenkomsten uitleggen dat het verboden is om een vrouw die haar man heeft verloren haar bezit afandig te maken, ook voor haar schoonfamilie.

“Mensen wisten niet wat ze hoorden – ‘Lieve hemel, mag dat dan niet?’” vertelt advocate Nina Asiimwe over haar eerste openbare optredens voor de International Justice Mission (IJM) in Kampala, de organisatie waarvoor ook Angwech werkt. “Ze vonden het doodgewoon. Misschien niet rechtvaardig, maar wel doodgewoon. Geaccepteerd door de samenleving.”

Deze mensen fungeren als een soort reddingsbrigade voor Oegandese weduwen: advocaten, maatschappelijk werkers en onderzoekers die het eigen rechtssysteem van hun land gebruiken om een eind te maken aan het onrecht tegen deze vrouwen. De IJM is een mensenrechtenorganisatie, met het hoofdkantoor in de Verenigde Staten, die juridische ondersteuning biedt aan slachtoffers van allerlei misstanden. De doelstellingen van de medewerkers in Kampala zijn vooralsnog bescheiden: ze doen mee aan een pilotproject in één district ten oosten van de hoofdstad, met gratis rechtshulp aan kwetsbare gedupeerden die worden getroffen door een veelvoorkomend misdrijf in zuidelijk en oostelijk Afrika: wederrechtelijke grondonteigening oftewel landjepik.

Vooral weduwen vallen ten prooi aan deze vorm van diefstal. Omdat ruim twee derde van de 39 miljoen Oegandezen ten minste een deel van zijn eigen voedsel teelt, biedt een eigen huis met een lapje grond bestaanszekerheid: eten voor de kinderen, brandhout om te koken, groenten om op de markt te verkopen. Omdat overledenen vaak vlak bij hun huis worden begraven, is de beheerder van het familiebezit ook degene die waakt over de geschiedenis, de eer en de status van de familie. En door de snelle bevolkingsgroei en de introductie van hypotheekleningen stijgt de grond snel in waarde. Wie een huis met een lapje grond bezit, kan geld lenen om een bedrijf te beginnen, of om nog meer land te kopen.

In de Oegandese cultuur is het niet vanzelfsprekend om dit soort zaken aan een weduwe te gunnen. De grondwet, die in 1995 is herzien en sindsdien een bron is van nationale trots, garandeert gelijke rechten voor beide seksen. Ook echtgenotes en dochters hebben erfrecht, dat staat expliciet in de wet. Maar in de praktijk vinden veel mensen, vooral op het platteland, dat alleen mannen grond horen te erven of te bezitten, dat een vrouw die weduwe is niet meer meetelt, en dat het aan de familie en de clan van haar man is om te beslissen wat er moet gebeuren – wie het onroerend goed krijgt, naar wie de kinderen gaan, en wie er seks met haar mag hebben. “En daar komt het stigma nog bij”, zegt Asiimwe. “Als weduwe breng je ongeluk. Je bent vervloekt. Het is jouw schuld dat je man dood is. Ook al had hij meer gezinnen, andere vrouwen, en is hij met een hiv-besmetting thuisgekomen. Als hij doodgaat, ligt dat aan jou. Dan heb jij dat op je geweten.”

De mensen van de IJM die de weduwen bijstaan in het district Mukono, hebben een dapper streven: om overal in Mukono, of misschien wel in heel Oeganda en zelfs daarbuiten, voor eens en altijd duidelijk te maken dat het niet alleen niet deugt om deze vrouwen hun grond en hun oogst afandig te maken, maar dat het bovendien strafaar is. En dat wordt als het kan diplomatiek aangepakt: op de dorpsbijeenkomsten spreekt Asiimwe iedereen die ouder is dan zij steevast aan met “mijn vaders” en “mijn moeders”. Ze vertelt dat ze best weet dat dit soort geschillen vaak worden beschouwd als een familiezaak die moet worden opgelost door clanoudsten of door een dorpsraad met gerespecteerde leiders. 

Maar die clanoudsten pakken het vaak niet goed aan, zegt ze, en de dorpsleiders worden soms omgekocht of bedreigd. Ze gebruikt duidelijke termen in het Luganda, de grootste inheemse taal in de regio: okubba, diefstal, en kimenyamateeka crimineel. Ze vraagt de mensen om zich in te leven in het lot van een weduwe die uit haar huis wordt verjaagd. Om zich te realiseren dat zo’n vrouw dan soms ook niet meer welkom is bij haar eigen familie, omdat die geen geld heeft om haar te onderhouden of omdat ze haar niet langer als een van hen beschouwen. En om te begrijpen dat zo’n weduwe dan is veroordeeld tot een zwervend bestaan, misschien zelfs tot prostitutie. “En dan heeft de hele gemeenschap natuurlijk een probleem”, zegt Asiimwe. “De kinderen belanden op straat. Mensen hebben nog maar één keer per dag te eten in plaats van drie.”

Links: een week na de dood van haar man staat Solome Sekimuli (54) in de deuropening van hun echtelijke woning in Luwero. Mannen uit haar schoonfamilie hebben op de dag van de begrafenis met geweld geprobeerd haar huis en grond af te pakken. Rechts: Joseph Ssenkima (midden) is aangeklaagd voor het terroriseren van de weduwe Betty Nanozi. Hij zou een van de zeker zeventig mensen zijn geweest die haar oogst vernielden en dreigden haar zoon te vermoorden. Sinds de dood van Nanozi’s man hebben zijn familieleden en hun handlangers haar uit het huis proberen te verjagen. De politie heeft een aantal verdachten opgespoord.

Toch daalt het besef maar langzaam in. Een voormalige politieman die nu leiding geeft aan het onderzoek van de IJM in Mukono vertelt dat hij bij zijn oude politiekameraden op onbegrip stuitte toen hij zei dat dorpsagenten bewijzen moesten verzamelen van gronddiefstal en bedreigde weduwen serieus moesten nemen. Collega’s van zijn eigen generatie reageerden verbaasd, zegt hij. “Wat is het probleem? Is dit belangrijk dan?”

De dreigementen gaan soms zo ver dat ze ook tegen de onderzoekers zijn gericht, en daarom wil de IJM liever niet dat hun naam wordt gepubliceerd. Ook liggen kwesties soms erg ingewikkeld. Grondbezit is in Oeganda op allerlei manieren geregeld, deels volgens regels die nog uit prekoloniale tijden stammen, en het kan dus knap lastig zijn om uit te maken wie de rechtmatige eigenaar van een stuk grond is. Bovendien maken Oegandezen niet graag hun testament op, want daarmee zouden ze maar de dood over zichzelf afroepen. Ongehuwd samenwonen is heel gewoon, maar daardoor blijken vrouwen die zichzelf als echtgenote beschouwen dat voor de wet niet altijd te zijn. “Toch ben ik optimistisch”, zegt Alice Mahairwe Mparana van de IJM. “We hebben dit jaar al negen veroordelingen binnengesleept.”

Een paar van de aanklachten die in de eerste helft van 2016 bewezen zijn verklaard: onrechtmatige huisuitzetting, huisvredebreuk en illegale bemoeienis met andermans zaken. Oeganda heeft geen wet die het verbiedt om een weduwe te behandelen alsof haar leven niets waard is, net zomin als andere landen trouwens. Maar 23 juni is de zesde Internationale Weduwendag, en in de grootste stad van Mukono wordt daar feestelijk bij stilgestaan op een grasveld voor de rechtbank, met microfoons, een blaaskapel, honderden klapstoeltjes en een overdekt zitgedeelte voor, zoals op een bordje staat, ‘hooggeëerde weduwen’. Allerlei belangrijke mensen houden een praatje: de commissaris van politie, de voorzitter van de rechtbank en ook Clare Glorious Tumushabe, die het langst aan het woord is van iedereen.

Dankzij de hulp van anderen, zegt Tumushabe, woont ze nu nog in haar eigen huis. “Er was maar één man van wie ik hield”, zegt ze in het Luganda, en haar stem zwelt aan als die van een priester. Instemmend gejoel van de Hooggeëerde Weduwen. “Hoe komen jullie erbij om mij aan een andere man geven?, zei ik tegen de clan van mijn echtgenoot. Ik ben toch zeker niet met de hele clan getrouwd?”

Drie maanden later krijgen Toensing en ik bericht: de man die Tumushabe heeft aangevallen, is tot een jaar cel veroordeeld voor geweldpleging en het toebrengen van lichamelijk letsel. Tumushabe en haar advocaten zijn dolblij. Maar de broers en zussen van de dader zijn furieus, en de leider van het onderzoek is bezorgd om de veiligheid van de weduwe en haar kinderen. “We hebben de beveiliging opgeschroefd”, zegt hij. “En we willen extra voorlichting geven aan mensen in de omgeving, zodat die een oogje in het zeil houden. Ze leeft best wel afgelegen. Maar wat is dat een sterke vrouw.” 

Bovenstaande reportage van journaliste Cynthia Gorney en fotografe Amy Toensing is te lezen in het februarinummer 2017 van NatGeo Magazine. 


Bekijk ook

Ads for you!

Beste bezoeker,

We zien dat je waarschijnlijk een adblocker of andere software gebruikt die onze banners ontregelt.
Dat vinden we jammer, hiermee missen we inkomsten voor onze site die we hard nodig hebben.
Merk daarom onze site als 'veilig' aan en volg deze instructies.

Dankjewel voor je tijd.
National Geographic Nederland/België

Sluiten