Italië

Procida: In de schaduw van Napels

Het Italiaanse eilandje Procida moet het niet hebben van massatoerisme – tot grote tevredenheid van de bewoners. maandag, 3 juli

Door Gert Hage

Over Procida, een klein eiland voor de kust van Napels, hoor je zelden iets. Ze vinden het wel best, de dikke 10.000 eilandbewoners. Zij zijn blij met wat ze hebben – rust, verse vis en elkaar. En in de zomer dan de toeristen voor wie Capri te duur en te decadent is, en het nabijgelegen Ischia te vol.

Op Procida geen megahotels, discotheken of Louis Vuitton. Je zult er tevergeefs zoeken naar de sporen van beroemde schrijvers en decadente excentriekelingen als Oscar Wilde en Curzio Malaparte, zoals op Capri, of naar de thermische baden die Ischia zo geliefd maken. Elke vorm van glamour is Procida vreemd. Al zijn ze heimelijk natuurlijk apetrots dat de beroemde roman van Elsa Morante, Het eiland van Arturo, op hun eiland is gesitueerd en dat de filmindustrie Procida regelmatig aandoet. Matt Damon was er, Sophia Loren en natuurlijk Philippe Noiret en Massimo Troisi, de hoofrolspelers in Il Postino, die deels op het eiland werd gedraaid. In Marina Corricella, een van de drie haventjes, mogen ze de gasten graag wijzen op het café waar de postbode het hart van zijn toekomstige vrouw wist te veroveren met metaforen die hij had ‘geleend’ van zijn enige klant, de verbannen Chileense dichter Pablo Neruda.

Maar het trotst zijn ze op hun wereldwijd erkende reputatie als zeelui. Zoals de plaatselijke huisarts in ruste, Giacomo Retaggio, later zou zeggen: ‘Er is geen zee ter wereld waar niet iemand van ons is geweest. Hoe klein we ook zijn, we hadden ooit een van de grootste handelsvloten van Italië. Die hoogtijdagen zijn voorbij, maar nog steeds tellen we mee in de internationale zeevaart. Als er weer eens een schip wordt gekaapt door Somalische piraten, kun je er helaas bijna van uitgaan dat er iemand van ons aan boord is.’

Stipt om 08.25 uur maakt de draagvleugelboot zich los van de kade in Napels om 35 minuten later Procida aan te doen en daarna door te varen naar Ischia. Een handvol mensen stapt van boord op deze mooie februari-ochtend, onder wie een jeugdig Napolitaans voetbalteam voor wie vandaag de altijd lastige uitwedstrijd tegen Procida op het programma staat. Hoe lastig blijkt later als de veerboten uit de vaart worden genomen, vanwege een plots opgestoken harde wind. Geld voor een hotel hebben de jonge spelertjes niet, dus zit er niets anders op dan te wachten op de eerste boot die hun naar Napels brengt. Die kwam om drie uur ’s nachts.

Op de kade wacht Domenico Scotto, bijgenaamd Il sorriso – de glimlach. Hij is net terug van een zesweekse zeiltocht met een catamaran langs de kusten van Venezuela en Brazilië. We stappen in zijn Fiat Punto voor een korte verkenning van het eiland. Veel tijd kost dat niet, want het eiland meet maar zo’n vier vierkante kilometer. ‘Ruim de helft van de families leeft van de zee,’ vertelt Domenico, terwijl hij zijn auto handig door de straatjes manoevreert.

‘Zo’n 30 procent van het toerisme en de rest reist dagelijks voor het werk heen en weer naar Napels.’ Hij is geboren en getogen op Procida, waar hij na de lagere school het L’Istituto Nautico, de zeevaartschool, bezocht, zoals de meeste jongens (en een enkel meisje) van het eiland. De school, die leerlingen trekt uit de wijde omgeving, stamt uit 1833 en was een cadeautje van de Bourbons, de koninklijke familie die destijds over Zuid-Italië heerste. Procida was hun favoriete jachtgebied en als compensatie voor het alleenrecht op de jacht, schonken ze het toen nog overwegend agrarische eiland niet alleen de school, maar werd hun ook een deel van het handelsverkeer over zee gegund. De boeren werden zeelui.

Domenico niet – die koos voor een nogal gevarieerde loopbaan aan wal. Hij was metselaar en surfleraar, vertrok vervolgens naar Australië en zette bij terugkeer een reisbureau op en begon met de verhuur van vakantiehuisjes. Het legde hem geen windeieren. ‘Natuurlijk zijn we niet tegen toeristen, we zijn tegen het massatoerisme. Omdat we het niet nodig hebben, maar vooral omdat we onze eigen identiteit willen behouden. Dus een paar hotelletjes, wat B&B’s en een enkele camping, prima, maar niemand zit te wachten op een hotel met 300 kamers.’

Hij zet de auto stil in een straatje boven Marina Corricella. De pastelkleurige huizen met hun gewelfde bogen (foto boven dirt artikel) zijn dicht tegen en op elkaar gebouwd tegen een rots. Op de kade liggen de visnetten te drogen, in de haven visserbootjes, met namen als Tina, Gabrielle en Sophia. In het laatste huis aan de kade treffen we Luigi de Matteo, een tegen zijn pensioen aanlopende hoogleraar economische geografie aan een van de zes universiteiten van Napels. Zijn universiteit, de Orientale, beheert een voormalig meisjesweeshuis op Procida, waar in de zomer cursussen en congressen worden gehouden. Een vakantiehuisje in Corricella leek hem wel wat, maar dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan. Zelden komt er iets in de verkoop, en een huisje dat paste in zijn budget is nog zeldzamer. Twee jaar geleden had hij beet, een piepklein appartementje voor 110.00 euro, waar nog wel het nodige aan moest gebeuren. Vanuit zijn raam is in de verte Caprizichtbaar, naast zijn huis een zandstrandje, onder hem de laatste botenbouwer van het eiland. ‘Die man verdient een museum, hij is een vakman van een uitstervend soort,’ zegt Luigi, terwijl hij de lunch bereidt. We eten ravioli met tomatensaus en kaas toe – simpel, maar meer dan heerlijk.

Aan tafel woedt een felle discussie waarom Zuid-Italië is achtergebleven bij de rest van het land, om over Noord-Europa nog maar te zwijgen. De werkeloosheid is torenhoog, de corruptie tiert welig en aanzienlijke delen van de zuidelijke economie zijn in handen van de georganiseerde criminaliteit. ‘Vanaf de eenwording van Italië in 1861 zijn we aan ons lot overgelaten, er is nauwelijks geïnvesteerd in werkgelegenheid, alle aandacht was gericht op de industrie in het noorden,’ meent De Matteo. Nee, weerspreekt Domenico: ‘De grootste fout is dat het zuiden de agrarische sector en het toerisme heeft verwaarloosd. Met onze kunstschatten, prachtige kusten, een vruchtbare bodem en al die archeologische schatten had het een paradijs moeten zijn, in plaats daarvan zijn grote delen van de Golf van Napels verworden tot een naargeestige betonwoestijn.’

Op Procida na dan, lacht hij: ‘Wij zijn zo verstandig geweest om alles bij het oude te houden, om niet mee te gaan in de vaart der volkeren. Daarom hebben we nog steeds onze eigen sappige tomaten, citroenen en sinaasappelen en smullen we van onze eigen malse konijnen. Wat heeft een mens nog meer nodig?’

Na de lunch wandelen we naar het hoogste punt van het eiland, de Terra Murata, een imposante vesting die 90 meter uittorent boven de zee. Rond de binnenhoven net als in Corricella de op elkaar gestapelde huizen met die typische spiraalvormige, overwelfde trappen aan de voorgevel. Het is een plek met een geschiedenis die teruggaat tot de oude Grieken, de plek ook waar later de bewoners hun heil zochten tegen de voortdurende invallen van de Barbaren en Gothen en later van de Saracenen. Het lot van Procida hing samen met dat van Napels, het waren pionnen op het schaakbord van de grote Europese mogendheden.Eerst Grieks, dan Romeins, Byzantijns, Spaans, Oostenrijks, Frans, wat al niet – de vele overheersers maakten de regio tot de meest hybride van Europa.

Het was een Spaanse kardinaal die rond 1500 op het uiterste puntje van de Terra Murata een imposant paleis bouwde, dat drie eeuwen later – de Aragonezen waren toen alweer vervangen door de Bourbons – werd getransformeerd in een gevangenis, maar nu al enkele decennia wacht op een nieuwe bestemming. Het is het eerste wat je van Procida ziet, komend vanaf Napels.

Voor de gevangenispoort wacht de eerder genoemde huisarts-in-ruste, Giacomo Retaggio. Dertig jaar lang was hij gevangenisarts, hij leerde er naar eigen zeggen het leven kennen. ‘Voor wie nog nooit een gevangenis van binnen heeft gezien, zal de wereld een raadsel blijven.’ We lopen het eens zo machtige, maar nu ernstig vervallen paleis binnen. In de cellen, waarin minimaal dertig gevangenen werden gehuisvest, liggen hier en daar nog hoopjes gevangeniskleren. Het is een luguber gezicht. Aan de muur een jasje van een bewaker, op de grond enkele matrassen onder dikke lagen stof. De getraliede ramen bieden een adembenemend uitzicht op de zee. We dalen af naar de onderste verdieping waar de isoleercellen zich bevinden; lage, benauwde hokjes, de muren bekleed met matrassen. Zelfs Retaggio, die de plek toch zo goed kent, is er stil van. ‘Ongelooflijk eigenlijk, dat ik heb goedgevonden dat mensen hier soms dagenlang in werden opgesloten,’ verzucht hij.

In 1970 werd een nieuwe gevangenis gebouwd, eveneens in TerraMurata, maar deze staat ook alweer sinds eind jaren ’80 leeg. De Italiaanse staat vond het te kostbaar worden, een gevangenis op zo’n afgelegen plek. En zo kan het gebeuren dat op de mooiste plek op een al even mooi eiland er twee enorme gebouwen al decennialangleegstaan, zonder dat er ook nog maar een idee bestaat voor een toekomstige bestemming. ‘Er gaan, zeker in deze crisistijden, regelmatig geluiden op dat we het moeten verkopen aan een rijke Rus of zo die er dan zo’n grootschalig, peperduur resort van maakt,’ huivert Domenico. ‘Maar gelukkig hebben die nog geen belangstelling getoond, ze zitten liever op Capri.’

Niet lang geleden nog snoerde een wethouder de eilandbewonersdie groots wilden inzetten op het toerisme, de mond met de gedenkwaardige woorden: ‘Wat hebben jullie liever? Dat je kind stuurman wordt of in de bediening werkt? Zeg het maar.’ Maar niemand zei meer iets.

Het is avond, een gure wind steekt op. Huiverend lopen we naar Mimante, een van de weinige restaurants die in de wintermaanden open zijn. Voor in de grote, hoge open ruimte zitten de vrouwen van het eiland, achterin, voor twee enorme tv-schermen, de mannen. Ze zijn in afwachting van de wedstrijd Napoli-AC Milan. Nog voor de aftrap wordt de pasta met kikkererwten, vongole en mosselen opgediend, begeleid door de specialiteit van het eiland, een frisse salade van schijfjes dun geschilde citroen, met munt, een scheutje olie, gemalen pepertjes en een snufje suiker. Als even later de ober het hoofdgerecht brengt, gestoofd konijn, met olijven en tomaten, wordt hij bijna omver geduwd door mannen die uitbundig de gelijkmaker vieren. Na de rust loopt Napoli, luidkeels aangevuurd door de gasten, uit naar een 3-1 overwinning. Bier en grappa worden na afloop aangerukt, we worden omhelsd en geknuffeld, een orgie van vreugde golft over de tafels. Procida mag dan in ongeveer alles het tegendeel zijn van het opgewonden, drukke en chaotische Napels, ze delen toevallig wel hetzelfde dialect en dezelfde geschiedenis. En dat is wat telt. Forza Napoli.

Wil je tips hebben voor je eigen reis naar Procida? Lees dan hier onze reiswijzer!

Kijk hier voor meer informatie

Volg