Archeologie in Nederland: Romeinen langs de Rijn

Onze eerste ontmoeting vindt plaats op een braakliggend terrein aan de rand van de oprukkende nieuwbouwwijk Leidsche Rijn bij Utrecht. Het is een koude februaridag in 2003.

Auteur: Aart Aarsbergen Fotograaf: Jochem Wijnands

Archeoloog Erik Graafstal van de gemeente Utrecht discussieert bij een bodemprofiel met een fysisch geograaf en twee veldtechnici over de loop van de Romeinse weg langs de Oude Rijn, die de noordgrens van Romes imperium markeerde. ‘Daar ligt het schip,’ wijst hij naar het veldje vlakbij, ‘we beginnen binnenkort met de opgraving.’

Ruim tweeduizend jaar geleden trokken de eerste Romeinen naar onze streken en vanaf circa 40 tot omstreeks 260 na Christus respecteerden zij de Rijn – in Nederland de loop van de tegenwoordige Nederrijn, Kromme Rijn en Oude Rijn– als noordelijke grens van hun uitgestrekte rijk. Het onderzoek naar de Romeinse aanwezigheid in onze streken heeft zich tot voor kort vooral geconcentreerd op de castella, grote legerkampen waar zo’n vierhonderd manschappen gelegerd waren. Maar afgezien van deze grensforten, en de belangrijke garnizoensplaats Nijmegen, waar eind eerste eeuw een legioen van zo’n vijfduizend man gelegerd lag, was er niet zo heel veel bekend over de verdere inrichting van het grensgebied. De ontwikkeling van een aantal infrastructurele projecten, zoals de aanleg van de nieuwbouwwijk  Leidsche Rijn en de herstructurering van de binnenstad van Woerden, vormde een goudmijn voor archeologen die met spectaculaire vondsten de geschiedenis van de Romeinse tijd grondig herschreven.

De eerste spectaculaire ontdekking, waarvan de kranten tot in Tasmanië melding maakten, was de opgraving in het najaar van 2002 van twee wachttorens bij de Zandweg in Vleuterweide (in Leidsche Rijn) uit circa 50 na Christus. Zij behoorden tot de oudste exemplaren die in het Romeinse Rijk zijn gevonden. De vondst en de vroege datering wierpen een nieuwe licht op het belang van de limes, de Romeinse grens, in dit deel van het rijk. De wachttorens, zoals ook blijkt uit de opgraving van nog twee exemplaren enige tijd later, maakten een intensieve grensbewaking mogelijk. Zij stonden op zichtafstand van elkaar, zo veel mogelijk in bochten, waardoor de rivier, die hier wel dertig tot veertig meter breed kon zijn, was uitgerust met een effectief observatiescherm. ‘De Nederlandse grenssectie werd veel beter bewaakt dan de archeologen tot nu toe dachten,’ zegt Erik Graafstal.De aandacht van het grote publiek ging vooral uit naar de opgraving van de Meern 1, het schip dat in het voorjaar van 2003 werd blootgelegd. (Op de open dagen in mei 2003 kwamen meer dan dertigduizend mensen kijken.) Het schip was vijf jaar eerder, in september 1997, bij onderzoek naar de Romeinse weg ontdekt. Er werd gekozen voor opgraving omdat de geplande aanleg van waterpartijen in de buurt het grondwater zuurstofrijker zou maken, met als gevolg een fatale aantasting van het scheepshout.

Er zijn in het limes-gebied in de loop der jaren al meer schepen gevonden en geborgen, maar de Meern 1 verbaasde de wetenschappers in velerlei opzicht. De eerder gevonden exemplaren waren vrachtschepen, bedoeld voor het vervoer van bulkgoederen als grind, basalt en tufsteen voor de aanleg en het onderhoud van de grenswerken. De Meern 1 leek van een ander type. Het Meernse schip, zo’n 25 meter lang en 2,7 meter breed, was gemaakt van eikenhout dat, zo blijkt uit dendrochronologisch onderzoek, waarschijnlijk 148 na Christus in onze streken was gerooid.

Het was waarschijnlijk een werkschuit van de genietroepen, wat onder meer blijkt uit de vele voorwerpen die bij het schip werden gevonden: een gereedschapskist, een pikhouweel, twee spanzagen, vier schaven, twee beitels en een koevoet. Bovendien bleek uit de versiering van het houtwerk bij de kajuit dat het een langer leven was beschoren dan de bekende vrachtboten, die vaak de rivieren afkwamen en vervolgens als oeverversteviging werden afgezonken. Projectleider André van Holk van het Nederlands Instituut voor Scheeps- en Onderwaterarcheologie (NISA), die ik tijdens zijn opgraafwerkzaamheden een aantal malen bezocht, was enthousiast over de rijkdom van de vondst. ‘Benoorden de Alpen is nog nooit zo’n compleet en gaaf schip uit de Romeinse tijd gevonden. Op basis van de eerste verkenningen had ik wel wat verwacht, maar dit overtreft mijn stoutste verwachtingen.’ Naast gereedschap werden er ook een koperen ketel, schaar, schrijfpen, aardewerk en een twee schoenen gevonden. Archeoloog Graafstal: ‘De opgraving van de Meern 1 is een stukje Pompeji in onze streken.’ De vele spullen die in en rond het schip zijn gevonden, doen vermoeden dat het inderhaast door de bemanning is verlaten, waarschijnlijk door een schipbreuk als gevolg van een navigatiefout of plotseling opkomend slecht weer.

De zomer waarin de Meern 1 werd geborgen, vonden archeologen bij de bouw van een parkeergarage in de binnenstad van Woerden opnieuw een schip uit de Romeinse tijd. Aangezien er in Woerden, het vroegere castellum Laurium, al meer resten van Romeinse vaartuigen zijn opgegraven, kreeg dit schip de naam Woerden 7. Het ging hier om een type vrachtschip uit circa 160 na Christus van 28 meter lang en 4,7 meter breed. De Woerden 7 kwam in het nieuws omdat de onderzoekers aanvankelijk meenden dat dit schip, dat was uitgerust met een mast en zeil, vanwege een roei-installatie op het achterschip voor zo’n twaalf tot 24 roeiers, ook stroomopwaarts kon varen. De horizontale, zwaluwstaartvormige uitsparingen in de roeibankdragers, waarin de bankjes konden worden verankerd, voedden deze theorie. Dit element gaf het schip een uniek karakter.

Tot nu hadden de wetenschappers aangenomen dat deze vrachtschepen uit de Romeinse tijd hoofdzakelijk stroomafwaarts werden gevaren, waarna het hout voor andere doelen zoals oeverversteviging werd gebruikt. Nader onderzoek nuanceerde de theorie over het speciale karakter van de Woerden 7. Projectleider Wouter Vos, verbonden aan het Archeologisch Dienstencentrum (ADC), concludeerde dat de roei-installatie vooral was bedoeld om het schip te helpen bij de navigatie, om het op de brede, wilde rivier op koers te houden. ‘Bestudering van de tekeningen van eerder gevonden vrachtschepen, zoals een van de Zwammerdam-schepen, laat zien dat dit vaartuig een vergelijkbare installatie had die we niet eerder als zodanig hebben herkend.’

Deze nieuwe archeologische informatie heeft het beeld van de limes in Nederland grondig gewijzigd. De grens was niet een wat vergeten uithoek van het Romeinse Rijk waar slechts een handvol soldaten toezicht hield, het was een vitaal element van het veiligheidssysteem dat met grote toewijding en tegen hoge kosten werd onderhouden. In de zompige rivierdelta, gelegen tussen uitgestrekte veengebieden, legden de Romeinen op de zuidrand van een steeds smaller wordende stroomgordel een bijzonder bouwkundig project aan dat gezien de erosie, rivierdoorbraken en de vele herstelwerkzaamheden een bron van zorg en aandacht moet zijn geweest. Dit systeem, dat zeer onderhoudsintensief was, bestond uit een reeks castella met daartussen wachttorens die door een met grind geplaveide rijbaan werden verbonden. Her en der lagen houten kaden waar schepen konden afmeren voor de aanvoer van zware materialen die voor het onderhoud van dit systeem noodzakelijk waren. Het natte milieu waarin de infrastructuur werd aangelegd, maakt het mogelijk dat zo veel archeologische resten uit de Romeinse tijd bewaard zijn gebleven. Graafstal tekent met een stok in de klei van een opgravingsput bij de Romeinse toren de hoofdlijnen van de limes-structuur. ‘De Romeinen legde een kwetsbare bundel aan op het gebied van transport, logistiek en waterbeheer die met enorme inspanningen werd onderhouden. De vraag is natuurlijk waarom?’

Ja, waarom ontplooiden de Romeinen zo veel activiteit in zo’n lastig, moeilijk beheersbaar terrein? Omdat de Rijn vooral van belang was als transportas. De aanleg van de limes in onze streken lijkt onderdeel van een groot keizerlijk plan: de verovering van Brittannië. Julius Caesar had in 55 en 54 voor Christus al twee expedities in Engeland uitgevoerd en sindsdien was de belangstelling van het Julisch-Claudische dynastie die Rome regeerde, voor expansie naar Brittannië levend gebleven, zowel vanwege de economische mogelijkheden (lood-, tin- en zilvermijnen) als om redenen van prestige. Algemeen wordt aangenomen dat het Claudius (keizer van 41 tot 54) was die opdracht gaf tot de aanleg van de limes en de verovering van Brittannië, maar wellicht bestonden deze plannen al onder zijn voorganger, de roemruchte Caligula (keizer van 37-41). Er zijn steeds meer aanwijzingen, vaak gebaseerd op ‘kleine feiten met grote implicaties’, zoals archeoloog Rien Polak van de Radboud Universiteit Nijmegen vertelt, dat het hele project al onder Caligula van start ging. Muntvondsten en houtdateringen bij onderzoek in Valkenburg (Zuid-Holland), Leiden en Alphen aan den Rijn ondersteunen deze veronderstelling. De anekdote van Suetonius over keizer Caligula, die zijn troepen tegen de zee liet vechten door hun helmen en mantel met schelpen te vullen en het water met zwaarden te doorklieven, heeft misschien meer wortels in de werkelijkheid dan verondersteld. Claudius kon door de voorbereidingen van Caligula snel een invasie op touw zetten, meent Polak, ‘want hij stapte in een gespreid bedje.’

Hoe dan ook, in 43 trok een invasieleger onder aanvoering van Aulus Plautius Zuid-Engeland binnen en vestigde daar de provincie Britannia tot eer en glorie van de keizer. Claudius was zelf bij de expeditie aanwezig en werd een jaar later op een triomftocht in Rome onthaald. De Senaat verleende hem en zijn zoon de erenaam Britannicus. De verovering van Britannia werd wellicht goeddeels door persoonlijke ambitie ingegeven, de provincie bleek van groot belang voor Rome, vanwege de eerder genoemde bodemschatten en omdat het gebied zich ontwikkelde tot de graanschuur van het rijk. Ook de opvolgers van Claudius hebben zich intensief en persoonlijk bemoeid met de limes in Germania Inferior, de provincie waartoe Nederland en België behoorden. Trajanus, die als stadhouder verantwoordelijk was voor de Rijntroepen, gaf tijdens zijn keizerschap opdracht tot grote infrastructurele werken hier te lande, en Hadrianus trok in 122 op inspectie door het gebied, wat tot allerlei bouwactiviteit aanleiding gaf.

De Romeinen beschikten ten zuiden van de Rijn over trouwe bondgenoten, de Bataven, wat hun belangstelling voor het onderhoud van de limes zal hebben gevoed. De Bataven – Germaanse krijgers uit Midden-Duitsland die met toestemming van Romeinen naar het noorden waren getrokken – onderhielden nauwe relaties met het Romeinse Rijk. Veel Bataven dienden als hulptroepen in het Romeinse leger. Uit onderzoek onder leiding van Nico Roymans, hoogleraar provinciaal-Romeinse archeologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, blijkt dat die verbondenheid bijzonder hecht was. Aan de hand van de vondsten van zegeldoosjes kan worden vastgesteld hoever de invloed van Rome reikte.

Deze bronzen doosjes dienden ter bescherming van een in was gedrukte zegel waarmee brieven werden verzegeld. Het verspreidingspatroon van de zegeldoosjes in het Brabants-Gelders rivierengebied wijst op een sterke latinisering van de Bataafse samenleving die waarschijnlijk vooral via het leger heeft plaatsgevonden: van bijna elke Bataafse boerenfamilie diende een gezinslid in het Romeinse leger. ‘Geen enkel ander volk is zo intensief als hulptroepenleverancier door de Romeinen gebruikt,’ vertelt Roymans. ‘Zij waren de troepenleveranciers bij uitstek. Ze hadden een geweldige militaire faam, vooral als ruiters. Bataaf was bijna synoniem voor soldaat.’ Na hun diensperiode keerden vele Bataven als veteraan naar hun dorp van herkomst terug. Eén cohort diende vanwege de trouw en de martiale kwaliteiten van de manschappen als persoonlijke lijfwacht van de keizer, wat de band tussen de Julisch-Claudische keizers en deze streken een bijzonder karakter gaf. ‘Het waren flinke kerels die met hun rijzige voorkomen en rood geverfd haar ontzag inboezemden,’ vertelt Roymans.

Het blijft een fascinerend idee, bedenk ik mij als ik dit voorjaar op de plek sta waar de Meern 1 werd geborgen, met om mij heen de oprukkende nieuwbouw: het Nederlandse weidegebied als cruciaal onderdeel van het luisterrijke Romeinse wereldimperium, dat zich in zijn grootste gedaante uitstrekte van Spanje tot het Midden-Oosten en van Engeland tot Noord-Afrika. Even verderop ontmoet ik Erik Graafstal die zich verheugt over een nieuwe verrassing bij het laatste project in Leidsche Rijn. Naast het bekende tracé van de Romeinse weg is een omleiding gevonden. ‘Dit is geweldig, en nog wel aan het eind van het opgravingtraject. Een prachtig sluitstuk,’ meent Graafstal opgewekt. De opgravingsputten zijn inmiddels dichtgegooid, maar het onderzoek in de laboratoria en studeerkamers gaat voort. Het verhaal over de Romeinse aanwezigheid in onze streken is nog steeds niet ten einde.

loading ...


Social Media
NatGeoNL 30-08-14 14:00 Na jaren van politieke instabiliteit heeft het leger in #Thailand opnieuw de macht gegrepen. Wat zit hierachter? nationalgeographic.nl/magazine/actue…
Nieuwsbrief ›
Blijf op de hoogte van National Geographic.
Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief.