De goden van de Aboriginals wilden een paradijs op aarde. Dus schiepen ze Fraser Island.
Zomaar een wereld scheppen was niet genoeg: van de Aboriginalgod Beeral moest de aarde ook mooi zijn. En dus stuurde hij twee vertrouwelingen, Yindingie en zijn secondante, de geest K’gari, eropuit om van het ruwe scheppingsmateriaal een paradijs te maken. Ze brachten het er zo goed af dat K’gari voor altijd in dit heerlijke oord wilde blijven. Ze strekte zich uit in het warme water van een prachtige baai en verzonk in een diepe slaap. Yindingie veranderde K’gari’s lichaam in een lang, rank eiland van kristalzand. Hij hulde haar in het weelderigste regenwoud, beschilderde haar zachte zandhuid in alle kleuren van de regenboog, en schonk haar een reeks heldere meren als ogen waarmee ze de hemel in kon kijken. De lucht vulde hij met kleurige vogels. En opdat ze zich nooit eenzaam zou voelen, zette hij ten slotte een Aboriginalstam op het eiland, de Butchulla, die het scheppingsverhaal van het eiland levend zouden houden en in wier taal het woord K’gari ‘paradijs’ ging betekenen. Vandaag de dag heet dat paradijs Fraser Island, door nieuwkomers zo genoemd naar een Schotse zeekapitein en zijn vrouw die er in 1836 zouden zijn gestrand en tussen de Aboriginals verzeild raakten. Hoe dan ook is het eiland een unieke plek die zich nadrukkelijk in de dromen van de bezoeker nestelt. Het beroemde natuurschoon van Fraser Island heeft veel grote Australische schrijvers en kunstenaars geïnspireerd, en de kwetsbare natuur deed in de jaren zeventig menig activistenhart ontvlammen. De eerste grootschalige Australische milieucampagnes maakten een einde aan de ontginning van het mineraalrijke zand, en uiteindelijk ook aan de houtkap. Sindsdien hebben opeenvolgende generaties bewoners en bezoekers Fraser Island leren waarderen als een microkosmos van wat de Australische wildernis aan subtiele schoonheid te bieden heeft.
Lees het volledige artikel
National Geographic magazine Editie September 2010
€ 4,95 Bestel in webshop ›




