Bij deze reportage
Uit de shop
Auteur Peter Hessler werd in 1996 als vrijwilliger in het Amerikaanse Peace Corps uitgezonden naar China. Het was zijn eerste echte kennismaking met het land en de taal.
Het papier waarop mijn leerlingen hun opstellen schreven, was goedkoop en dun. Het broze vel scheurde snel en als je het tegen het licht hield, bleek het doorschijnend. In vaak gebrekkig Engels gaven de kinderen zich bloot. "Mijn ouders kwamen uit een arm boerengezin," schreef een jongen die zichzelf Hunt noemde. “Ze zeggen dat ze boomschors en gras hebben gegeten. Mijn opa en oma waren toen ouderwets en lieten mijn moeder niet naar school gaan omdat ze een meisje is.” Een klasgenoot beschreef zijn moeder als volgt: “Haar haar wordt zilverwit en haar tanden bewegen. Maar ze werkt nog net zo hard als vroeger.” Steeds kwamen dezelfde thema’s terug. Mijn leerlingen hechtten waarde aan geduld en hard werken en schreven graag over hun familie. Ze begrepen vaak niets van wat er zich in het land afspeelde. “Ik ben zelf Chinees, maar vind het moeilijk een duidelijk beeld van mijn land te krijgen,” schreef Airane. “Volgens mij zijn veel jongeren net zo in de war als ik.” Voor haar leraar gold hetzelfde. Ik werd in 1996 als vrijwilliger in het Amerikaanse vredesleger uitgezonden naar China. Het was mijn eerste echte kennismaking met het land en de taal. Het enige wat ik zeker wist, was dat verandering onvermijdelijk was. Deng Xiaoping leefde nog, maar er werd volop gespeculeerd over zijn slechte gezondheid. Hongkong was nog Brits en China maakte nog geen deel uit van de Wereldhandelsorganisatie. Beijing was er niet in geslaagd de Olympische Spelen van 2000 binnen te halen. Halverwege de Yangtze bouwde de overheid de grootste waterkrachtcentrale ter wereld, de Drieklovendam, en ik kreeg een baan als leerkracht aangeboden in Fuling, een dorpje dat veel last van de nieuwe dam zou krijgen. Vanuit mijn klaslokaal kon ik de Yangtze zien en ik vroeg me af hoe ze die machtige rivier ooit in een meer zouden kunnen veranderen. In het begin haalde ik mijn kennis over China vooral uit de opstellen. Het verleden was soms pijnlijk voor mijn leerlingen. Als ze over de geschiedenis schreven, waren dat meestal persoonlijke verhalen. Zelfs een gebeurtenis uit het verre verleden, zoals de Opiumoorlog in de negentiende eeuw, kon ze woedend maken omdat ze dat soort buitenlandse agressie zagen als de oorzaak van de achteruitgang van hun land. Van recentere rampen – de Grote Sprong Voorwaarts, de Culturele Revolutie – repten ze liever niet. Voorzichtig schreef een student: “Als ik Mao Zedong was, had ik dat ene tussen 1966 en 1976 niet laten gebeuren.” Maar ze weigerden de oudere generatie de schuld te geven. Zoals Eileen schreef: “Als we met eigen ogen naar de Culturele Revolutie kijken, komen de denkwijze en de handelwijze van onze ouders wat blind en fanatiek over. Maar als we objectief naar die tijd kijken, moeten en kunnen we ze begrijpen.” Fritz Hoffmann vertelt de verhalen achter zijn foto's.





