Bij deze reportage
Neeltje van den Berg en Metje van der Weit vertrokken ooit met de Holland-Amerika Lijn naar New York. Waarom vertrokken zij en wat waren hun verwachtingen?
Aan boord van de grote stoomschepen van de Holland-Amerika Lijn vertrokken tot in de jaren zestig van de vorige eeuw vele tienduizenden Nederlanders voorgoed naar de Verenigde Staten. Twee van hen kijken terug op hun eerste moeizame schreden in de Nieuwe Wereld. Ruim vijftig jaar na dato resteert van Nederland slechts wat Delfts blauw aardewerk en een vage herinnering. "Amerika is mijn thuis," zegt een van hen. "Klaar uit." Metjes vader geeft zijn kleinzoon, de peuter Mark, een teddybeer. Zijn stuurse Friese gezicht verraadt geen enkele emotie. Metjes moeder huilt terwijl ze haar kleinkinderen voor de laatste keer tegen de borst drukt. De scheepsbel klinkt, een laatste blik, de lucht vol van schuldgevoel. Dan lopen haar ouders langzaam weg op hun klompen, zonder nog om te kijken. Metje weet dat ze haar vader nooit meer zal zien. Vanwege zijn tuberculose zal hij nooit worden toegelaten tot de Verenigde Staten. Heeft ze de goede beslissing genomen om te emigreren, de armoede van het Friese platteland achter zich te laten? In het Christian Health Care Center in Wycoff, New Jersey heb ik afgesproken met Neeltje van den Berg (87) en Metje van der Weit (89). Ze behoren tot de langzaam uitstervende groep van 76.200 Nederlanders die tussen 1946 en 1963 de oversteek maakten naar de Verenigde Staten, die daarmee na Canada het belangrijkste emigratieland waren. Velen kwamen in Michigan terecht, maar ook in Chicago en Iowa ontstonden grote Nederlandse ‘enclaven’. Neeltje en Metje belandden in Prospect Park, New Jersey, vlak bij de plek waar de schepen van de Holland-Amerika Lijn aanlijnden. Ze zijn er hun hele leven gebleven. In de negentiende eeuw hadden veel emigranten uit Goeree-Overflakkee deze streek als hun nieuwe thuis gekozen. Prospect Park had daardoor een Nederlands tintje dat pas in de laatste decennia begint te verdwijnen. Zo vertelt Nellie dat het stadje pas onlangs voor het eerst in zijn geschiedenis een niet-Nederlandse burgemeester heeft gekozen. Tegenwoordig wonen Neeltje en Metje met nog zeventien Nederlandse immigranten in een verpleegtehuis. Op het grasveld voor het hoofdgebouw, een replica van een Nederlandse boerderij, staat een molen, en de grootste attractie van het complex is de Snoep Winkel. Hun appartementen staan vol aandenkens aan Nederland: Delfts blauwe vazen en borden, Friese klokken, een paar miniklompen, geborduurde oer-Hollandse tafereeltjes schilderijen en Nederlandse kookboeken. Metje had een simpele reden om uit Nederland te vertrekken. “Durk, mijn man, was op de vlucht voor iets wat hij op zijn kerfstok had,” zucht ze. Hij had van zijn broer een goedlopende kruidenierszaak geërfd, maar ging in plaats daarvan tabak en alcohol verkopen. Het vooruitzicht van problemen met de politie en een leven zonder echtgenoot was voor Metje niet aantrekkelijk. Haar vader, een slager, werd ziek toen ze nog klein was en ze moest van school om haar moeder te helpen haar zeven broers en zussen groot te brengen. “Het was een zwaar leven,” aldus Metje, “heel zwaar, en het werd nooit beter.” Ze trouwde met Durk, een jongen uit haar dorp, en zijn familie was van plan meteen na de oorlog naar de Verenigde Staten te emigreren. Rond 1952 waren veertien familieleden vertrokken en ze smeekten Metje, Durk en hun drie kinderen Elsie, Mark en Antje om hun voorbeeld te volgen en het Friese Rinsumageest te verruilen voor de Verenigde Staten. Dat deden ze in 1954. Bent u onlangs of juist al langer geleden geëmigreerd? Wat mist u van uw vroegere leven en welke herinneringen koestert u? Deel uw ervaringen.
Lees het volledige artikel
National Geographic magazine Editie Mei 2007





