Archeologen proberen te achterhalen hoe de beroemde beelden op Paaseiland zijn verplaatst: heeft er een milieuramp plaatsgevonden, of was er sprake van bijzondere vindingrijkheid?
(…) Paaseiland is amper 164 vierkante kilometer groot. Het ligt 3500 kilometer ten westen van Zuid-Amerika en tweeduizend kilometer ten oosten van Pitcairn, het dichtstbijzijnde bewoonde eiland. Alle grondstoffen, arbeidskrachten en deskundigheid waarmee de moais werden gemaakt, kwamen van het eiland zelf. Maar toen de Nederlandse ontdekkingsreiziger Jacob Roggeveen in 1722 op eerste paasdag aan land kwam, trof hij een cultuur aan die nog uit het stenen tijdperk stamde. De moais werden met stenen gereedschap in een steengroeve gehakt, en van daaruit zonder lastdieren of wielen naar hun massieve stenen platform (ahu) vervoerd, over een afstand van maximaal achttien kilometer. Tuki’s vraag hoe ze dat voor elkaar kregen, heeft al talloze bezoekers beziggehouden.
Thor Heyerdahl, de Noorse etnograaf en avonturier die met zijn expedities in de Grote Oceaan de belangstelling voor Paaseiland een stevige impuls gaf, dacht dat de moais waren gemaakt door een volk uit Peru van vóór de tijd van de Inca’s. Erich von Däniken, de Zwitserse auteur van de bestseller Waren de goden kosmonauten?, was ervan overtuigd dat ze waren gemaakt door buitenaardse wezens.
Inmiddels is door onderzoek vast komen te staan dat de makers Polynesiërs waren, maar hoe de moais werden verplaatst, is nogal altijd de vraag. De meeste onderzoekers houden het erop dat ze op een of ander manier werden versleept. “De geleerden kunnen zeggen wat ze willen”, zegt Suri Tuki (25), de halfbroer van José Tuki. “Maar wij weten hoe het werkelijk is gegaan. De beelden konden lopen.” (…)
De Paaseilanders konden onmogelijk zonder technische hulp van anderen hun moais vervoeren. Mensen van buitenaf moeten erbij betrokken zijn geweest. Wat vindt u van deze stelling?





