Een biologische expeditie naar een regenwoud in het Fojagebergte stuit op de wonderlijkste dieren, zoals deze Australische boomkikker, geelkuiftuiniervogel en minuscule spanrupsvlinder.
Nieuw-Guinea, het op een na grootste eiland ter wereld, vormt voor natuuronderzoekers al eeuwenlang een even intrigerende als zware uitdaging. Halverwege de negentiende eeuw schreef de legendarische ontdekkingsreiziger en wetenschapper Alfred Russel Wallace dat het ruige landschap met zijn dichte bebossing ‘een bijna ondoordringbare barrière vormt voor het onbekende binnenland’ van Nieuw-Guinea. Deze conclusie bleef tot ver in de twintigste eeuw overeind. In de loop der jaren werden veel bergen op het eiland wetenschappelijk afgespeurd, maar de diepe valleien, steile rotsformaties, messcherpe bergruggen en onafzienbare bossen van het Fojagebergte bleven onbekend terrein. Tot bioloog Jared Diamond ze in 1979 en 1981 tot zijn studieterrein maakte. Toen ornitholoog Bruce Beehler in 2004 boven het gebergte vloog, ontdekte hij een kleine open plek: een moeras dat elk jaar enige tijd onder water stond, waardoor er alleen struiken en gras groeiden. Belangrijker was dat er een helikopter kon landen. Eind 2005 leidde Beehler de eerste uitgebreide wetenschappelijke expeditie naar het Fojagebergte.





