Oeraluilen zijn fel, hebben een vleugelspanning van 1,20 meter en slaan met hun klauwen. Eén vrouwtje werd de muze van een fotograaf.
In een bos in Estland staat een jonge elandjager plots oog in oog met een onverwachte bewoner: een oeraluil. Het vrouwtje heeft diepzwarte ogen, weggestopt in een zwart omlijnd, hartvorming gezicht. Sven Začek valt als een blok voor haar.
Later keert hij terug. Hij trekt zijn capuchon strak over het hoofd, want oeraluilen willen weleens op de schedel van een indringer inhakken. Maar de uil die hij aantreft, opnieuw een vrouwtje, deinst terug bij elke stap in haar richting. Pas na twee maanden durft ze precies voor zijn lens, een duikvlucht naar een woelmuis te maken. "Dat was het keerpunt", vertelt Začek. Het vrouwtje laat hem ruim drie jaar lang onbekommerd haar dagelijkse lotgevallen vastleggen.
Ze baltst en verslindt knaagdiertjes, en haar kuikens groeien op tot volwassen vogels. Maar in 2010 is ze ineens weg. Začek wijt het aan de kap van de holle bomen waarin de uil nestelt. In Europa leven enkele honderdduizenden oeraluilen, en in Noord-Azië nog eens miljoenen, dus Začek weet dat hij ze ooit nog wel zal tegenkomen. Maar geen uil zal ooit zijn verloren muze kunnen vervangen.





