Prieelvogelmannetjes doen enorm hun best om indruk te maken op de vrouwtjes: ze zingen, ze dansen en ze versieren – ook letterlijk. Alleen de grootste uitslovers mogen hun genen doorgeven.
Prieelvogels zijn een schoolvoorbeeld van het principe van de seksuele selectie, het evolutiemechanisme dat volgens Darwin de verklaring vormt voor opvallende mannelijke trekjes als horens, gezang en opzichtige kleuren. Bij de meeste dieren bepalen de vrouwtjes de partnerkeuze, waarbij ze zich laten leiden door het uiterlijk vertoon en imponeergedrag van de mannetjes. Door de polygyne aard van de meeste prieelvogels – wat wil zeggen dat het mannetje meerdere vrouwtjes bevrucht – zijn zij de ideale soort om Darwins theorie aan te toetsen. De mannetjes helpen niet mee bij het bouwen van het nest, het uitbroeden van de eieren of het grootbrengen van de jongen; ze geven het vrouwtje alleen hun genen. Die moeten dus wel van de beste kwaliteit zijn. Volgens evolutiebioloog Jared Diamond is de prieelvogel de vogelsoort die ‘de meest intrigerende gelijkenis met de mens’ vertoont. Ze bouwen hutten als poppenhuizen zo mooi, en maken artistiek gerangschikte stillevens van bloemen, blaadjes en paddenstoelen. Je hebt er die – gelijktijdig – de mannetjes- en de vrouwtjespartij van het duet van een andere soort kunnen zingen, en die feilloos de schorre lach van de kookaburra of het gesnerp van een kettingzaag imiteren. Bovendien kunnen ze ook nog allemaal dansen. En de stapel kevertjes van het mannetje verzameld? Die heeft hij alleen gedood voor de sier. De mens is zover we weten de enige andere soort die dieren puur om hun decoratieve waarde om zeep helpt.


