Bij deze reportage
Uit de shop
Op het platteland in het Engelse graafschap Staffordshire vonden schatzoekers een Angelsaksische schat uit het einde van de zevende eeuw. Gedecoreerde gouden, zilveren en granaten voorwerpen en fragmenten duiden op een krijgshaftig verleden.
Op een dag aan het einde van de zevende eeuw, het kan ook ’s nachts zijn geweest, was in het Angelsaksische koninkrijk Mercia een groep onbekenden op pad. Ze volgden een oude Romeinse weg die een onbewoond, door bos begrensd heideveld doorkruiste. Mogelijk waren het soldaten, of anders dieven – dit afgelegen gebied zou nog eeuwenlang door struikrovers worden geplaagd –, maar vaststaat dat het geen gewone reizigers waren. Ze gingen van de weg af, groeven onder aan een heuvel een kuil en verborgen daar een schat.
Het goud zou 1300 jaar lang onopgemerkt blijven, een periode waarin de heide geleidelijk plaatsmaakte voor grasland en nog later voor landbouwgrond. Schatzoekers met metaaldetectors – die zijn er in Groot-Brittannië heel veel – zouden daarin echter verandering brengen. Regelmatig klopte er een aan bij Fred Johnson met de vraag of hij op zijn land mocht zoeken. Op 5 juli 2009 kwam Terry Herbert bij Johnson aan de deur om hem te mee te delen dat hij een hele berg Angelsaksisch goud had gevonden.
Niet alleen het Engelse publiek, maar ook wetenschappers waren opgetogen over de vondst, die al snel de Schat van Staffordshire werd gedoopt. In Angelsaksische graven waren al eerder spectaculaire voorwerpen gevonden, zoals de koninklijke attributen in Sutton Hoo in Suffolk. De schat op het land van Fred Johnson bleek echter een klasse apart: een grote hoeveelheid goud, zilver en granaat uit de vroege Angelsaksische periode, vervaardigd in een van de belangrijkste koninkrijken uit die tijd. De stijl en het vakmanschap van het filigraan- en cloisonné werk dat de voorwerpen sierde, zijn zo bijzonder dat kenners de vondst geestdriftig gelijkstelden met die van het legendarische Lindisfarne-evangelie en het Boek van Kells.
De schat bestaat uit zo’n 3500 fragmenten die samen honderden complete voorwerpen vormen. Hoewel slechts een deel met zekerheid is geïdentificeerd, is er een opmerkelijk beeld ontstaan. De schat omvat ruim driehonderd houders voor gevesten, 92 zwaardknoppen (pommels) en tien decoratieve schedesluitingen. Opvallend is de afwezigheid van munten of sieraden: op drie religieuze voorwerpen na gaat het om fragmenten van wapentuig. Bovendien lijken veel stukken verbogen of doelbewust vernield. Het betreft dus een grote hoeveelheid kostbare, maar vernietigde wapens die dertien eeuwen geleden werden begraven in een streek waarin zowel politiek als militair grote onrust heerste. De Schat van Staffordshire is spannend en interessant, maar bovenal raadselachtig.
Het goud zou 1300 jaar lang onopgemerkt blijven, een periode waarin de heide geleidelijk plaatsmaakte voor grasland en nog later voor landbouwgrond. Schatzoekers met metaaldetectors – die zijn er in Groot-Brittannië heel veel – zouden daarin echter verandering brengen. Regelmatig klopte er een aan bij Fred Johnson met de vraag of hij op zijn land mocht zoeken. Op 5 juli 2009 kwam Terry Herbert bij Johnson aan de deur om hem te mee te delen dat hij een hele berg Angelsaksisch goud had gevonden.
Niet alleen het Engelse publiek, maar ook wetenschappers waren opgetogen over de vondst, die al snel de Schat van Staffordshire werd gedoopt. In Angelsaksische graven waren al eerder spectaculaire voorwerpen gevonden, zoals de koninklijke attributen in Sutton Hoo in Suffolk. De schat op het land van Fred Johnson bleek echter een klasse apart: een grote hoeveelheid goud, zilver en granaat uit de vroege Angelsaksische periode, vervaardigd in een van de belangrijkste koninkrijken uit die tijd. De stijl en het vakmanschap van het filigraan- en cloisonné werk dat de voorwerpen sierde, zijn zo bijzonder dat kenners de vondst geestdriftig gelijkstelden met die van het legendarische Lindisfarne-evangelie en het Boek van Kells.
De schat bestaat uit zo’n 3500 fragmenten die samen honderden complete voorwerpen vormen. Hoewel slechts een deel met zekerheid is geïdentificeerd, is er een opmerkelijk beeld ontstaan. De schat omvat ruim driehonderd houders voor gevesten, 92 zwaardknoppen (pommels) en tien decoratieve schedesluitingen. Opvallend is de afwezigheid van munten of sieraden: op drie religieuze voorwerpen na gaat het om fragmenten van wapentuig. Bovendien lijken veel stukken verbogen of doelbewust vernield. Het betreft dus een grote hoeveelheid kostbare, maar vernietigde wapens die dertien eeuwen geleden werden begraven in een streek waarin zowel politiek als militair grote onrust heerste. De Schat van Staffordshire is spannend en interessant, maar bovenal raadselachtig.
Lees het volledige artikel
National Geographic magazine Editie November 2011
€ 4,95 Bestel in webshop ›




