Daar zit ik dan: op een bankje in een boot in een baai. Met mislukte foto’s en een verbrande neus. Kwestie van fellere zon dan je denkt en pet vergeten.
Mijn eerste foto’s zijn niet geslaagd omdat de spray uit het spuitgat van de walvis – splash – op mijn lens terechtkwam. ‘Ja, dat is dus eigenlijk gewoon snot,’ zegt de Amerikaanse naast me nog, die daarna haar pet lachend rechtzet (zij wel). ‘Tail!’ gooit ze de groep in, want ze ziet op vijfitg meter een staart gracieus het water in glijden, terwijl ik de lens van mijn camera nog aan het afvegen ben.
‘Staart, staart!’ roept de psychologe uit Kansas. ‘Hij komt op ons af!’ roept de advocate uit Illinois. Carlos, de gids uit het dorp hier vlakbij, doet ook mee: ‘Spetter met water, trek de aandacht, dat vinden ze leuk.’ Het gevaarte nadert het bootje, de neus komt langzaam boven water. ‘Raak hem aan!’ roept iemand naar degene die over de rand van de boot hangt. Allemaal zijn we hier, in La Laguna de San Ingnacio, om de grijze walvis te ontmoeten. Maar aanraken? Zo had ik er nog niet over nagedacht. Zien, het liefst van dichtbij, dát wilde ik.
En toch. Ook ík wil die walvis aanraken. Moeder en baby drijven naast de boot, camera’s klikken, en alle reserves glijden zo van je af. Waarom is deze zeereus toch zo ontwapenend? Omdat het dier zo immens is? (Een volwassen grijze walvis kan 37 ton wegen en wordt zo groot als een gemiddelde stadsbus.) Omdat er niet zo heel veel van zijn? (Naar schatting rond de 23.000.) Of gewoon omdat deze walvis een mysterie zal blijven, een kennelijk intelligent wezen dat navigeert met het magnetische veld van de aarde, doorzwemt als-ie slaapt, en tussendoor ook nog vriendelijk is jegens de facto een van zijn twee grote vijanden: de mens. (Die andere is de orka.)
In dit hoekje van de Stille Oceaan is de walvis druk bezig haar nieuwste kleintje (vijf meter lang, 700 kilo) te leren duiken, eten en sprayen, en bereidt ze zich voor op de weg terug naar Alaska. Een groot deel van de populatie grijze walvissen komt in januari, februari en maart in de warme wateren van Mexico terecht – onder meer in de Laguna Ojo de Liebre, in de Bahía Magdalena en dus ook hier, in de Laguna de San Ignacio. Om te paren of te bevallen. Drie maanden eerder zijn ze vertrokken uit de Bering- en de Chukchizee, voor hun tocht, acht kilometer per uur, langs de Canadese en Amerikaanse kust. Als de babywalvis al weer wat minder baby is (groter dan de skiff waarin wij varen), zwemmen ze weer terug. Retourtje: 16.000 tot 22.000 kilometer. Voor zover bekend is het de grootste migratie van een zoogdier.
‘Staart, staart!’ roept de psychologe uit Kansas. ‘Hij komt op ons af!’ roept de advocate uit Illinois. Carlos, de gids uit het dorp hier vlakbij, doet ook mee: ‘Spetter met water, trek de aandacht, dat vinden ze leuk.’ Het gevaarte nadert het bootje, de neus komt langzaam boven water. ‘Raak hem aan!’ roept iemand naar degene die over de rand van de boot hangt. Allemaal zijn we hier, in La Laguna de San Ingnacio, om de grijze walvis te ontmoeten. Maar aanraken? Zo had ik er nog niet over nagedacht. Zien, het liefst van dichtbij, dát wilde ik.
En toch. Ook ík wil die walvis aanraken. Moeder en baby drijven naast de boot, camera’s klikken, en alle reserves glijden zo van je af. Waarom is deze zeereus toch zo ontwapenend? Omdat het dier zo immens is? (Een volwassen grijze walvis kan 37 ton wegen en wordt zo groot als een gemiddelde stadsbus.) Omdat er niet zo heel veel van zijn? (Naar schatting rond de 23.000.) Of gewoon omdat deze walvis een mysterie zal blijven, een kennelijk intelligent wezen dat navigeert met het magnetische veld van de aarde, doorzwemt als-ie slaapt, en tussendoor ook nog vriendelijk is jegens de facto een van zijn twee grote vijanden: de mens. (Die andere is de orka.)
In dit hoekje van de Stille Oceaan is de walvis druk bezig haar nieuwste kleintje (vijf meter lang, 700 kilo) te leren duiken, eten en sprayen, en bereidt ze zich voor op de weg terug naar Alaska. Een groot deel van de populatie grijze walvissen komt in januari, februari en maart in de warme wateren van Mexico terecht – onder meer in de Laguna Ojo de Liebre, in de Bahía Magdalena en dus ook hier, in de Laguna de San Ignacio. Om te paren of te bevallen. Drie maanden eerder zijn ze vertrokken uit de Bering- en de Chukchizee, voor hun tocht, acht kilometer per uur, langs de Canadese en Amerikaanse kust. Als de babywalvis al weer wat minder baby is (groter dan de skiff waarin wij varen), zwemmen ze weer terug. Retourtje: 16.000 tot 22.000 kilometer. Voor zover bekend is het de grootste migratie van een zoogdier.





