Fotografie

Deze hartverscheurende foto’s tonen het dagelijks leven in Afghanistan

Door Patrick Witty

11 april 2016

De Australische fotograaf Andrew Quilty werkt al sinds 2013 in Afghanistan, voor publicaties als The New York Times, Time en Foreign Policy. Zoals veel mensen van zijn generatie werd Afghanistan een factor in zijn leven na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 en de daarop volgende Amerikaanse invasie van het land. Zijn eerste reis naar Afghanistan zou weken duren, maar het werden maanden - en langer.

“Al toen mijn vliegtuig vanuit de vallei van Kaboel opsteeg, voelde ik een heimwee naar deze plek die ik nooit eerder had ervaren,” zegt hij. “Een paar mensen die in Afghanistan hadden gewoond, hadden me gewaarschuwd dat deze plek je soms niet meer loslaat. Dat nam ik toen niet serieus, maar ze hadden gelijk. Ik pakte m’n spullen en keerde voor onbepaalde tijd terug naar Kaboel.”

Ik sprak onlangs met Quilty over zijn toegewijde berichtgeving over Afghanistan, ook nadat nieuws uit dit land van de voorpagina’s was verdwenen, over de uitdagingen van zijn werk als fotograaf en over de vraag hoe hij zijn hartverscheurend mooie en vreselijke foto’s maakte.

Patrick Witty: Het beeld van het kind met een rode sjaal in een provincieziekenhuis in de regio Helmand is zowel opmerkelijk als onthutsend. Kun je me iets meer vertellen over deze foto?

Andrew Quilty: Ziekenhuizen zijn vaak goede graadmeters voor de regionale situatie. Je kunt een dag in een ziekenhuis rondwandelen en er niets zien om te fotograferen, dus was ik vooral aan het wachten op iets wat ik moest vastleggen. In de afdeling voor ondervoeding is het dubbel zo lastig, omdat de kinderen daar met hun moeders zijn, die meestal niet gefotografeerd willen worden.

Ik zag hoe de moeder van Gul hem toedekte met een oranje sjaal, ik denk omdat ze hem wilde kalmeren of om de vliegen weg te houden. Ik benaderde hen om een foto te maken en de moeder haalde meteen de sjaal weg. Dat gebeurt wel vaker: Afghanen gaan ervan uit dat ze voor je moeten poseren, dus deze moeder toonde hem zoals ze dacht dat ik hem wilde fotograferen. Ik deed een stapje terug, gebaarde dat ik niet wilde storen en vroeg een van de zusters die Engels sprak om dat aan haar te vertellen. Al gauw legde ze de sjaal weer terug. Ik kwam weer dichterbij en nam binnen een halve minuut een serie foto’s.

Patrick: Ik herinner me het moment waarop ik jouw ongelooflijk hartverscheurende foto uit Kunduz zag, van een man op een operatietafel in het noodhospitaal van Artsen Zonder Grenzen (MSF), dat door een vergissing werd gebombardeerd door de internationale coalitie. Ik geloofde niet wat ik zag en was verontwaardigd. Hoe kwam deze foto tot stand?

Andrew: Op 28 september 2015 werd de stad Kunduz aangevallen en ingenomen door de Taliban. Het was voor het eerst dat een provinciehoofdstad werd bezet sinds de verdrijving van de opstandelingen in 2001. Dat was groot nieuws. In de dagen erna plande de regering een tegenaanval.

Samen met een vriend, de journalist Josh Smith, wilde ik er naartoe. Hij was al een paar jaar in Afghanistan en had meer ervaring als ‘embedded’ journalist bij het Afghaanse leger dan wie dan ook. Ik dacht dat ik hem wat fotografische tips kon geven (hij was vooral verslaggever, maar fotografeerde ook graag), in ruil voor zijn gevechtservaring.

Terwijl we op toestemming vanuit Kaboel wachtten, kwam het nieuws over de aanval van 3 oktober op het noodhospitaal van MSF. Dat maakte onze aanvraag nog urgenter.

Na het gebruikelijke ambtelijke gedoe in Kaboel namen we een commerciële vlucht naar Mazar-e Sharif, van waaruit het tegenoffensief tegen Kunduz grotendeels werd gelanceerd. We brachten anderhalve dag op de landingsplaats voor helikopters door, waar we doodskisten met de lijken van soldaten zagen aankomen en dozen vol voedsel en munitie zagen vertrekken.

Uiteindelijk wist een sympathieke helikopterschutter ons aan boord van een aftandse Russische Mi-17-transporthelikopter te smokkelen. Je kon er nergens zitten of staan. Ik moest op een doodskist knielen, terwijl Josh en onze fixer, Farshad, ook een fotograaf, op een berg dozen met rode appels lagen die het hele ruim vulde. De schutter zei dat ‘we’ (de helikopter) te zwaar beladen was en gooide ons een handvol appels toe, alsof het gewicht minder zou worden als we die zouden opeten.

Patrick: Je wist het bataljonshoofdkwartier van het Nationale Afghaanse Leger in Kunduz te bereiken. Wat gebeurde er toen?

Andrew: Het werd duidelijk dat niemand ons daar wilde hebben. De Afghanen niet en zeker niet de Amerikaanse speciale troepen die op dezelfde basis waren gestationeerd. Afgezien van een paar ‘rondleidingen’ door wijken die in handen van de regering waren en wat posten in de achterhoede kregen we niets te zien.

Het was puur geluk dat een voorop rijdende truck van een konvooi dat op 10 oktober van de basis vertrok - een week na de aanval op MSF - naast ons stopte. Op de bijrijdersplaats zat een Russisch sprekende Afghaanse commandant met wie Josh (die ook Russisch sprak) eerder die week kennis had gemaakt. De man zag hoe gefrustreerd we waren en zei ons aan boord te springen (we hadden onze uitrusting en beschermende kleding al bij ons).

De volgende vijf à zes uur bleven we bij de commandant en zijn manschappen terwijl zij de resterende opstandelingen uit een wijk aan de zuidrand van Kunduz verjoegen. Toen de gevechten een climax bereikten, had ik contact met personeel van MSF in Kaboel, die voor mij toestemming wilden regelen om het verwoeste ziekenhuis te bezoeken.

Patrick: MSF zorgde ervoor dat een plaatselijke chauffeur jou oppikte toen de gevechten van die dag minder werden. Hoe bereikte je het ziekenhuis?

Andrew: We spraken af in het midden van een uitgestrekte begraafplaats op een heuvel in de buurt. We wilden niet opvallen en reden in een simpele Corolla zonder bepantsering of konvooi, dat alleen maar de aandacht zou hebben getrokken als we op iets onverwachts waren gestuit. Ik deed m’n helm af en wikkelde een sjaal om mijn hoofd.

Er was maar één wegblokkade van de regering waar we ons doorheen moesten praten, daarna waren de straten verlaten. Een paar minuten later kwamen we aan bij het ziekenhuis. De geluiden van de gevechten kwamen voorlopig niet te dichtbij.

Ik wilde er een halfuur rondlopen en dan meteen weer vertrekken. Het zou snel donker worden en als iemand mij (een buitenlander) op weg naar de stad zou hebben gezien, zou ik geen schijn van kans maken, want op dat moment waren er geen soldaten en was er geen politie in dat deel van de stad.

Patrick: Wat trof je aan toen je bij het ziekenhuis arriveerde?

Andrew: Het ziekenhuis was groot - er waren ruim tachtig beschadigde of verwoeste kamers - en ik wilde zo grondig mogelijk te werk gaan. Ik had ruim een uur nodig om de zwaarst getroffen zalen te bekijken; in die zalen lagen een week na de aanval nog altijd acht of negen lijken.

De operatiezaal was lang niet zo zwaar getroffen als de rest. Het leek meer alsof de plek was geplunderd dan was geraakt door een jachtvliegtuig. Maar toen mijn ogen zich aan het donker aanpasten, was ik stomverbaasd. Daar lag het lijk van een man, bijna zonder een schrammetje, op z’n rug uitgestrekt op de operatietafel, bedekt met betonstof. Ik stelde mijn camera in op de duisternis en liep de zaal rond. Ik probeerde rustig te blijven en niet te trillen bij het fotograferen, terwijl de straatgevechten buiten opnieuw oplaaiden. Pas toen ik de beelden die avond op mijn laptop bekeek, zag ik dat de helft van het hoofd van de man was verdwenen.

Ik was een uur en zeventien minuten in het ziekenhuis geweest. Ik baadde in het zweet en Josh had al twee of drie keer geroepen waar ik bleef. De avond viel en hij was bang dat we niet op tijd waren om onder escorte van de commandant naar het bataljonshoofdkwartier terug te keren. Ik was opgelucht toen we weer vertrokken.

Waarschuwing: sommige lezers kunnen aanstoot nemen aan de onderstaande foto.

Patrick: Achter alle verschrikkingen die je tijdens je werk ziet, ligt een bijzondere schoonheid. Zoals de boom bij zonsopgang in het dorpje Warzoeds. Hoe kwam die foto tot stand?

Andrew: Als onderwerp van fotografie is schoonheid altijd onverbrekelijk verbonden of zelfs verstrengeld met de verschrikkingen in Afghanistan. Het was onbewust zeker een van de redenen dat ik me tot deze plek voelde aangetrokken, gebaseerd op de dingen die ik van dit land had gezien, zowel vóór als na mijn komst. Sinds mijn verblijf in Afghanistan zijn mijn foto’s minder op de esthetiek gericht - het ‘gewicht’ van het verhaal is hier zó zwaar dat de fotografie er minder afhankelijk van is dan op plekken waar ik eerder heb gewerkt. Maar de fysieke schoonheid van Afghanistan is ook prachtig onontkoombaar.

Ik denk dat daardoor het risico ontstaat dat de verschrikkingen worden geromantiseerd. Het is niet aan mij om te beoordelen of ik ten prooi ben gevallen aan een vorm van exotisme, maar als dat het geval zou zijn, dan zou ik niet de eerste zijn die dat in Afghanistan is overkomen.

Ik vraag me af of de schoonheid waarover je het hebt, misschien iets te maken heeft met het licht in Afghanistan. De zachtheid van het licht heeft de manier waarop ik naar dingen kijk ongetwijfeld veranderd en verfijnd, maar ik denk niet dat zoiets uitzonderlijk is. De meeste fotografen zouden zich op een nieuwe plek na verloop van tijd aanpassen aan de lichtomstandigheden.

Patrick: Ben je van plan in Afghanistan te blijven?

Andrew: Ik heb geen plannen om Afghanistan op korte termijn voorgoed vaarwel te zeggen. Ik denk overigens niet dat veel mensen die hier zijn geweest die weer vertrekken, dat voorgoed doen.

Voorlopig is het werken in Afghanistan een soort schatgraverij. Als ik in Kaboel de deur uit stap of vanuit de hoofdstad naar een andere provincie ga, word ik voortdurend verrast en verrukt door wat ik aantref, als fotograaf en als mens. Het zijn geen dingen die me perse blij maken, maar deze ervaringen en de uitdagingen die ermee gepaard gaan, geven me zeker een voldoening die ik niet eerder heb gevoeld.

Ik las vandaag iets van Zach St. George dat goed leek passen bij het gevoel dat ik momenteel over mijn werk in Afghanistan heb: “Tevreden zijn betekent verveeld te zijn, en nieuwsgierigheid is ons ticket naar buiten.”

Lees meer