Geschiedenis en Cultuur

Dood van sjamaan door slangenbeet roept vragen op over volksgezondheid in Amazonegebied

Het overlijden van de nog jonge sjamaan benadrukt de slechte levensomstandigheden onder indianenvolken in Brazilië. donderdag, 9 november

Door Scott Wallace

Inheemse gemeenschappen in het uiterste westen van het Braziliaanse Amazonegebied zijn geschokt door de dood van een alom gerespecteerde sjamaan als gevolg van een slangenbeet. Het overlijden van de man onderstreept de slechte staat waarin het gezondheidssysteem voor de inheemse bevolking zich bevindt.

Verwanten van Pajé Tepi Matis vertellen dat hij op 7 maart in zijn dorp Bokwat Paraíso overleed, een dag nadat hij tijdens het vissen door een slang was gebeten. Bokwat Paraíso ligt diep verscholen in het uitgestrekte ‘Inheemse gebied’ (Terra indígena) van de Vale do Javari en is een van de drie dorpen die worden bewoond door de 320 leden tellende Matis-stam. De stamleden werden in de rest van de wereld bekend vanwege hun opvallende gezichtsversieringen en hun namaaksnorharen, waarmee ze het uiterlijk van de jaguar nabootsen.

“Hij was een zeer gerespecteerd leider,” zegt Marcelo Marke Matis, Tepi’s neef en gemeenteraadslid van Atalaia do Norte, de dichtstbijzijnde stad stroomafwaarts van het Javari-reservaat. “Het dorp is erg verdrietig. Iedereen treurt.”

In het afgelegen reservaat, ongeveer zo groot als Oostenrijk, leven zes grote stammen – waaronder de Matis – en ruim tien andere, geïsoleerde gemeenschappen waarmee geen contact is gelegd, wat dit gebied tot de terras indígenas met de hoogste dichtheid van dit soort gemeenschappen ter wereld maakt.

FUNAI (het Braziliaanse bureau voor inheemse zaken), plaatste een foto van Tepi op haar website, naast een korte verklaring waarin de “diepe bedroefdheid” over zijn vroegtijdige dood werd uitgedrukt. Het is niet duidelijk hoe oud Tepi was – de FUNAI noemt een leeftijd van 37 jaar, maar anderen denken dat hij mogelijk begin veertig was.

Marke zegt dat de enorme afstanden en slecht bevoorrade veldhospitalen het uiterst lastig maken om adequaat op medische noodgevallen bij de Matis en andere stammen te reageren. In Bokwat Paraíso was geen antigif aanwezig, zegt Marke, noch een motorboot om Tepi snel voor behandeling naar Atalaia te vervoeren. “Geneesmiddelen zijn schaars. Er is geen boot. De afstanden zijn heel groot. Hoe kan iemand in zo’n geval overleven?”

In Javari zijn geen landingsbaantjes, en voor een boottocht vanuit de binnenlanden naar Atalaia hebben stamleden dagen nodig. Marke vertelt dat Tepi alleen gered had kunnen worden als hij per helikopter zou zijn vervoerd, maar dat die niet beschikbaar was. Het ‘Bijzondere Secretariaat voor Inheemse Volksgezondheid’, de federale dienst die toestemming voor zo’n vlucht had kunnen geven, krijgt nu zware kritiek van de inheemse bevolking van Brazilië omdat ze de volksgezondheid voor de stammen zou verwaarlozen. De gezondheidscrisis in het Javari-reservaat is urgent, want de kindersterfte is hier de afgelopen jaren tot vijfmaal het nationale gemiddelde gestegen.

Tepi was een bedreven jager en spoorzoeker, en bezat een grote kennis van de jungle. In 2002 maakten hij en een tiental Matis-stamleden deel uit van een door de FUNAI georganiseerde 34 man tellende onderzoeksexpeditie naar het uiterst zuiden van het reservaat, om daar bescherming te bieden aan de zelden waargenomen stam van de ‘Flecheiros’ of ‘Pijlmensen’.

In opdracht van National Geographic maakten ook de inmiddels overleden fotograaf Nicolas Reynard en ikzelf deel uit van de expeditie, die werd geleid door Sydney Possuelo, een bekende Braziliaanse ontdekkingsreiziger en voorvechter van de rechten van inheemse volken. Toen ons verslag in augustus 2003 werd gepubliceerd, stond Reynards portret van Tepi op de voorpagina van het magazine.

Tepi behoorde tot Possuelo’s meest vertrouwde scouts en leek immuun te zijn voor de ongemakken en zware werkzaamheden tijdens de expeditie. Hij en de andere Matis-stamleden liepen behendig over glibberige boomstambruggetjes en namen steile hellingen blootvoets en met loodzware voorraden op hun schouders. Van zijn uitstapjes om te jagen in de jungle keerde Tepi zonder uitzondering terug met geschoten wild voor onze groep, en hij was enthousiast over de doelstellingen van de expeditie: het verzamelen van belangrijke informatie over de Pijlmensen terwijl we direct contact met deze stam onder alle omstandigheden wilden vermijden.

De meest aanbeden sjamaan

In de jaren na de expeditie groeide Tepi uit tot de meest gerespecteerde sjamaan of pajé van zijn stam. Die ontwikkeling begon toen hij een eerdere ontmoeting met een giftige slang overleefde, vertelt antropologe Barbara Arisi, die in 2009 maandenlang bij Tepi en zijn jonge vrouw en kinderen woonde terwijl zij onderzoek deed voor haar proefschrift.                        

Bij dat voorval raakte Tepi bewusteloos terwijl zijn begeleider om hulp zocht, maar op een of andere manier wist Tepi bijna helemaal tot aan zijn huis te kruipen, totdat hij buiten zijn dorp in elkaar zakte. “Later vertelde Tepi dat de geesten van het bos zijn lichaam naar die plek hadden gebracht,” schreef Arisi in een blogbericht op de website AmazoniaReal.

Na deze bijna-doodervaring voelde Tepi zich geroepen om zich aan de heelkunst te wijden, zegt Arisi, die in 2014 zelf een giftige slangenbeet amper overleefde terwijl ze in het Javari-reservaat aan een documentaire werkte. Arisi is nu gastdocente aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en vertelt dat ze kon worden gered omdat er nét genoeg antigif in het naburige dorp aanwezig was om haar in leven te houden gedurende de 25 uur die nodig was om haar per motorboot naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis stroomafwaarts te vervoeren. Volgens Arisi vroeg de zuster die haar verzorgde aan de gezondheidsfunctionarissen om een helikopter te sturen, maar werd dat verzoek geweigerd.

Arisi vertelt dat Tepi en zijn schoonvader Iva Arapa, die eveneens aan de expeditie van 2002 deelnam, in 2013 Bokwat Paraíso stichtten. Veel van de mensen in hun vorige dorp waren bezweken aan infectieziekten, vooral aan malaria en hepatitis, en ze wilden een nieuwe start maken op een plek die hopelijk gezonder zou zijn. “Ze probeerden aan de dood te ontsnappen,” zegt Arisi.

Tijdens een geïmproviseerde ceremonie gedurende de expeditie van 2002 hielp Tepi mee met het bereiden van psychotrope oogdruppels uit een mengsel van water en een aftreksel van stukjes schors van bomen en lianen. De andere expeditieleden knielden één voor één voor Tepi neer om de druppels in ontvangst te nemen; het goedje veroorzaakte eerst een intens brandend gevoel, maar nadat de pijn was afgezakt, bleek de vermoeidheid bij alle deelnemers verdwenen en had iedereen een verbazingwekkend helder gezichts- en waarnemingsvermogen, waardoor ze in staat waren door het monochrome scherm van groentinten en de bruine tonen van doorweekte vegetatie heen te kijken. De Matis gebruikten de druppels voor de jacht, zei Tepi, en het was overduidelijk waarom.

De eerste contacten tussen de Matis en functionarissen van de FUNAI ontstonden halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw, in een tijd waarin de missie van dit bureau nog niet was gericht op het beschermen van geïsoleerde Braziliaanse stammen tegen direct contact met de buitenwereld. Na dat eerste contact groeide Tepi op in een periode van razendsnelle demografische veranderingen, als gevolg van zware epidemieën onder de stamleden; veel van de ouderlingen en kennisdragers van zijn stam overleden. De jongere Matis-leden deden hun best om de tradities van de stam van de vergetelheid te redden, waaronder hun gezichtsversieringen en hun kennis over de oogdruppels voor de jacht. Maar de rampzalige tijd die veel Matis-stamleden zich nog kunnen herinneren, maakt het verlies van Tepi des te pijnlijker – voor zijn volk en voor al diegenen die de inheemse beweging waar ook ter wereld een warm hart toedragen.