Geschiedenis en Cultuur

Overlevenden van bloedbad houden zich schuil in uitgestrekt moeras

In een immens moeras waar vluchtelingen van de burgeroorlog overleven op waterlelies, wil het nieuwste land op aarde een UNESCO-Werelderfgoed instellen.donderdag 9 november 2017

Door Nina Strochlic
Foto's Van Dominic Nahr
Na maanden zonder voedselhulp lopen tienduizenden mensen in 2015 naar de plek waar humanitaire hulp wordt uitgedeeld. Doordat de afgelegen wetlands van Zuid-Soedan werden afgesneden als gevolg van gevechten en het regenseizoen, zijn veel mensen van de honger gestorven.

NYAL, Zuid-Soedan – De oorlog kwam op de vroege ochtend van een zondag in mei 2015. William Dak en Margaret Nyakume zagen regeringstroepen de afgelegen Zuid-Soedanese stad Leer naderen en vluchtten het hoge gras achter hun huizen in. Vanaf deze schuilplaats keken ze toe hoe soldaten Margarets nicht verkrachtten en huizen met mensen erin aanstaken. Zes uur lang vroeg Margaret zich in stilte af of ze het zou overleven.

Toen de avond viel, deed het paar hetzelfde als generaties mensen voorr hen in gevaarlijke tijden hadden gedaan: ze vluchtten naar de immense moerassen van de Sudd, waar de zijrivieren van de Nijl uitmonden in uitgestrekte wetlands, een van de gebieden met de rijkste fauna en hoogste biodiversiteit op aarde. Achter hen, in de verte, zagen ze Leer branden.

In het Arabisch betekent Sudd ‘barrière’, en eeuwenlang was deze bijna mythische wildernis – waar het wemelde van olifanten, giraffes en adelaars – een onoverkomelijk obstakel voor ontdekkingsreizigers op zoek naar de bronnen van de Nijl, slavenhandelaars en invasielegers. Nu was het een toevluchtsoord voor William en Margaret, op de vlucht voor soldaten van hun eigen land. Twee jaar later houden vele duizenden mensen zich nog altijd schuil op de eilandjes in het moeras, omdat ze te bang zijn om naar huis terug te keren. Maar deze maand wil Zuid-Soedan de Sudd officieel als UNESCO-Werelderfgoed voordragen.

Toen de burgeroorlog het afgelegen noorden van Zuid-Soedan bereikte, vluchtten duizenden burgers de moerassen in en trokken naar rebellensteden als Thonyor. Als gevolg van de strijd tussen de politici in Juba moet het land het nu doen zonder goed voedsel en scholing, terwijl de bevolking zich tot de tanden toe heeft bewapend.

Het redden van de Sudd              

In 2016, een jaar na de aanval op Leer, sprak een Keniaanse archeoloog genaamd George Abungu een kamer vol Zuid-Soedanese regeringsfunctionarissen, academici en militaire leiders toe in het VN-hoofdkwartier in Juba. Kort nadat het land onafhankelijk was geworden, was het nieuwe ministerie van Cultuur begonnen met het vaststellen van potentiële plekken voor de status van Werelderfgoed en ondertekende tijdens een luwte in het conflict drie UNESCO-conventies.

Abungu, die al meer dan tien jaar Werelderfgoedplekken in Afrika verkent en classificeert, leerde de functionarissen hoe ze oorden moesten aanwijzen die tot Werelderfgoed konden worden uitgeroepen, een status die voor de belangrijkste natuur- en cultuurgebieden op aarde is bestemd. Op de lijst van 24 kandidaatgebieden stond één plek bovenaan, een gebied dat Abungu altijd al wilde bezoeken: de Sudd. “Het is niets minder dan een natuurfenomeen,” zegt hij.

Als gevolg van de smeulende burgeroorlog in Zuid-Soedan leeft nu driekwart van de bevolking zonder goede voeding en scholing, en velen hebben zich tot de tanden gewapend. Maar natuurbeschermers menen dat het nieuwste land op aarde behalve voedsel, medicijnen en vrede ook een culturele basis nodig heeft om niet opnieuw af te glijden naar een burgeroorlog. Door de Sudd tot Werelderfgoed uit te roepen (en daarmee op te nemen in een lijst waarop ook Angkor Wat in Cambodja, de Sixtijnse Kapel in Rome en Machu Picchu in Peru prijken), zou volgens hen niet alleen de natuur van het land beschermd kunnen worden maar ook de sociale verdeeldheid overwonnen kunnen worden. In de toekomst zou het zelfs toeristen naar het land kunnen brengen.

Begin vorige eeuw vergeleek een koloniale Britse gouverneur de uitgestrekte Sudd met de Saharawoestijn. Maar in deze immense wetlands gedijt het leven volop. Er leven meer dan 400 vogel- en 100 zoogdiersoorten en jaarlijks trekken 1,2 miljoen gazelles en antilopen naar het gebied, een migratie die vergelijkbaar is met die van de gnoes op de Serengetivlakte. Het Sudd-bekken strekt zich uit over heel Zuid-Soedan en heeft een oppervlakte van ruim 57.000 vierkante kilometer. Met zijn regenval en overstromingen fungeert het gebied al duizenden jaren als klimaatregulerende factor.

Onderzoekers die het immense en onbekende gebied nader willen bestuderen, worden al bijna een eeuw gehinderd door oorlog. Abungu en andere experts die het land bezochten, zagen vanuit de lucht kuddes wilde olifanten op de savannes van Zuid-Soedan en in andere onbewoonde gebieden van het land, maar het UNESCO-team kon de Sudd niet bereiken: het was te ondoordringbaar en door de oorlog te gevaarlijk.

“Een van de laatste grote wildernissen van Afrika ligt in Zuid-Soedan,” zegt Paul Elkan, directeur van de Wildlife Conservation Society (WCS), de enige ngo die wetenschappelijk onderzoek in Zuid-Soedan verricht. Tot voor kort waren berichten over de aanwezigheid van grote aantallen wilde dieren in de Sudd zo fragmentarisch en onbetrouwbaar dat ze voor geruchten werden gehouden. Na het uitroepen van de onafhankelijkheid plande Elkan een verkenning vanuit de lucht, pleitte voor betere milieuwetten om het gebied te beschermen en probeerde touroperators voor het gebied te interesseren. Maar het conflict van 2013 stuurde al deze plannen in de war.

Nu denkt Elkan dat er opnieuw een kans is. “Dit is verreweg de beste gelegenheid in de wereldgeschiedenis om natuurbehoud te integreren in het oprichtingsverhaal van een land,” zegt hij. Na zich dertig jaar te hebben ingezet voor het natuurbehoud in Afrika, zegt Elkan dat hij nog nooit een regering heeft meegemaakt die zó gemotiveerd is als die van Zuid-Soedan. Na een eeuw van buitenlandse controle willen de nieuwe machthebbers de natuurlijke hulpbronnen van het land in eigen hand nemen.

Een medewerker van Artsen Zonder Grenzen draagt een jongetje door de moerassen van de Sudd naar het eiland Kok, waar duizenden ontheemde mensen na het oplaaien van de gevechten in 2015 hun toevlucht hebben gezocht.

De vloek van het zwarte goud

Maar de vrede zou de Sudd nog erger kunnen aantasten dan de oorlog. Onder de weelderige wetlands zit veel aardolie – de grootste voorraden van Zuid-Soedan. Door de strijd worden de oliemaatschappijen tot nu toe op afstand gehouden, maar de vrede zou tot een run op deze hulpbronnen kunnen leiden. Volgens een rapport van de VN uit 2015 heeft het ecosysteem van de Sudd een potentiële waarde van één miljard dollar als het op duurzame wijze zou worden gebruikt voor landbouw en ecotoerisme. Maar van alle landen ter wereld is Zuid-Soedan het meest afhankelijk van aardolie. Natuurbeschermers vrezen dan ook dat de regering de olierijke Sudd wil gebruiken als snelle bron van deviezen.

In de Sudd liggen al twee wildreservaten en één nationaal park, en het gebied werd in 2006 uitgeroepen tot ‘Ramsar Wetland of International Importance’. Maar dat predicaat biedt geen enkele officiële bescherming, en bestaande milieuregels worden veelal genegeerd.

De Franse oliemaatschappij Total en een gezamenlijk Chinees-Maleisisch oliewinningsconsortium bezitten al aardolieconcessies in de binnenlanden van de Sudd. Uit onderzoek van het NIEH (Nile Institute of Environmental Health), de eerste milieudenktank van Zuid-Soedan, blijkt dat het drinkwater dat door plaatselijke gemeenschappen wordt gebruikt, is aangetast door chemicaliën van exploratieprojecten. Een internationale ngo ontdekte onlangs dat mensen in de buurt van deze projecten soms aan viermaal zoveel lood worden blootgesteld als de doorsneebevolking.

Zonder erkenning van de UNESCO en de daarmee gepaard gaande internationale druk denkt Bior Kwer Bior, oprichter van het NIEH, dat de Sudd verwoest zal worden. “Onze regering is te zwak om de bestaande wetten te handhaven,” zegt hij. “Geen oliemaatschappij is zo mensvriendelijk dat ze op eigen gelegenheid het juiste zal doen.” De minister voor Oliezaken van de regering heeft de oliemaatschappijen onlangs te verstaan gegeven dat ze moeten beginnen met boren als ze willen dat hun contracten niet worden geannuleerd.

“Ik ben gewoon weggerend en heb me in het moeras verstopt,” zei Peter Gatlek, die in het hoofd werd geschoten toen hij probeerde te ontsnappen aan een militaire aanval op zijn dorp in 2015. De Sudd dient al eeuwenlang als schuilplaats voor mensen die voor geweld vluchten.

De afhankelijkheid van olie-inkomsten zou kunnen leiden tot een confrontatie tussen natuurbeschermers en de regering, ondanks pogingen van functionarissen als Khamis Adieng Ding, die voor het ministerie van Natuurbehoud en Toerisme de internationale samenwerking coördineert en bij de UNESCO pleit voor het uitroepen van de Sudd tot Werelderfgoed. “Afhankelijk zijn van één grondstof kan riskant en op lange termijn onvoorspelbaar zijn,” zegt hij over de niet-duurzame aardolie. Volgens de Wereldbank zullen de olievoorraden van Zuid-Soedan rond 2035 zijn uitgeput.

De oliemaatschappijen waren niet de enige bedrijven die door de langdurige conflicten in Zuid-Soedan werden afgeschrikt. In 2007 vloog Paul Elkan over de Sudd, tijdens de eerste verkenning van het gebied na een burgeroorlog die 22 jaar had geduurd. Hij spotte de verschillende kuddes van in totaal 1,2 miljoen migrerende antilopen, die het conflict hadden weten te overleven. Natuurbeschermers denken dat de strijd ook stropers heeft afgeschrikt.

Daar kan nu verandering in komen. Naar schatting één miljoen mensen leven van het ecosysteem van de Sudd, en een groeiend aantal daarvan verspreidt zich nu naar onbewoonde streken om gebruik te maken van natuurlijke hulpbronnen die tot dan toe alleen in bepaalde seizoenen door veehoeders en hun vee werden aangesproken. Nu het toezicht van de regering vrijwel afwezig blijft en wapens alomtegenwoordig zijn, zijn soldaten en burgers begonnen met het doden van wild om ‘bush meat’ en ivoor te kunnen verhandelen.

“Zij denken dat milieukwesties een luxeprobleem zijn,” zegt Bior over de regering. “De natuur is geen luxe. Als er niets wordt gedaan om de oliewingebieden te controleren, dan zal er een nieuwe oorlog uitbreken.”

Bij het opstijgen vanaf het eiland Kok werpt een helikopter met voedselhulp stofwolken op. Op het eiland in de Sudd leven duizenden ontheemden.

Op de lijst

Het is erg moeilijk om een bepaalde plek als Werelderfgoed door de UNESCO te laten erkennen. Voordat de lidstaten van de Werelderfgoedconventie kunnen stemmen over een nieuwe aanvraag, wordt er een dossier opgesteld, met daarin uitgebreide informatie over de afbakening van het beoogde gebied en plannen voor het beheer, de bewoners en de geschiedenis ervan. Bovendien moet er al wetgeving zijn ontwikkeld om de bescherming van het gebied in de jaren erna te waarborgen en om opzichters te benoemen en competenties te verdelen. Niets van dat alles is in het geval van de Sudd voorbereid.

Maar onder dreiging van de olie-exploratie zou het gebied wel een andere status kunnen krijgen en alvast opgenomen kunnen worden in de Lijst van bedreigd Werelderfgoed, die 48 plekken op aarde beschermt met speciale fondsen en aandacht. Toen in 2001 twee enorme boeddha’s die in een rotswand in de Bamyan-vallei in Afghanistan waren uitgehakt, door de Taliban werden opgeblazen, werd de vallei snel op deze lijst geplaatst. In 2015 werden oorden in Irak en Jemen aan de lijst toegevoegd. En ook vier van de zeven nationale parken in de Democratische Republiek Congo, een buurland van Zuid-Soedan, staan op de lijst.

“Als de Sudd de status van Werelderfgoed krijgt, wordt het gebied de verantwoordelijkheid van de hele wereld,” zegt Abungu, die Kenia hielp bij het vaststellen van enkele van de zes Keniaanse plekken die in de UNESCO-Werelderfgoedlijst zijn opgenomen. Voor hem is er ‘geen enkele twijfel’ dat de Sudd in aanmerking komt voor onmiddellijke opname in de lijst, zelfs nog voordat de omvang en de natuur van het gebied in hun geheel in kaart zijn gebracht en de stabiliteit van de Sudd is gegarandeerd. Hij hoopt dat de moerassen binnen drie jaar de gewenste status zullen krijgen.

Niet iedereen gelooft dat dit de juiste of zelfs een noodzakelijke stap is. Zo denkt Elkan, die in Zuid-Soedan werkt aan het integreren van natuurbehoud in de wetgeving van het nieuwe land, dat de Werelderfgoedstatus weinig meer inhoudt dan een ‘eretitel’. “De UNESCO roept mensen in workshops bijeen en zegt dat ze bepaalde plekken volgens de conventie zal aanwijzen – in het midden van een oorlog,” zegt hij. “Wij willen eerst dat het land veilig is.”

Twee jongens wachten bij een vliegtuig met medische hulpgoederen voor de stad Leer. Door de gevechten en de dichtbegroeide wetlands kan het afgelegen gebied alleen via de lucht worden bevoorraad.

Leven in de moerassen

In het noorden van Zuid-Soedan sijpelen de moerassen door tot in de stad Nyal, die door opstandelingen wordt bezet. Kokosbomen flankeren de onverharde weg van rode aarde, waar wordt gevoetbald zonder einde. Mobiele telefonie of auto’s – afgezien van enkele trucks van humanitaire organisaties – zijn hier nog niet gearriveerd, en de enige manier om hier te komen of te vertrekken is per kano of helikopter. Jonge rebellen in gerafelde T-shirts hebben hun kalasjnikovs over de schouder hangen en slenteren langs armetierige marktkraampjes. Hangend aan houten balken worden piepkleine zakjes zout en tabak te koop aangeboden; de kleine stukjes zeep zijn een recente aanvulling op het assortiment.

Het geraas van laagvliegende vliegtuigen van de VN-organisatie World Food Programme (WFP) is een welkom geluid: ze droppen zakken sorghum en flessen benzine in Nyal. In 2015 verdubbelde de bevolking van de stad bijna, toen 53.000 vluchtelingen, vooral uit Leer, hier tijdens de gevechten een goed heenkomen zochten. Nog eens duizenden leven op eilandjes in de omgeving. Wanneer er voldoende voedsel is gedropt, worden de mensen van de eilanden naar het vasteland gebracht, in kano’s die door Oxfam zijn gehuurd. Daarna wordt het voedsel verdeeld onder de bevolking. Het dichtstbijzijnde eiland ligt op twee uur varen.

Afgelopen mei voer een visser genaamd Ezikiel Wicgoal op een druilerige dag in zijn kano door een meanderende geul van bruin water, langs bananenbomen en grazend vee, naar het eilandje waar William en Margaret nu wonen. Jonge jongens met speren hadden de vangst van de dag aan koorden geregen terwijl mannen aan de lange reis naar Nyal op het vasteland begonnen, wadend door het kniehoge water. Vanaf hoge bomen keken visarenden, de nationale vogel van Zuid-Soedan, uit over reigers en ooievaars in het hoge gras.

Hoewel de Sudd een weelderig begroeid gebied is, kunnen de inwoners hier nauwelijks van het land leven. De mensen kunnen geen gewassen verbouwen omdat ze te vaak op de vlucht zijn om de oogst binnen te halen. In februari werd een officiële hongersnood uitgeroepen, maar door de isolatie van het gebied en een gebrek aan betrouwbare gegevens weet niemand wanneer die precies is begonnen. William, Margaret en andere eilanders zeggen dat ze overleven op waterlelies die ze in het moeras verzamelen.

“De mensen hebben hun bezittingen verkocht om de kanoverhuurders te kunnen betalen, vaak door ’s nachts naar hun dorpjes terug te keren en zichzelf in gevaar te brengen,” zegt Noga Malkin, voormalig coördinator voor Oxfam in Nyal. “Wanneer er voedsel wordt uitgedeeld, lopen mensen tien uur om erbij te zijn.”

Door de burgeroorlog zijn 3,5 miljoen Zuid-Soedanezen op de vlucht geslagen. Vier jaar later hebben de leiders van het land nog altijd geen vredesakkoord bereikt.

Een nieuw verhaal

Toen Bior Kwer Bior in een stadje in het zuiden van de Sudd opgroeide, vertelden zijn ouders hem verhalen die van generatie op generatie waren overgedragen, over hoe de ongerepte moerassen de bevolking hadden beschermd. Voor degenen die er de weg niet wisten, was het een onneembare barrière. Voor de mensen die het gebied kenden, een toevluchtsoord. “In zekere zin fungeren de wetlands van de Sudd als een nationaal vluchtelingenkamp voor mensen die de internationale grenzen niet weten te bereiken,” zegt Bior.

In dit potentiële Werelderfgoed leven momenteel duizenden ontheemde mensen die niet naar huis willen terugkeren zolang hun veiligheid niet is gegarandeerd. Afgelopen juli, aan de vooravond van de viering van vijf jaar onafhankelijkheid, braken opnieuw gevechten uit, waardoor de UNESCO werd gedwongen zijn geplande tweede workshop uit te stellen. Maar de plannen zijn niet van tafel. In juni wil de regering de UNESCO een voorlopige lijst van plekken overhandigen die door de internationale gemeenschap kan worden beoordeeld. Op een dag zou de ongetemde wildernis van de Sudd dit land kunnen hernieuwen.

“Voorlopig gaat het verhaal van Zuid-Soedan alleen maar over vluchtelingen, over honger,” zegt Abungu, de adviseur van de UNESCO. “De vraag die we ons in Afrika stellen, is: hoe kunnen we ons erfgoed gebruiken om de wapens tot zwijgen te brengen?”

Nina Strochlic’s berichtgeving vanuit Zuid-Soedan werd ondersteund door de International Women’s Media Foundation.