Geschiedenis en Cultuur

Vrouwen in de prehistorie hadden sterkere armen dan vrouwelijke sporters van nu

In Europa gevonden botten laten zien dat vrouwen zo hard werkten op de allereerste boerenbedrijven dat ze bijna allemaal gespierder waren dan hedendaagse vrouwelijke toproeiers. maandag, 4 december 2017

Door Nadia Drake

Ontdek met de Geno 2.0 DNA ancestry kit van National Geographic wat de link is tussen de geschiedenis van jouw familie en de ontwikkeling van de mensheid.

Van het planten van gewassen en het malen van graan tot het verzorgen van het vee: vrouwen in de prehistorie verrichten zoveel zwaar werk dat het nog steeds in hun botten is terug te zien.

In een nieuw onderzoek werden botten afkomstig uit graven uit het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd vergeleken met die van hedendaagse vrouwelijke sporters. Daaruit bleek dat vrouwen in de prehistorie zeer gespierd waren. Ze hadden bijna allemaal sterkere armen dan hedendaagse toproeisters.

“Dit is het eerste onderzoek waarbij de botten van prehistorische vrouwen worden vergeleken met die van vrouwen van nu. Het bracht een verborgen geschiedenis aan het licht van vrouwen die in de loop van duizenden jaren agrarische geschiedenis steeds zwaar werk hebben verricht, aldus Alison Macintosh, coauteur van het onderzoek en werkzaam aan de Britse University of Cambridge.

Uit het onderzoek dat onlangs werd gepubliceerd in Science Advances, komt naar voren dat vrouwen een drijvende kracht waren achter de eerste zesduizend jaar van de ontwikkeling van de landbouw in Centraal-Europa.

“Mannen worden vaak gezien als de ‘leveranciers’, maar in dit onderzoek wordt de aandacht gevestigd op de niet te onderschatten bijdrage van vrouwen aan de voedselvoorziening,” zegt Habiba Chirchir van de Amerikaanse Marshall University, die geen deel uitmaakte van het onderzoeksteam.

De opkomst van het boerenbedrijf

Gedurende een groot deel van onze geschiedenis, leidde de mens een nomadisch bestaan. De meeste van onze voorouders joegen op wilde dieren en verzamelden voedsel dat in de natuurlijke omgeving werd gevonden. De ontwikkeling van een betrouwbaar systeem van lokale voedselproductie, ook wel bekend als het boerenbedrijf, vond relatief recent plaats in de afgelopen twaalfduizend jaar in de Levant en zelfs nog recenter in Europa.

Om inzicht te krijgen in de manier waarop prehistorische samenlevingen zich opnieuw organiseerden tijdens die ontwikkeling van landbouwactiviteiten en -technologieën, is het voor antropologen van belang te ontdekken hoe de rolverdeling tussen mannen en vrouwen was. Dat kan onder meer door te kijken naar het effect dat de activiteiten hadden op de botten, bijvoorbeeld door veranderingen in de vorm, dichtheid, dikte en verkromming.

Maar tot nu toe was bij dergelijke skeletonderzoeken vooral gekeken naar mannenbotten en was er met name gezocht naar tekenen van dragen en sjouwen. Dat komt vooral doordat er in oude graven vaker mannenbotten worden gevonden, legt Damiano Marchi van de Italiaanse Università di Pisa uit. Bovendien is er meer bekend over de manier waarop botten van mannen reageren op activiteit.

In de weinige onderzoeken waarbij wel naar vrouwen werd gekeken, werden de botten van vrouwen vergeleken met die van mannen, wat het beeld vertroebelde. Macintosh en haar collega's vonden dat onbevredigend. Daarom stelden zij zich ten doel om de botindicatoren voor activiteit van zowel vrouwen van vroeger als die van nu te onderzoeken.

Meer armslag

De prehistorische botten die het onderzoeksteam bestudeerde, kwamen uit graven verspreid over Centraal-Europa, van de Servische grens tot in West-Duitsland. De menselijke resten dateerden van ongeveer 5.300 v.Chr. tot 850 n. Chr.

Het team maakte ook CT-scans van de botten van hedendaagse sportsters en bewoonsters van Cambridge University, en dan met name van wedstrijdroeisters, voetbalsters, langeafstandloopsters en niet-sportsters die een zittend leven leiden. Iedereen die een blessure of aandoening had die mogelijk effect had op hun botten, werd van het onderzoek uitgesloten.

De onderzoekers vergeleken de vorm en kracht van zowel het opperarmbeen als het scheenbeen van tientallen vrouwen van vroeger en nu. Ze constateerden dat de botten in de bovenarmen van vrouwen uit de prehistorie bijna allemaal getekend waren door draag- en sjouwwerkzaamheden. Volgens hen waren vrouwen uit de bronstijd ongewoon sterk, wat erop duidt dat die regelmatig heel zwaar werk deden.

“Er tekent zich een patroon af van duizenden jaren zwaar werk dat door vrouwen werd gedaan,” stelt Macintosh. “Dat bleef onderbelicht toen er alleen onderzoek werd gedaan in vergelijking met materiaal van mannen.”

Hoewel ze armen van staal hadden, was de kracht in de benen van vrouwen in de prehistorie wisselend. Sommigen hadden net zulke sterke benen als hedendaagse langeafstandloopsters, maar de benen van anderen waren nog slapper dan zelfs de inactiefste deelneemsters aan het onderzoek. Dat is de reden dat uit eerdere onderzoeken naar scheenbenen niet bleek hoe hard vrouwen werkten, stellen Macintosh en anderen.

“Er tekent zich een patroon af van duizenden jaren zwaar werk dat door vrouwen werd gedaan.”

Alison Macintosh

Tot op het bot

Het is onbekend welke werkzaamheden vrouwen vroeger precies uitvoerden. Gezien het feit dat ploegen en ander landbouwgereedschap nog niet waren uitgevonden, heeft Macintosh wel een lijst met mogelijkheden: grond bewerken, gewassen planten, oogsten, graan malen, vee melken, vlees verwerken, textiel maken, aardewerk maken. En dat elke dag, urenlang.

Hoewel niet bekend is wat hun specifieke werkzaamheden waren, kan op basis van het onderzoek worden geconcludeerd dat vrouwen een belangrijke rol speelden bij het introduceren van een nieuwe manier van leven in Centraal-Europa, zegt Steven Churchill van de Amerikaanse Duke University.

“In veel vroege agrarische samenlevingen werd het voedsel aangevuld met de opbrengst van de jacht, dus misschien deden vrouwen het meeste werk op het land,” zegt hij. Churchill voegt daaraan toe dat vroege agrariërs het veel moeilijker hadden dan hun nomadische jager-verzamelaar-voorouders. Ze moesten harder werken en het hoofd bieden aan zwaardere omstandigheden en meer ziekten

“Mensen gingen niet over tot landbouw omdat ze het zagen als een beter alternatief voor verzamelen,” zegt hij. “Ze deden het omdat er geen andere keuze was. De bevolkingsgroei maakte het waarschijnlijk onmogelijk om van verzamelen te leven.”

Daarmee kwam een groot deel van de agrarische last waarschijnlijk letterlijk en figuurlijk neer op de schouders van vrouwen. Afgelopen jaar concludeerden Macintosh en haar collega's al dat de overgang van een samenleving van jagers naar een agrarische samenleving in Centraal-Europa een negatievere uitwerking had op vrouwen dan op mannen De skeletten van vrouwen vertoonden meer tekenen van problematische ontwikkeling en slechte gezondheid dan die van mannen.

“De problemen rond genderrollen en werkverdeling zijn van alle tijden,” aldus Chirchir.