Geschiedenis en Cultuur

Sunneklaas: de duivel van Ameland

Sinterklaas heeft vele gezichten. De mythe van de goedheiligman heeft op verschillende plekken in Nederland een andere gedaante.Thursday, August 23, 2018

Door Arnold-Jan Scheer

Dit artikel werd gepubliceerd op 28 november 2014.

Een schrijver en een fotograaf bezochten Ameland tijdens het feest van Sunneklaas op vijf december en proefden de Germaanse oorsprong van het spektakel.

De vuurtoren veegt strakke lichtbundels over de Noordzee. Zwermen snaterende rotganzen golven door de schemer. De storm buldert en fluit. Hollum, het meest afgelegen dorp van Nederland, ligt in een duinpan omzoomd door weilanden op de uiterste punt van Ameland. Er hangt een onbestemde spanning in het dorp. Vrouwen doen nog snel een boodschap, daarna zijn ze vogelvrij en dienen zich heel andere figuren aan.

Het is vijf december, vijf uur. IJzige kou en springtij. Het eiland op deze datum bezoeken wordt ontraden. Een pamflet op de veerboot legt uit dat Sunneklaas niets heeft te maken met het bekende Sint-Nicolaasfeest. Er gelden, aldus het pamflet, “vrij strenge regels”: auto’s mogen niet in de dorpskernen komen, vrouwen moeten zich afzijdig houden. Ze mogen de straat niet op om “minder plezierige ervaringen” te voorkomen.

Het klinkt angstaanjagend. Dit ritueel moet zo veel mogelijk in het geheim plaatsvinden. In de gierende wind vang ik haperend hoorngeschal op, als van een mistroostig windorgel. De kinderen in het pension waar ik logeer klinken zenuwachtig. De gordijnen zijn zorgvuldig gesloten zodat er geen licht door naar buiten schijnt. Is dat wel zo, dan worden de ruiten ingeslagen door de ‘wegbereiders’ of ‘baanvegers’ van de sunneklazen. Ze komen eraan! Demonisch gebrul weerklinkt, alsof als een rochelend, ziedend monster in aantocht is. In de verte fladderen witte schimmen. “Je moet báááá tegen ze roepen,” fluisteren de kinderen in de deuropening, “dan worden ze kwaad.” Ze speuren schichtig de straat af.

Sunneklazen betreden een huis dat is ‘opengesteld’. Hier hebben zich de vrouwen en kinderen verzameld.

Uit dakramen klinkt schril geblaat van vrouwen dat wordt beantwoord met een dreigend trompetteren. Het zijn de wegbereiders gekleed in lakens, met stokken en runderhoorns, die waarschuwen dat de sunneklazen in aantocht zijn. Zoals Eckhart vroeger verscheen wanneer de god Wodan tijdens de storm langs de hemel trok met zijn dodenleger van Berserkers, ingewijde mannen. Je moest je dan snel tegen de grond werpen om niet te worden meegenomen naar de wereld van de overleden voorouders. Aldus de legenden die van hier tot de Alpen worden verteld. Wodan als historische voorloper van Sint-Nicolaas. Voor de zekerheid vlucht ik het huis in.

De traditie van Sunneklaas heeft diepe wortels. De Waddeneilanden werden ten tijde van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (ca. 56-117) bewoond door de Friese Ingweonen. Pas rond de tijd van Bonifatius (†Dokkum, 754) werd Friesland bekeerd. Van Ameland tot Helgoland werden goden als Wodan, Donar en Forsite vereerd. De heidense riten konden voortbestaan doordat een christelijke heilige ze had geadopteerd. De naam en verjaardag van Sint-Nicolaas, die veel heidense riten naar zich toetrok, hebben de tijd overleefd.

Overal in Europa ontdek ik op geïsoleerde plekken primitieve Sint-Nicolaasriten, waarbij vruchtbare vrouwen worden geslagen met een roe, zweep, runderhoorn of varkensblaas. Of waarbij met roet vermomde mannen het gezicht van vrouwen zwart maken. Steeds luidt de verklaring dat dit geluk, vruchtbaarheid of zwangerschap brengt. De leeftijdsgrens en de krachtmetingen duiden op een initiatierite. Ook het ontvoeren van kinderen in een zak of mand, zoals in de Alpen gebeurt, doet daaraan denken. Het traditionele sinterklaasfeest is er, net als hier, doortrokken van vruchtbaarheidssymboliek. Voorbeelden zijn de roe(de) en de dubbelzinnige rol van de schoorsteen als doorgang naar de vruchtbaarheid in oude seksueel getinte sinterklaasliedjes. Bovenal zijn in de sinterklaasriten sporen van een vooroudercultus terug te vinden. Achter de vermommingen schuilen de overledenen, die jaarlijks orde op zaken komen stellen, via gedichten, ondervraging en speciale rituelen. Ze wekken de natuur uit haar winterslaap en verdwijnen daarna weer naar de ‘onderwereld’. Het festival van Sunneklaas op Ameland lijkt een levende verwijzing naar de prehistorie.

Lang geleden, in 1983, mocht ik zelf meedoen als wegbereider. We fladderden door de straten. “We hebben roeden en één meter lange metalen ‘roepers’”, noteerde ik destijds. Wanneer ik mijn lippen tegen het mondstuk van de roeper duwde en blies, kwam er een schorre barenswee uit: gnorren, een trillend, rochelend geluid. Een van mijn medewegbereiders, pensionhouder en tevens muziekleraar, toverde ook klaroentonen. Met natrillende lippen trok ik door de donkere straten en zwaaide met mijn roede.

In de opengestelde huizen komen de sunneklazen bij.

“Bàààà”. Een vrouwelijk gemekker klonk op uit de deel. We gingen er dreigend op af en ik trompetterde als een olifantenkalf. De deur werd half opengestoten. Er klonk gestommel en onderdrukt gelach. Langs de wand stonden vier silhouetten, oplopend in grootte. De pensionhouder tikte drie keer met zijn stok op de grond. De vrouwen moesten van de baanvegers en sunneklazen over de roede springen. Deden ze dat niet, dan kregen ze een tik op hun benen; bleven ze weigeren, dan werd zo’n tik wat harder. Ook voor mij maakten ze dezelfde jojoënde beweging. “In het hooi zitten er nog een paar”, zei de pensionhouder. We slopen door tuinen, over erven en we bezochten donkere huiskamers. Ik was in een primitief ritueel beland, maar dit was nog slechts voorspel.

Terug naar 2013. Een uur lang is het doodstil. Slechts het gekrijs van meeuwen en het huilen van de storm. Kille nevel rolt over de duinen. Op de tast ontwijk ik stapels dakpannen die door de storm op de weg zijn gewaaid. De vrouwen en kinderen mogen in dit uur onder begeleiding van een man naar een van de ongeveer vijftien open huizen en vijf cafés lopen. Als dat uur voorbij is, zijn ze buitenshuis tot de vroege ochtend ‘pakbaar’, oftewel vogelvrij.

Na dat uur wordt de kroegdeur opengestoten. Een schokgolf gaat door het aanwezige vrouwengezelschap. De nacht brengt opgewonden loeiende figuren – nek, handen, alles bedekt. Ze dragen een afzichtelijk, verstard mombakkes. Achter het masker levendige ogen. Drie of zes keer dezelfde grimas, als wezens uit een andere wereld. Vier schimmen met witte puntmuts sluiten aan, en opeens staat de dansvloer vol monumentale figuren in rijk bewerkte, kleurige papieren mantels. Ze ontspannen zich met een biertje en maken dierlijke geluiden bij het weggaan.

Op een driesprong in het dorp tref ik nog zeventig sunneklazen. Er zijn er alleen al in dit dorp honderden. Ze naderen elkaar dreigend en geven een hand met daarin een polsdikke stok, waarmee ze die van de ander naar de grond proberen te drukken. Met hun vrije hand houden ze hun toeter aan de mond, waarmee ze loeien en rochelen. Allerlei gemaskerde figuren gaan elkaar in extase te lijf. Het zijn ruwe schapenwollen monsters met duivels behaarde voeten die vechten met de heksen van het Oerd, het onbewoonde duingebied. Sommigen zijn vermomd als kardinaal. Vikingen strijden tegen katten. Met hoge, verdraaide toeterstemmen geven de sunneklazen commando’s. Tijdens het voesten of ‘vuisten’ wordt de volwassenheid getest. Hier en daar hangen in hotels en kroegen lijsten met namen van jongens die ervan worden verdacht nog geen 18 jaar te zijn en toch mee te doen of te speulen. Als ze worden ontdekt, worden ze hardhandig maar huis gedirigeerd.

Aan het begin van de avond komen de ‘baanvegers’ op straat. Ze zijn gehuld in witte lakens en gewapend met stokken die ze soms ratelend achter zich aanslepen. Het is hun taak vrouwen en minderjarigen van straat te jagen.

Een van de sunneklazen wordt door tientallen trompetterende gemaskerden hardhandig naar het ouderlijk huis gedreven: het blijkt een vrouw te zijn. In de nieuwbouwstraat vecht en scheldt ze met verdraaide stem wanhopig terug. Dertig ‘echte’ sunneklazen jagen hun vernederde slachtoffer achterom, gevolgd door een opgewonden menigte. Vroeger werden vrouwen die zich niet aan de regels hielden op de mesthoop gegooid.

De sunneklazen opereren in groepjes. In leegstaande zomerhuisjes wordt in het geheim maandenlang aan de pakken en maskers gewerkt. Al op de novemberkermis is fluisterend afgesproken wie met wie optrekt. “Als je op verjaardagen erover praat, krijgt iedereen een kleur. Mannen en vrouwen. Het is niet in woorden over te brengen, het zit in je hart, je leeft er een heel jaar mee”, zegt mijn informant. “Vrouwen die op de wal zijn gaan wonen, keren voor het ritueel terug. Vastelanders begrijpen dat niet. Een vreemde kan zich er niet in verplaatsen. Dat hebben wij ook veel liever. We zouden ook graag zien dat de veerboot op die dag niet voer. Buitenstaanders lopen het risico een pak slaag te krijgen als ze zich niet aan de regels houden. We slaan ze niet kreupel, maar ze doen het niet weer.”

“De sunneklazen zijn die avond de baas”, vertelt Piet Faber, lid van de Heeren van de Heerskamer, een genootschap van oudere notabele Amelanders. “Zelfs de burgemeester en de dokter wagen zich niet meer met de auto in de dorpskernen. Ze weigerden ooit een keer het groot licht van hun auto te doven. Het heeft vier minuten geduurd. Daarna kon de burgemeestersauto naar de sloop.”

Bovenstaand verhaal verscheen in het decembernummer 2014 van National Geographic Magazine.