Geschiedenis en Cultuur

Grote ontdekking: de poort van Isjtar in een Berlijns museum

De toegangspoort tot het machtige Babylonische koninkrijk werd opgegraven en daarna herbouwd in het Pergamonmuseum in Berlijn. maandag, 11 maart 2019

Door Felip Masó

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 1, 2019. 

Op 6 maart 1899 begonnen de Duitsers Robert Koldewey en Walter Andrae met hun archeologische opgravingen in Babylon onder auspiciën van de Duitse Vereniging voor de studie van het Nabije Oosten.

Het doel was de gebouwen te vinden van de mythische stad van koning Nebukadnezar II, zoals die zijn beschreven in de klassieke teksten en de Bijbel: de toren van Babel, de hangende tuinen, de enorme muren, de paleizen, de brug die de twee helften van de stad verbond... Beetje bij beetje legden de archeologen de overblijfselen van dit alles bloot. 

Wat ze alleen niet hadden verwacht, was een constructie die in geen enkele oude bron werd vermeld: de monumentale Isjtarpoort, de belangrijkste toegang tot het Babylon van de 6de eeuw v.C. De opgravingen gingen bijna ononderbroken door tot 5 maart 1917. In die jaren groef Koldewey de processieweg van de stad op, de tempels, het paleis van Nebukadnezar, de mythische toren van Babel en de eerder genoemde grote Isjtarpoort. Opmerkelijk genoeg werd de ontdekking van de poort eigenlijk al gedaan voordat de eerste schop de grond in ging, zoals Koldewey schreef: ‘Bij mijn eerste bezoek op 3 en 4 juni 1887, en opnieuw tijdens mijn tweede bezoek, op 29 en 31 december 1897, zag ik talrijke fragmenten van bakstenen met geglazuurd reliëf’. Die stenen bleken dus de overblijfselen van de decoratie van de beroemde poort te zijn. 

Geglazuurde bakstenen 

De poort van Isjtar werd opgegraven tussen 1902 en 1904. Het monumentale complex dat de poort verbond met de processieroute van Mardoek en het complexe stelsel van verdedigingsmuren werden volledig blootgelegd in 1914. Toen de opgravingen waren voltooid, konden de verschillende bouwfasen van de poort worden onderscheiden. In de oudste, die het werk was van Nabopolassar (626-605 v.C.), waren ongeglazuurde bakstenen met reliëf gebruikt. Deze werden tijdens een tweede bouwfase, nog steeds onder Nabopolassar, vervangen door geglazuurde stenen zonder reliëf. Uiteindelijk liet Nebukadnezar II, de zoon van Nabopolassar, op de voorgaande twee bouwfasen een nieuwe poort maken met geglazuurde bakstenen waarmee figuren van draken en stieren werden gevormd. 

Naast het onderzoek aan de gigantische poort richtten de archeologen hun aandacht ook op de decoratie van de bakstenen die oorspronkelijk de poort bedekten. Ze verzamelden tienduizenden fragmenten geglazuurde bakstenen en vulden er ongeveer negenhonderd dozen mee. Vanwege de Eerste Wereldoorlog moest al dit materiaal worden achtergelaten in Babylon, behalve één deel, dat naar de Universiteit van Porto werd getransporteerd. In 1925 overleed Koldewey, en na lange onderhandelingen slaagde Andrae erin deze instelling zover te krijgen de dozen met bakstenen over te dragen. De dozen kwamen aan in Berlijn tussen eind 1926 en begin 1927. Het jaar daarop werd Andrae benoemd tot directeur van de sectie Nabije Oosten van het Pergamonmuseum, waarmee hij de beschikking kreeg over een gigantische expositieruimte. Andrae besloot toen om de poort volledig opnieuw op te bouwen, zoals hij schrijft in zijn memoires: ‘Het leek mij de moeite meer dan waard om die muren op grootse wijze te restaureren. Ik moest het ministerie onder druk zetten, zodat ze het geld voor dit project ter beschikking stelden’. 

Om de autoriteiten van de waarde van het project te overtuigen, gaf Andrae opdracht een houten structuur te bouwen die bekleed was met papier. Hierop beeldde hij de poort in ware grootte af. Toen hij dit liet zien werd zijn project goed gekeurd en kon hij beginnen. De reconstructiewerkzaamheden van de Isjtarpoort begonnen in 1928 en werden uitgevoerd door een team van negen beeldhouwers en vormgevers. De duizenden fragmenten geglazuurde baksteen werden gewassen om het aanwezige zout te verwijderen. Daarna kregen ze een paraffinebad om de overblijfselen van het glazuur te verstevigen.

Stukjes van een puzzel 

Vervolgens werden de fragmenten ingedeeld in kleuren en vormen van dieren: een enorme puzzel. ‘We hadden steeds tussen de zes en zeven fragmenten van elke zijde van een reliëf,’ schreef Andrae. En de restaurateur en ik moesten twee vlakke fragmenten vinden die konden passen, te midden van honderden mogelijkheden’. Het doel was de dierenfiguren opnieuw samen te stellen uit de fragmenten van bakstenen die het best bewaard waren gebleven. Alleen als ze er zeker van waren dat een bepaald soort baksteen ontbrak, zetten ze er een moderne replica voor in de plaats. Na twee jaar geduldig werk hadden de restauratoren niet alleen de reconstructie van de Isjtarpoort af, maar ook de processieweg en delen van enkele aangrenzende paleizen. ‘In twee jaar tijd,’ herinnerde Andrae zich later, ‘hadden we dertig leeuwen, 26 stieren, zestien draken, twee delen van de voorgevel van de troonzaal en de façade van het geboortepaleis gereed, en hadden we ze gemonteerd in de zuidelijke vleugel. De processieweg en de Poort van Isjtar konden in 1930 worden ingehuldigd tijdens de viering van het honderdjarige bestaan van het museum, samen met het altaar van Pergamon. Sindsdien is het Babylon van Nebukadnezar te bezichtigen in Berlijn.

Lees het hele artikel in National Geographic Historia editie 1, 2019.