Geschiedenis en Cultuur

Vilcamamba, het verloren rijk van de Inca's

De Spanjaarden veroverden Cuzco, maar Inca-opstandelingen wisten nog veertig jaar te overleven in het hart van de Andes. Hun hoofdstad is nog altijd niet teruggevonden. donderdag 18 juli 2019

Door Maria del Carmen Martin Rubio
Uitzicht over de Heilige vallei van de Inca's vanuit Incastad Machu Picchu. Zeshonderd meter lager stroomt de Urubamba.
Manco Cápac, zoals hij werd getekend in het manuscript Historia general del Perú, een geschiedkundig werk van Martín de Murúa. 1616

De Inca’s vestigden zich halverwege of aan het eind van de 13de eeuw in de Andes. Zij waren afkomstig uit Taipicala, het huidige Bolivia, en stichtten een nieuwe stad in een Andesvallei: Q’osqo, ‘de navel’, een naam die later veranderde in Cuzco of Cusco. Daar riep Manco Cápac zichzelf uit tot koning en benoemde hij zijn opvolgers. Hij legde de eerste wetten van de regering vast en verklaarde dat hij de zonnegod op aarde vertegenwoordigde. 

Het waren de beginjaren van Tahuantinsuyo, het Incarijk. Vanaf de negende koning, Pachacuti Inca Yupanqui en zijn zoon Túpac Inca Yupanqui zou dit Zuid-Amerikaanse rijk een vergelijkbare rol spelen als het Romeinse Rijk in Europa. Beide hadden een enorme omvang en creëerden in veroverde gebieden een culturele eenheid door het instellen van gemeenschappelijke instituties. Het Incarijk strekte zich uit van de Ancasmayorivier in Colombia tot de Bío-Bíorivier in Chili, ruwweg het grondgebied van het huidige Ecuador, Peru, Chili en het noordwesten van Argentinië. Daar schiepen Incaheersers een rigoureuze sociale orde, die werd gehandhaafd door een oppermachtig leger met ijzeren discipline. Toch werd hun staat in 1534 door slechts 68 vreemdelingen omvergeworpen, die zonder weerstand het uitgestrekte gebied innamen. 

Dit klooster werd in Cuzco gebouwd boven op de zonnetempel van de Inca's, de Coricancha. Het fundament daarvan is te zien in de kromme muur op de eerste verdieping.

De oorzaak van de ondergang van Tahuantinsuyo lag in de jarenlange strijd om de troon van de twee zoons van de machtige heerser Huayna Cápac: Huáscar en Atahualpa. Hun strijd was begonnen in 1527 en had al vele doden geëist. Onder hen waren leden van de panacas, oftewel de koninklijke families, stadsbestuurders, en uiteindelijk Huáscar zelf, de erfgenaam uit Cuzco. 

De verweesde stad viel uiteindelijk in handen van zijn broer Atahualpa, die praktisch een buitenlander was. Al was hij volgens de kroniekschrijver Juan de Betanzos geboren in Cuzco, hij had bijna zijn hele leven in Quito doorgebracht, waar hij heerste over zijn eigen rijk. De chaos werd nog groter door de aanwezigheid van de vreemdelingen, die reden op onbekende dieren. Zij werden gezien als Viracocha’s: baardige bleke goden. Dit alles droeg ertoe bij dat de Inca’s amper tegenstand boden toen de Spanjaard Francisco Pizarro en zijn manschappen op 16 november 1532 Atahualpa gevangennamen. 

Het verzet komt op gang                       

Francisco Pizarro, veroveraar van Peru, op een Nederlandse gravure uit 1673.

Toen ze eenmaal van hun initiële verbazing waren bijgekomen, kregen de bewoners van het Andesgebied al snel een steeds grotere hekel aan de Spanjaarden. De spanning liep zo hoog op dat Francisco Pizarro, die vooruitgesneld was en in naam van keizer Karel V regeerde, zich gedwongen zag Túpac Huallpa (Toparpa) tot Incaheerser te benoemen. Túpac Huallpa was een vorst uit Cuzco, een zoon van Huayna Cápac, die kon bemiddelen tussen Pizarro en de inwoners van Tahuantinsuyo. Hij veronderstelde dat daardoor de gemoederen zouden bedaren, maar zijn plan mislukte, want de inheemse bevolking gehoorzaamde niet aan de nieuwe koning. Deze werd overigens algauw vergiftigd door een generaal van Atahualpa, Chalcuchima. Door meerdere doden en roofovervallen ontstond er een klimaat van onveiligheid in Nieuw-Castilië, zoals Tahuantinsuyo onder Spaanse vlag heette. Pizarro deed een nieuwe poging om de situatie te normaliseren door in 1533 een broer van de overleden Atahualpa tot nieuwe heerser te verkiezen. De vorst nam de naam Manco Inca aan, en in zijn begintijd streed hij voor de Spanjaarden en tegen de soldaten van Atahualpa’s leger uit Quito. Nadat hij de troon had bestegen, kreeg hij echter een nobel, geheim plan: hij wilde het rijk van zijn voorouders herstellen. Maar de vreemdelingen hadden inmiddels steden gesticht naar Spaans model, waar de inheemse bevolking een belangrijke rol speelde: ze werkten voor de Spanjaarden. In die nieuw sociale structuur zou het een zware klus zijn de Spanjaarden eruit te werken, voorzag Manco. Als Incaheerser was hij alleen in theorie de baas, en een marionet van Francisco Pizarro. 

Op een dag wist hij uit Cuzco te ontsnappen onder het voorwendsel dat hij op zoek ging naar een massief gouden standbeeld dat hij Hernando Pizarro had beloofd. Van die zoektocht keerde hij niet terug. Vrijwel meteen viel hij Spanjaarden aan die in de dichtstbijzijnde dorpen woonden en doodde hen. Vervolgens riep hij tweehonderdduizend mannen bijeen om het beleg rond Cuzco te slaan, in het jaar 1536. De belegering duurde dertien of veertien maanden. De troepen van de Incaheerser stonden op het punt de Spanjaarden te verslaan, maar uiteindelijk dolven ze toch het onderspit. Een andere belegering, uitgevoerd door zijn generaal Quiso Yupanqui bij de Stad der Koningen, eindigde eveneens in een nederlaag. 

Het Incafort van Sacsayhumán van waaruit Cuzco werd verdedigd toen de Inca-rebellen in 1536 de Spanjaarden belegerden.

De koning van de jungle                               

Manco gaf niet op. Hij riep zijn onderdanen bijeen en deelde mee dat hij had besloten een nieuwe oorlog te beginnen vanuit de jungle van Vilcabamba, een moeilijk begaanbaar, bergachtig gebied op 175 kilometer van Cuzco. Daar hadden zijn voorouders steden gebouwd ten tijde van de tiende Incakeizer, Túpac Inca Yupanqui. Manco zette koers naar Vilcabamba in gezelschap van een groot aantal landgenoten, vestigde zich in de stad Vitcos en begon een guerrillastrijd waarbij zijn legers reizigers op de wegen aanvielen en huizen in de bergdorpen vernielden. 

De Spanjaarden waren vastbesloten de rebellen neer te slaan. In 1539 viel Gonzalo Pizarro (Francisco’s broer) Vitcos aan; hij doodde veel van Manco’s mannen en kreeg zelfs zijn zoon, de kleine Titu Cusi, te pakken, al wist die later te ontsnappen. Vanaf dat moment voelde Manco zich niet meer veilig in Vitcos en ging hij met zijn onderdanen op weg naar Quito. Maar die verre bestemming zou hij niet halen. Bij aankomst in Huamanga (het huidige Ayacucho) zag hij overal Spanjaarden en keerde hij terug naar het berggebied Vilcabamba, waar hij verschillende steden stichtte, waaronder Vilcabambastad, dat hij tot hoofdstad van het rijk uitriep. Manco Inca regeerde tot 1544, toen hij werd vermoord door een aantal Spanjaarden en een mesties, die hij asiel had verleend. Bij zijn dood liet hij drie zoons achter: twee van hen rechtmatig, Sayri Túpac en Túpac Amaru, één onrechtmatig: Titu Cusi Yupanqui. 

Machu Picchu 101
Machu Picchu 101
Machu Picchu is een bewijs van de kracht en vindingrijkheid van het Incarijk. De stad is gebouwd zonder gebruik van mortel, metalen werktuigen of het wiel, en is een archeologisch wonder uit de oude wereld. Maar waarom is het gebouwd - en verlaten?

Zijn opvolger, Sayri Túpac, wilde de oorlog voortzetten, maar de Spaanse onderkoning Andrés Hurtado de Mendoza wist hem de jungle uit te lokken. Sayri Túpac ging in de Heilige vallei van de Inca’s wonen en er heerste vrede in Vilcabamba. Maar die was niet van lange duur. Zijn halfbroer Titu Cusi Yupanqui riep zichzelf uit tot Incaheerser en begon een nieuwe oorlog. De Spaanse autoriteiten gingen opnieuw onderhandelingen aan en als gevolg daarvan werden in 1568 monniken toegelaten. Die probeerden in Vilcabamba het evangelie te verspreiden. 

Het einde van Vilcabamba 

Veel van de bewoners van Vilcabamba lieten zich dopen, onder wie ook Titu Cusi, die in 1570 een ‘rapport’ schreef voor Filips II. Daarin legde hij uit hoe de opstand was ontstaan en vroeg hij de koning van Spanje om erkenning. Maar plotseling werd hij ziek en stierf hij binnen een dag. Sommige kroniekschrijvers menen dat zijn dood het gevolg moet zijn geweest van longontsteking, andere dat hij was vergiftigd door zijn kapiteins, die bang waren de jungle te moeten verlaten en de Spanjaarden te moeten gehoorzamen. 

Op de Plaza de Armas in Cuzco werden Atahalpa (in 1533, dood door wurging) en Túpac Amaru (onthoofd in 1572) geëxecuteerd.

Titu Cusi werd opgevolgd door Túpac Amaru. In die periode was Francisco de Toledo onderkoning van Peru, aan wie Filips II had opgedragen een einde te maken aan de opstand. Toledo stuurde een gezant naar Vilcabamba; de soldaten van Túpac Amaru doodden hem echter nog voor hij iemand had kunnen spreken. Toen Toledo daarachter kwam, zond hij eind mei 1572 een leger van 250 manschappen de jungle in onder leiding van generaal Martín Hurtado de Arbieto. Op 24 juni bezette een van zijn kapiteins, Martín García Oñez de Loyola, de hoofdstad, die vervolgens Túpac Amaru gevangennam, die toen hij werd aangevallen, opdracht had gegeven de stad in brand te steken. De Inca werd naar Cuzco overgebracht, waar hij ter dood zou worden veroordeeld en op het Plaza de Armas zou worden onthoofd. 

Na die gebeurtenissen liet de onderkoning een bestuur installeren in de nieuw gebouwde hoofdstad van Vilcabamba, San Francisco de la Victoria. Maar omdat de inwoners dit een ongezonde plek vonden, werd de stad naar een andere plek verplaatst, het huidige Vilcabamba la Nueva. Later zou de regio een Spaans district worden, een corregimiento. Na de Peruaanse onafhankelijkheid, werd Vilcabamba ingelijfd bij de Peruaanse provincie La Convención. Het rijk van de opstandige Inca’s was toen al in vergetelheid geraakt. In de loop van de tijd had de jungle zich meester gemaakt van de straten en steden die de laatste heersers van Tahuantinsuyo in het hart van de Andes hadden aangelegd. 

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 3, 2019. 

Lees verder

Titicacameer: Varen op 4000 m hoogte

Titicacameer: Varen op 4000 m hoogte

Helderblauwe hemels staan in groot contrast met de ijskoude nachten. Het glinsterende Titicacameer was voor de Inca's een heilige plek, nog belangrijker dan Machu Picchu.