De drooglegging: het ontstaan van het moderne gangsterdom

In 1919 slaagde de geheelonthoudersbeweging erin het 18de amendement op de Amerikaanse grondwet te laten aannemen. De productie, de verkoop en het vervoer van alcoholische drank werden verboden, met desastreuze gevolgen.maandag 16 december 2019

Door Enric Ucelay-Da Cal

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 4, 2019.

In 1919 slaagde de geheelonthoudersbeweging erin het 18de amendement op de Amerikaanse grondwet te laten aannemen. De productie, de verkoop en het vervoer van alcoholische drank werden verboden, met desastreuze gevolgen.

Vanavond, één minuut na middernacht, zal er een nieuwe natie geboren worden. De demon van de drank maakt zijn testament op. Een nieuw tijdperk breekt aan, een van heldere ideeën en fatsoenlijk gedrag. Slechte wijken zullen binnenkort tot het verleden behoren. De gevangenissen en strafinrichtingen zullen leeg blijven, we zullen er graanschuren en fabrieken van maken. Alle mannen zullen weer kaarsrecht lopen, alle vrouwen glimlachen, en de kinderen giechelen. De deuren van de hel zijn voorgoed gesloten.’ Zo sprak dominee Billy Sunday tot een menigte van tienduizend mensen die samen met hem de begrafenis van John Barleycorn (whisky, in de volksmond) vierden. Sunday was een voormalig honkbalspeler die zich bekeerd had tot militante prediker. Zijn aanhoorder was een gezelschap dat verlangend uitkeek naar een wet die drank met meer dan 0,5% alcohol verbood. Dit ‘nobele experiment’, zoals de voorstanders het noemden, was niet uniek voor de Verenigde Staten. 

In diezelfde tijd werden ook in andere noordelijke en protestantse landen (Noorwegen, Finland, Zweden, bepaalde delen van Denemarken) maatregelen genomen om de alcoholconsumptie aan banden te leggen. Maar in de VS hield die wet veel langer stand: dertien jaar. Met catastrofale gevolgen, waaronder een ongebreidelde groei van de criminaliteit en politieke corruptie. Hoe kon zo’n radicaal initiatief worden ingevoerd in de meest dynamische natie ter wereld?

Dubbele dreiging: emigratie en alcohol 

Om te begrijpen waarom de Verenigde Staten zo’n experiment ondernamen, moeten we teruggaan naar een tijd waarin veel Amerikanen de veranderingen in hun land maar niks vonden. En door de Eerste Wereldoorlog werden de veranderingen nog ingrijpender. Uit Zuid- en Oost-Europa kwam de ene golf immigranten na de andere, overwegend katholieken (Italianen, Ieren, Polen…) of joden. Velen brachten revolutionaire ideeën mee en vestigden zich in de grote steden aan de oostkust, zoals Philadelphia, New York of Boston. Tegelijk streken tienduizenden zwarten uit het Zuiden neer in de industriële centra in het midden van het land. Steden als Chicago en Detroit bijvoorbeeld, maakten een flinke groei door vanwege de oorlogsindustrie. Die vloedgolf veroorzaakte veel achterdocht in kleine plattelandssteden in het binnenland. De grote stedelijke agglomeraties werden met argwaan bekeken. De buitenlanders daar leken in verband te staan met criminaliteit – bendes die opereerden in etnische wijken in de grote steden. En er was angst voor politieke radicalen (denk bijvoorbeeld aan de ‘Red Scare’ die van 1917 tot 1920 de Noord-Amerikaanse maatschappij in zijn greep had als gevolg van de Russische Revolutie). Het platteland van Amerika, dat zich bedreigd voelde, reageerde door het omhelzen van traditionele WASP-waarden (‘White, Anglo-Saxon Protestant’). Die conservatieve reactie kwam voort uit een sfeer van xenofobie en nativisme, dat zich kristalliseerde tot wetten waarin immigratie uit Midden- en Oost-Europa werd beperkt.

Tegelijkertijd bereikte de Ku Klux Klan met ongeveer vijf miljoen leden een hoogtepunt in zijn bestaan. De drooglegging werd door meer mensen ondersteund dan ooit. In die tijd had bier de plaats van whisky ingenomen als populairste alcoholische drank (60 procent van de alcoholconsumptie). Bier regeerde in de saloons, bars of cafés die als ontmoetingsplaats functioneerden voor de gastarbeiders, die er kwamen voor een warme maaltijd, voor de post, voor telefoontjes of om hun waardevolle spullen op te bergen. In saloons werden bovendien politieke bijeenkomsten gehouden, en vaak werd er ook gegokt of werden de diensten van prostituees aangeboden. In die omstandigheden kon de salooncultuur rekenen op felle tegenstand van de militantste gereformeerde protestanten. Ze werden aangevoerd door vrouwen, die de campagne steunden vanwege het alcoholverbod (want het waren hun mannen die hun dagloon opmaakten aan drank), maar andere groepen waren net zo fanatiek in hun streven om de maatschappij te zuiveren. Een voorbeeld zijn degenen die streden tegen prostitutie en pornografie, zoals de New York Society for the Suppression of Vice, in 1873 gesticht door Anthony Comstock, of de Young Men’s Christian Association (YMCA). Saloons werden dus gezien als broeinest van armoede, zonde en criminaliteit, sociale kwalen waarbij vaak buitenlanders betrokken waren, meestal katholieken. Daarom stond de racistische Ku Klux Klan ook achter het alcoholverbod.

Een feministische triomf 

Het wekt geen verbazing dat in een en hetzelfde jaar, 1920, twee amendementen op de grondwet werden aangenomen, nadat ze door een meerderheid van staten waren geaccepteerd: het 18de, dat de destillatie en commercialisering van alcohol verbood, en het 19de, waarin het vrouwenkiesrecht werd erkend. Beide waren belangrijke overwinningen voor de sufragettes, goed georganiseerde feministes, die al sinds de jaren ’60 van de 19de eeuw streden voor het stemrecht. De activistes van de beweging voor het vrouwenkiesrecht hadden hun pijlen ook gericht op een verbod op alcoholische dranken.

Die waren immers de oorzaak van veel agressie van mannen tegenover hun echtgenotes en kinderen, en veroorzaakten een epidemie van armoede onder mensen van de lagere klasse, die geld uitgaven aan hun verslaving in plaats van het onderhoud van hun gezin. In de jaren ’70 van de 19de eeuw begon de Women’s Christian Temperance Union (WCTU) een fervente campagne voor een alcoholverbod en schaarde zich zo achter het in 1869 door de Prohibition Party genomen initiatief. Rond 1890 kwam daar de welkome steun bij van een zeer goed georganiseerde pressiegroep: de Anti-Saloon League. De drankholen werden aangevallen met gebeden – en soms letterlijk, zoals in het begin van de vorige eeuw, toen de beroemde activiste Carrie Nation met haar bijl biervaten te lijf ging. Intussen groeide het aantal voorstanders van de drooglegging en hun politieke invloed, die zelfs tot in het Witte Huis reikte. President Benjamin Harrison (1889-’92) en zijn vrouw Lucy waren teetotalers, oftwel T-total (Temperance-total: geheelonthouder), en in de presidentiële residentie werd geen enkele soort alcohol geschonken. De katholieken, een stedelijke minderheid van immigranten, waren tegen het verkoopverbod op alcohol. De Democraten, hun vertegenwoordigers in het Noorden, kregen de naam de partij te zijn van Rum, Romanism and Rebellion: van rum, roomsgezindheid en revolte.

Zeeën van alcohol 

De drooglegging in 1920 leidde tot een radicaal verbod op alle soorten alcohol (bier, wijn, zelfgestookte dranken met een hoog alcoholpercentage), met een paar uitzonderingen, zoals de miswijn van katholieke priesters en joodse rabbijnen (de lutheranen gebruikten druivensap). De nieuwe bepaling bij de grondwet werd een geopolitiek probleem, want de Verenigde Staten werden omringd door producenten van sterkedrank. Canada produceerde zijn eigen whisky met wat rogge. De door Engeland gekoloniseerde Caribische eilanden, van Jamaica tot Barbados, stookten rum, en de Bahama’s lagen op een natuurlijke smokkelroute: vanaf daar was het maar vijftig zeemijlen naar de kust van de VS. Op Cuba, negentig mijl van de uiterste punt van Florida, werd rum bereid, net als op de Franse en Nederlandse eilanden in het Caribisch gebied. Uit Mexico, aan de overkant van de Rio Grande, kwamen tequila en mescal. 

Om alcohol te smokkelen had je alleen wat geld nodig om drank in te kopen en moest je beschikken over een vrachtwagen of een snelle boot. Het was een lucratief handeltje, met een fantastische opbrengst vanwege de spotprijs van de handelswaar op de plek van herkomst, en de prijs die duizenden dorstige consumenten bereid waren te betalen. Zo kwam het dat er overal criminele bedrijfjes ontsproten die alcohol aanboden, een product waarnaar de stadsbewoners hevig verlangden. In New York waren voor 1920 nog maar 15.000 saloons tegenover 32.000 speakeasy’s (illegale bars) niet veel later. Om een netwerk op te zetten voor de distributie van de drank waren alleen een paar sterke, betrouwbare mannen nodig, beginkapitaal en goedkope wapens uit oude oorlogsvoorraden. De activiteit van de benden – smokkelen met vrachtwagens of boten, de distributie in stedelijke gebieden – was aanvankelijk heel lokaal, maar algauw ontstonden er conflicten om de macht in bepaalde territoria. De benden (gangs, oorsprong van het woord gangster) werden een afspiegeling van etnische relaties: Italianen, Ieren, joden… De relaties tussen de gangs waren complex. Zo hadden in de belangrijkste distributiecentra voor alcohol in Chicago en New York de Sicilianen de macht gegrepen, maar in Detroit, een grensstad, waren de joden van de Purple Gang al voor de drooglegging heer en meester. De strijd tussen benden leidde tot een businessmodel voor misdaad: een soort zwijgend akkoord tussen Italianen, joden en Ieren om elkaars invloedssferen te erkennen en zo de winst te verdelen. Dat is wat de pers rond 1929 ‘het syndicaat’ noemde, The Syndicate: georganiseerde misdaad, die in de plaats kwam voor wat tot op dat moment The Mob werd genoemd. Want niet alles kon worden opgelost met een Thompson-mitrailleur. Het was maar al te duidelijk dat onderlinge afspraken noodzakelijk waren. 

Het geweld dat was ontketend in de machtsstrijd in Chicago was geëindigd met het Valentijnsdagbloedbad: het neerschieten van zeven mannen in een garage. Op die manier wilde de toen al beruchte Alphonse ‘Al’ Capone op 14 februari 1929 zijn rivaal Bugs Moran lozen. Vanwege de wreedheid van de misdaad, de verslaggeving in de media en de straffeloosheid waarmee de criminelen konden handelen in die stad, zag de federale regering zich verplicht in te grijpen. Het machtige netwerk van Al Capone viel deels uit elkaar, omdat de leider vastzat vanwege belastingontduiking, het enige delict waar ze hem op konden pakken. Capone moest uiteindelijk zijn straf uitzitten op het gevangeniseiland Alcatraz. Tot op dat moment had hij geprofiteerd van de immuniteit die hij had verkregen door politieagenten en lokale politici om te kopen. Die corruptie ging zo ver dat hij publiekelijk de burgemeester van Cicero (de gemeente waar hij woonde en die grensde aan Chicago) ervan langs gaf toen die het waagde een beslissing te nemen zonder hem te raadplegen. Door de enorme hoeveelheid geld waarover de gangsters beschikten – Capone verdiende meer dan zestig miljoen dollar per jaar – konden ze agenten corrumperen en ook allerlei hogere autoriteiten omkopen. Het Amerikaanse ministerie van Financiën, dat aanvankelijk verantwoordelijk was voor de strijd tegen alcoholsmokkel, moest 706 van zijn agenten ontslaan en er werden er 257 aangeklaagd.

Een faliekante mislukking 

Het gebrek aan middelen en de corrupte autoriteiten waren niet het enige probleem: de meeste mensen, vooral in grote steden, waren ervan overtuigd dat de drooglegging een stommiteit was, door rednecks met achterlijke religieuze overtuigingen opgelegd aan hen, wereldwijze stedelingen. De sfeer die ontstond was niet bevorderlijk voor het respecteren van de wet: uit die tijd stamt de term scofflaw – van scoff, spotten, en law, wet – die iemand aanduidt die wettelijke regels in de wind slaat. Bovendien ging de bevolking massaal aan de alcohol. Jonge stadsbewoners, in het bijzonder universitaire studenten, beschouwden drinken en dronken-zijn als leuke vrijetijdsbesteding, een soort elegante ledigheid, met als voorbeeld de schrijver Francis Scott Fitzgerald en zijn vrouw Zelda, die allebei permanent dronken waren. In 1927 was het maar al te duidelijk dat het ‘nobele experiment’ een faliekante mislukking was. Maar welke politicus zou dat durven toegeven? Bij de presidentiële verkiezingen van 1928 werd de gouverneur van New York, Alfred E. Smith, verkozen als kandidaat voor de Democraten. 

Hij was wet (‘nat’, dat wil zeggen tegen de drooglegging) en katholiek. In een traumatisch verkiezingsproces verloor Smith van de quakerkandidaat Herbert Hoover, een protestant die niet bereid was politiek kapitaal in te leveren door concessies te doen aan de eisen van de drinkers. Bij de presidentsverkiezingen van 1932 ten slotte, stelde Smiths opvolger als gouverneur van New York, Franklin Delano Roosevelt, zich op als voorstander van verandering. Hij werd verkozen door een overweldigende meerderheid en in maart 1933 legaliseerde hij bier met een alcoholgehalte van 3,2% (wat we tegenwoordig light zouden noemen), en vergelijkbare wijn en cider. Het 18de amendement werd vervangen door een nieuw amendement, het 21ste, en door de inkomsten uit accijnzen beschikte de regering over meer middelen voor de strijd tegen de Grote Depressie, die in die periode het land teisterde. De georganiseerde misdaad ondertussen, bleek geen enkele moeite te hebben met de overschakeling naar andere inkomstenbronnen.

Lees verder

De honderd dagen van Napoleon Bonaparte

Na een jaar ballingschap op Elba keerde Napoleon onverwacht naar Frankrijk terug voor de restauratie van zijn keizerrijk.

De geboorte van de democratie

In de 6de eeuw v.C. werd Athene geregeerd door de tiran Peisistratos en zijn zonen. De verbannen staatsman wist de stad in 510 v.C. te bevrijden. Zijn radicale politieke hervormingen maakten van Athene de bakermat van de democratie.