Heksenjacht in Schotland

In de 16de en 17de eeuw was Schotland het toneel van verschillende golven van heksenvervolgingen. Bijna altijd waren de slachtoffers vrouwen die door marteling werden gedwongen om bekentenissen af te leggen van wandaden die ze niet hadden begaan.

Door Julian Goodare
Foto's Van Kevin Ainlie/Getty Images
Gepubliceerd 26 okt. 2020 13:46 CET, Geüpdatet 5 nov. 2020 06:20 CET
Deze imposante vesting, die rond 1350 is gebouwd, was de schuilplaats van Maria I Stuart. De ...

Deze imposante vesting, die rond 1350 is gebouwd, was de schuilplaats van Maria I Stuart. De ruïne bevindt zich op vijf kilometer ten zuidoosten van North Berwick in Schotland. Daar kwam het in 1590 tot de eerste golf van heksenwaan. Meer dan honderd mensen werden beschuldigd van hekserij.

Foto van Kevin Ainlie/Getty Images

Dit verhaal verschijnt in National Geographic Historia editie 5, 2020

Eind 16e eeuw was de bevolking van Schotland ervan overtuigd dat de duivel actief was in hun land. Wanneer het stormde, er vee doodging of mensen stierven aan besmettelijke ziekten, zagen ze daarin de hand van de duivel. Satan wilde de samenleving van binnenuit vernietigen en ronselde daar zijn handlangers voor. Deze helpers van de duivel waren de heksen. Autoriteiten twijfelden er niet aan dat ze moesten worden uitgeroeid om het land te behoeden voor meer onheil.

Schotland was niet het enige land dat eind 16de en 17de eeuw ten prooi viel aan de angst voor hekserij. Sinds het idee dat heksen de duivel aanbaden meer voet aan de grond kreeg ik de 15de eeuw, waren heksenjachten uitgegroeid tot een ware epidemie. Bourgondië, Italië, Zwitserland, Duitsland en Scandinavië maakten heksenvervolgingen mee. Ook de Reformatie bracht geen verandering in dat patroon; de protestanten joegen net zo verbeten op heksen als katholieken. De machthebbers wilden laten zien hoe godsvruchtig ze waren. Ze waren er oprecht van overtuigd dat onrust en onlusten het werk waren van de duivel.

In de verte is Edinburgh te zien, omlijst door de Salisbury Crags in Holyrood Park. Vanaf hier is ook Dalkeith te zien, het dorp waar volgens een Engelse reiziger 'alle heksen worden verbrand'. 

Foto van Kevin Ainlie

Golven van hysterie

Schotland was in die tijd een onafhankelijk koninkrijk. Wel deelde het land vanaf 1603 zijn vorst met Engeland, maar pas in 1707 maakten beide landen deel uit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië. In 1560 ging het Schotse parlement over tot het protestantse geloof. Drie jaar later werd een wet aangenomen waarin op hekserij de doodstraf kwam te staan. Vanaf dat moment barstte er een nietsontziende repressie tegen hekserij los, maar van massale vervolgingen was pas sprake aan het eind van de eeuw. Tussen 1590 en 1662 was Schotland het toneel van vijf verschillende perioden van heksenvervolging: 1590-'91, 1628-'31, 1649-'50, en 1661-'62. Zo'n 2500 heksen werden ter dood gebracht. In aanmerking genomen dat er destijds ongeveer een miljoen mensen in Schotland woonden, komt dat neer op een aantal terechtstellingen dat vijf keer zo hoog was als gemiddeld in de rest van Europa.

De eerste van die hysteriegolven begon in 1590 nadat Geillis Duncan, een vrouw uit een dorp ten oosten van Edinburgh, de verdenking op zich had gelaten dat ze beschikte over geneeskrachtige gaven. Toen ze werd gemarteld, noemde ze de namen van haar vermeende medeheksen. Later trok ze haar bekentenis in, maar de hysterie was toen al losgebarsten. Het jaar daarop verklaarde een van de door Duncan beschuldigde vrouwen, Agnes Sampson, dat in 1590, in de nacht van Allerheiligen, tweehonderd heksen bijeen waren gekomen in de kerk van North Berwick, een plaatsje dicht bij Edinburgh. De heksen waren er zwevend naartoe gekomen en ontmoetten daar de duivel. Die sprak hen toe, waarbij hij de heksen aanspoorde om de val van de Schotse koning Jacobus VI voor te bereiden.

De zware storm die de zeereis van Jacobus teisterde toen hij zijn bruid Anna van Denemarken ging ophalen, zou een gevolg zijn van deze actie van de heksen. Volgens Agnes Sampson waren er ook Deense heksen betrokken bij het oproepen van het noodweer. Toen de koning en zijn raadslieden lucht kregen van deze verklaringen, raakten ze ervan overtuigd dat Schotland werd bedreigd door een samenzwering van heksen. Voor Jacobus was dit in zekere zin vleiend, want het leek erop dat de duivel hem beschouwde als zijn grootste vijand op aarde. Geillis Duncan en Agnes Sampson waren twee van de vrouwen die terecht werden gesteld. Het is niet bekend hoeveel personen er ter dood werden gebracht, maar er werden hoe dan ook meer dan honderd namen genoemd.

In de 12de eeuw werd het gebouwd als klooster en eeuwenlang was het de officiële residentie van de Schotse koningen. Maar nadat Jacobus VI in 1603 tot koning van Engeland was gekroond, zou het paleis nooit meer als hof dienen. 

In 1597 volgde een nieuwe golf van heksenfobie. Ook ditmaal werd gezegd dat de heksen een samenzwering vormden tegen koning Jacobus. Margaret Aitken, die 'de grote heks van Balwearie' werd genoemd, zei dat ze een speciaal zintuig had waarmee ze andere heksen kon herkennen. Zo werden vele vrouwen ter dood veroordeeld nadat Aitken ze als heksen had aangewezen. Later werd Aitken echter ontmaskerd als bedrieger. De heksenjagers maakten hierdoor geen goede beurt. Deels als reactie op dit fiasco publiceerde Jacobus VI in hetzelfde jaar nog zijn Daemonologie, een traktaat over de hekserij. In het boek legde de vorst uit dat de duivel de leider vas van de gevallen engelen die, eenmaal veranderd in demonen, een pact sloten met mensen aan wie vervolgens krachten werden verleend om kwaad te doen door magie. In het boek van Jacobus werd de hekserij een geheime samenzwering genoemd tussen mensen en demonen die zo veel mogelijk schade wilden aanrichten. De enige hoop die gelovige mensen restte in het aanzien van zo'n samenzwering, was het doen van een beroep op God en op de goddelijke macht van vorsten, zoals Jacobus zelf. 

Meer dan de helft van de heksenvervolgingen in Schotland speelde zich af in korte perioden van hysterie in het hele land. Na de twee hierboven beschreven perioden van heksenjachten volgde er een derde golf in 1628, die waarschijnlijk uit Duitsland was komen overwaaien. Tijdens de Dertigjarige Oorlog, die daar op dat moment op zijn hoogtepunt was, waren heksenvervolgingen er aan de orde van de dag. Een Engelse reiziger die in Edinburgh op doorreis was, Christopher Lowther, schreef een jaar later in zijn reisbeschrijving dat hij de Salisbury Crags had beklommen, even buiten Edinburgh. Vanaf die rotsen keek hij neer op Dalkeith, 'het dorp waar alle heksen worden verbrand', zoals hij optekende. Er werden in dit kleine dorp inderdaad veel gevallen van hekserij gemeld: veertien in 1628 en negentien in 1629. Buiten deze afgebakende perioden van hysterie, waren er voortdurend individuele gevallen van heksenvervolging.

Met het pamflet Newes from Scotland uit 1591 werd het Engelse publiek geïnformeerd over de belangrijkste gebeurtenissen van de heksenvervolging in North Berwick, die zich in de maanden daarvoor had afgespeeld. In de tekst valt te lezen over de processen tegen Geillis Duncan, Agnes Sampson en John Fian, die door de Schotse autoriteiten waren beschuldigd van hekserij. De tekst ging vergezeld van verscheidene houtsneden, die taferelen lieten zien uit hun door marteling afgedwongen bekentenissen. 

Foto van BRIDGEMAN/ACI. KLEUR: JOSÉ LUIS RODRÍGUEZ

Verwensingen en processen

In het algemeen gingen de vervolgingen uit van de kerkenraden van de presbyteriaanse kerk van Schotland. De ouderlingen waren meestal plaatselijke grondeigenaren, het laagste echelon van de regerende elite. De kerkenraden wilden de religieuze discipline van hun gelovigen verstevigen, vooral op het gebied van de seksuele moraal. Veel overspeligenen ontuchtplegers werden streng gestraft. Deze obsessie met ongeoorloofde seksualiteit werd geprojecteerd op de heksen. Die werden ervan beschuldigd dat ze gemeenschap hadden met de duivel, een misdrijf dat werd beschouwd als satanische ontucht. 

De kerkenraden waren geen tribunalen. Ze konden zelf weliswaar geen heksenprocessen houden, maar ze mochten wel verdachten arresteren en ondervragen, bekentenissen lospeuteren en proces-verbaal opmaken voor de tribunalen. Bepaalde vormen van volksgeloof die in de dorpsgemeenschappen van die tijd heel gewoon waren, werden bij de heksenprocessen als duivelse praktijken bestempeld. Dat overkwam bijvoorbeeld Katherine Craigie, die woonde op de Orkneyeilanden, een archipel voor de Schotse noordkust. In 1640 werd ze veroordeeld omdat ze tegen haar zieke buurman Robert Robson had gezegd: 'Ik heb ervoor gebeden dat je iets zou overkomen, en ik zie dat mijn gebeden zijn verhoord.' Desondanks besloot ze hem later toch te helpen en voerde ze een ritueel uit om vast te stellen 'of het een berggeest is, een geest ui de kerk of een watergeest die je kwaad doet.' Ze kwam tot de conclusie dat het een kerkgeest moest zijn geweest. Craigies verhoorders zagen dit als een blijk dat ze een pact met de duivel had gesloten, ook al zag zij het zelf anders.

In de 17de eeuw was 'goede' magie, bedoeld om mensen te helpen, heel gebruikelijk. In 1605 wist ene Patrick Lawrie in het graafschap Ayrshire, ten zuiden van Glasgow, een ziek meisje te genezen door onder meer haar gezicht toe te dekken en een kruis boven te slaan. Maar er waren ook mensen die een vloek uitspraken over hun buren, bijvoorbeeld als gevolg van een ruzie. Eveneens in 1605 zei Isobel Grierson uit Presontpans, vlak bij Edinburgh, tegen Margaret Donaldson: 'Moge je getroffen worden door het hellevuur, en moge je branden in de ketel van de hel.' Prompt werd Margaret ziek, een ziekbed dat negen weken duurde. Zowel Lawrie als Grierson kwam op de brandstapel terecht wegens hekserij. Het is zeker niet het geval dat de Schotten stonden te popelen om hun dorpsgenoten dit soort straffen te laten ondergaan. In het algemeen werden conflicten naar ieders tevredenheid opgelost, doordat er iemand bemiddelde en er vergiffenis werd geschonken. Maar aan de andere kant liet de bevolking het ook rustig gebeuren als er doodstraffen werden uitgedeeld. 

Portret van de vrouw van Jacobus VI in Schotland.

Foto van Marcus Gheeraerts, palace of holyroodhouse, Edinburgh 1614

Vervolgde vrouwen

De meerderheid van de van hekserij beschuldigde personen in Schotland, zo'n 85 procent, was door vrouw. Door vrouwen geuite verwensingen werden extra gevreesd, en als zo'n vloek ook daadwerkelijk werd gevolgd door tegenslag voor het slachtoffer, werd dat door de boerenbevolking gezien als bewijs dat hekserij daadwerkelijk bestond. Daarnaast ontstond er de neiging om misdrijven die door vrouwen waren begaan zwaarder op te vatten dan misdaden door mannen. Vrouwen werden dan al snel aangeklaagd als ongelovige of ketter. Het is veelzeggend dat van vrouwen die van hekserij werden beschuldigd, vaak werd gezegd dat ze gemeenschap hadden gehad met de duivel, terwijl er bij aanklachten tegen mannen geen seksueel element in het spel was. Al met al leek de mannelijke hekserij te worden beschouwd als een wat minder kwalijke variant.

Gedwongen bekentenissen

De bekentenissen van de vrouwen die van hekserij waren beschuldigd, droegen ertoe bij dat de mensen in hekserij bleven geloven en dat sommige staatshoofden meenden dat er gruwelijke samenzweringen tegen hen werden gesmeed. Die bekentenissen waren doorgaans door marteling verkregen. Tijdens een heksenproces werden de verdachten ook gedwongen om de namen van medeplichtigen prijs te geven, net als degenen die hadden deelgenomen aan hun ontmoetingen met de duivel, de heksensabbat. De martelmethode die het vaakst werd gebruikt, was slaaponthouding. Drie dagen zonder slaap vermindert niet alleen het vermogen om de verhoren te doorstaan, het veroorzaakt ook hallucinaties. Het is dan ook niet vreemd dat de in veel bekentenissen bizarre details werden geschetst, zoals mensen die in dieren veranderen, heksen die vliegen op strobalen en die over zee zeilden aan een net.

Zo staat er bijvoorbeeld in het vonnis van Margaret Watson, die in 1644 door de rechtbank in Lanark werd veroordeeld: 'U hebt bekend dat u aanwezig was bij verscheidene ontmoetingen met de duivel, samen met andere heksen; dat u en de andere heksen lichamen van overledenen opgroeven en ledematen bij hen amputeerden om daar uw duivelse praktijken mee uit te voeren; dat Mallie Paterson op een kat reed, Janet Lockie op een haan en uw tante Margaret Watson op een doornstruik, dat u zelf op een bundel stro reed en Jean Lachlan op een vlierstruik.' Dit zijn niet de nuchtere bekentenissen van leden van een werkelijk bestaande en goed georganiseerde groepering, maar fantasieën uit het brein van verwarde, angstige en geterroriseerde personen, die wanhopige pogingen deden om antwoorden te geven waar hun ondervragers genoegen mee zouden nemen.

In 1705 was het vissersdorp Pittenweem het toneel van de laatste lokale heksenjacht. In het plaatsje aan de Schotse oostkust had een smids leerling een jaar eerder last gekregen van stuiptrekkingen. Hij zei dat zijn toeval was veroorzaakt door zes vrouwen en een man. Zeker vier van hen werden gearresteerd en gemarteld. De man stierf uiteindelijk en de vrouwen kwamen vrij. Maar een van hen werd in 1705 alsnog door de menigte gelyncht.

Foto van Alamy/Cordon Press

Eerste begin van scepsis

Treurig genoeg voor de beklaagden vonden hun ondervragers deze bekentenissen geloofwaardig. Ze werden beschouwd als een bevestiging van wat de ondervragers al dachten: dat de duivel en zijn handlangers actief waren op aarde. Hoe meer heksen bekenden dat ze naar een heksensabbat waren gevlogen, des te vastbeslotener de heksenjagers werden om het land te verlossen van deze verschrikkingen. Hun logica was dodelijk. Wie onschuldig was, zou toch immers niet in staat zijn een dergelijke bekentenis af te leggen, of zelfs maar in staat zijn zoiets te verzinnen? Het kwam bijna nooit voor dat een vrouw schuld bekende zonder onder druk te zijn gezet. Maar andere bewijzen dan de bekentenissen waren niet te vinden, want de heksen voerden hun duivelse praktijken nu eenmaal in het geheim uit. Daardoor accepteerden de tribunalen de bekentenissen zonder aarzelen.

Aan het eind van de 17de eeuw begon de hysterie in Schotland af te nemen. Er waren nog wel processen, maar rechters en openbaar aanklagers begonnen steeds meer te betwijfelen of pacten met de duivel wel echt bestonden. Sir George Mackenzie, procureur-generaal van Schotland van 1677 tot 1686, was een groot scepticus. Hij deed er alles an opdat de heksen processen zouden resulteren in vrijspraak. In 1727 werd er voor het laatst iemand wegens hekserij terechtgesteld. Negen jaar later werd de hekserijwet uit 1563 geschrapt. De wet was de rechtvaardiging geweest van de vervolging van duizenden vrouwen en mannen, die werden gefolterd en ter dood gebracht in naam van de strijd tegen de duivel. 

Lees meer over heksenjachten in Schotland in de nieuwste Historia.

Lees meer