Het schrift van de Soemeriërs

In het vruchtbare Mesopotamië werd vijfduizend jaar geleden het schrift ontwikkeld. De Soemerische schrijvers leerden en ontwikkelden hun bijzondere vak in scholen.

Gepubliceerd 6 mei 2021 11:36 CEST
Assyrische schrijvers tellen de hoofden van hun vijanden. 7de eeuw v.C, British Museum, London.

Assyrische schrijvers tellen de hoofden van hun vijanden. 7de eeuw v.C, British Museum, London. 

 

Foto van GTRES

Dit artikel verscheen in Historia Magazine.

"Ik heb voorgelezen wat er op mijn tablet stond, ontbeten, en een nieuw tablet klaargemaakt, volgeschreven en afgerond. Daarna hebben ze me mijn voordracht uitgelegd en ’s middags hebben ze mijn schrijfopdracht toegelicht. Na de les ben ik naar huis gegaan. Ik heb mijn vader over mijn schrijfopdracht verteld en voorgelezen wat op mijn kleitablet stond. Mijn vader was erg tevreden. (...) Toen ik de volgende dag vroeg in de ochtend wakker werd, zei ik tegen mijn moeder: ‘Maak mijn ontbijt klaar, want ik moet naar school.’’

 

Gebedsteksten 

Een gouden votiefplaat die is opgedragen aan Shara, de beschermgod van de stad Umma. 24ste eeuw v.C., Louvre, Parijs. 

Foto van White Images/Scala

Iedereen die op school heeft gezeten en deze tekst leest, zal zich dit soort taferelen herinneren. Verrassend genoeg is deze getuigenis niet van een scholier uit onze tijd, maar van iemand die meer dan vierduizend jaar geleden leefde in het oude Soemer. Misschien is het zelfs een van de eerste getuigenissen waarin de grootste verwor­venheid van de geschiedenis van de mensheid wordt aangehaald: het schrijven. De tekst staat op een kleitablet dat is gevonden in de buurt van de Eufraat en de Tigris. Daar, in Mesopotamië, zag de revolutionaire uitvinding van het schrift rond het jaar 3200 v.C. het levenslicht.

In tegenstelling tot Egypte, waar het schrift vooral werd gebruikt voor religieuze en magi­sche doeleinden, was het in Soemer vanaf het begin nauw gerelateerd aan alledaagse aspecten van de samenleving. Op de oudste tabletten die zijn gevonden, werden bijvoorbeeld de inkom­sten en uitgaven van de tempels in de steden bij­gehouden. Er staan lijsten op met goederen, dieren en mensen. Het schrift was dus gekop­peld aan de nieuwe vorm van stedelijk leven, die in Mesopotamië vanaf het eind van het 4de millennium v.C. ontstond. Aanvankelijk was het schrift pictografisch en gebaseerd op tekeningen van voorwerpen en figuren, maar geleidelijk aan ontstond er een stelsel van steeds meer gestileerde tekens dat we spijkerschrift noemen. Uiteindelijk ontstonden rond de 14de eeuw v.C. de eerste bekende alfabetische stelsels.

Dur-Kurigalzu, de hoofdstad van het Kassitische Rijk 

In het 2de millennium v.C. werd Soemer veroverd door de Kassieten, die de lokale gebruiken en het schrift overnamen. Om de goden te vereren, bouwden ze in hun hoofdstad ziggoerats (tempeltorens) zoals deze. 

Foto van Georg Gerster/Age Fotostock

Hij die tekens inkerft

Bij het spijkerschrift werden wigvormige tekens met een rietpen in kleitabletten gekerfd. Gespe­cialiseerde vakmensen hadden de taak om de kunst van het schrijven te onderwijzen. Deze deskundigen waren de zogeheten schrijvers. In het Soemerisch werden ze aangeduid met de term dub.sar (tupsharrum in het Akka­disch), waarbij dub de drager was van het schrift (het kleitablet) en sar de handeling van het ker­ven. De definitie van een schrijver in het Soeme­risch was dus: ‘Iemand die [tekens] in een tablet kerft.’ Dankzij de zogeheten ‘schoolteksten’ – tabletten waarop de opdrachten van de leerlin­gen stonden met de correcties van hun leraren – en kopieën van beroemde literaire teksten, hebben we de wereld van de Mesopotamische schrijvers in spe van binnenuit leren kennen: het beroep, de studie, het huiswerk, de stress bij het leren van de les en hun pogingen om leraren te ‘paaien’.

Al met al is er een duidelijk beeld ontstaan van hoe het lezen en schrijven meer dan vierduizend jaar geleden werden onderwezen en aangeleerd in Mesopotamië. Maar daarvoor moeten we eerst twee grote clichés uit de wereld helpen die de beschrijving van Mesopotamische schrijvers tot nut toe hebben gekenmerkt: dat het allemaal mannen waren en dat ze een gespecialiseerde minderheid vormden.

Om te beginnen werd het schrijversvak niet alleen uitgevoerd door mannen. Mannen waren wel in de meerderheid, maar sinds de tijd van het Akkadische Rijk zijn ook er vermeldingen van vrouwelijke schrijvers die dezelfde opleiding hadden genoten als mannen. Zij werkten echter uitsluitend in paleizen of tempels. Daar bekleed­den ze hoge functies als zaakwaarneemster van edelvrouwen en priesteressen, en hielden ze zich bijvoorbeeld bezig met het opstellen van con­tracten, en de koop en verkoop van producten.

Ook heeft men lang gedacht dat de kunst van het schrijven was voorbehouden aan een kleine groep specialisten die pas na een lange studie­loopbaan in staat was het beroep goed uit te oefenen. Het aanleren van een ingewikkeld stel­sel van ongeveer zeshonderd tekens met moge­lijk meerdere betekenissen, zou slechts aan een intellectuele elite zijn voorbehouden. Dat zal in het begin zeker het geval zijn geweest; in de stad Girsu werden rond de 24ste eeuw v.C. maar dertig schrijvers geteld. Maar vanaf het eind van het 3de millennium v.C. konden al veel meer mensen lezen en schrijven. In het Akkadische Rijk (ca. 2334-­2154 v.C.) waren zo’n honderd schrijvers. Van een iets latere periode, de derde dynastie van Ur (2120­-2003 v.C.), weten we dat het er meer dan 1600 waren. Deze personen, die zowel konden lezen als schrijven, hadden verschil­lende achtergronden: van koningen, artsen en juristen tot rijke kooplieden en kleine hande­laren. Om hun werk goed te kunnen doen, waren deze vaardigheden onmisbaar.

Om deze relatief sterke democratisering van het schrift te begrijpen, is het belangrijk om te weten dat het basisniveau vereiste dat je onge­veer honderd tekens kende – 68 in de pre-Assyrische periode, 82 in de pre­-Babylonische periode, 112 in de nieuw­-Assyrische periode, enzovoort. Zo was het aanleren van spijker­schrift, althans op instapniveau, haalbaar voor iedereen die het nodig had in zijn dagelijks leven.

Koning Gudea van Lagasj

Van hem zijn veel diorieten beelden bewaard gebleven. De inscripties op dit exemplaar vermelden dat de stad Lagasj een bloeiperiode doormaakte tijdens zijn bewind.               2141-’22 v.C., Louvre, Parijs.

Foto van Christian Jean/RMN

Het beroep van schrijver 

Vanaf het moment dat het schrift in het oude Mesopotamië een plek kreeg als boekhoudkundig en cultureel instrument, werd schrijver een van de meest gerespecteerde en gewaardeerde beroepen. Het schrijverschap vereiste echter een gedegen opleiding.

De leerling en zijn schrijfleraar

Net als op een hedendaagse school leerden kinderen in Mesopotamië schrijven door oefeningen te doen om de tekens te onthouden en deze netjes op regels op te rangschikken. Zoals blijkt uit onderstaande Babylonische tabletten, schreven leerlingen voorbeeldteksten over die in de les door een docent werden behandeld.

Het tablet van de leraar 

Foto van Album

Het exemplaar van een leerling 

Foto van Album

Een stift en een kleitablet

Kleitabletten waren de dragers van het schrift. Daarin werden tekens gekerfd met een stift of een pen van riet, dat aan de oevers van de rivieren groeide. Het schrijfgerei werd steeds aangepast aan de vorm van de tekens (tekeningen die later spijkerschrifttekens werden), het gemak en het tempo van het schrijven (de schrijfrichting werd een kwartslag gedraaid) en steeds verdere vereenvoudiging (steeds minder wiggen). Deze veranderingen vonden plaats over een periode van vele eeuwen, waarin de Soemerische schrijvers hun schrift veranderden naargelang de behoeften van die tijd. 

De vader van de school

Bewijzen voor het bestaan van het schrift gaan terug tot de vroege Soemerische geschiedenis. Sinds het begin van de Urukperiode zijn les­teksten bewaard gebleven, zoals kopieën van tekens of woordenlijsten (lijsten met ideografi­sche en/of fonetische tekens, soms geordend per onderwerp, samen met hun vertaling in een bepaalde taal). Pas in de derde dynastie van Ur, en vooral tijdens het bewind van Shulgi (2094­-’47 v.C.), ontstond een heel nieuw lexicon dat gerelateerd was aan dit beroep, waaronder het woord dub.sar (schrijver) en het daarvan afge­leide é.dub.ba, te vertalen als het ‘huis van de kleitabletten’, of met andere woorden: de school. De oudste van deze ‘huizen’ stamt uit de tijd van Shulgi van Ur, die het voortbestaan wilde veiligstellen van de hymnen die aan goden en koningen waren gewijd. Tot dan toe werden die op beelden en andere votiefobjecten gegra­veerd, en gekopieerd op kleitabletten en rol­zegels. Shulgi bouwde het ‘Huis van de Wijsheid’, dat was gewijd aan Nisaba, de godin van het schrift. Schrijvers hielden zich er bezig met het kopiëren van deze heilige teksten, ‘opdat die nooit zouden worden vergeten’. In feite was dit dus niet zozeer een school waar werd lesgegeven, maar een school waar werd overgeschreven.

Uit de oud­-Babylonische periode (ca. 2000­-1535 v.C.) zijn meer details overgeleverd over het reilen en zeilen van het onderwijs in Mesopota­mië. Sommige deskundigen denken dat de Soe­meriërs geen scholen hadden in de moderne zin van het woord, maar een systeem van thuis­onderwijs waar schrijven als een van de vele vak­ken binnen de familie werd overgedragen, of werd onderwezen door privéleraren die de leer­lingen bezochten. Dit weten we dankzij de ont­dekking van tabletten in privéwoningen en de ietwat kinderlijke onderwijsterminologie van toen. Een leraar heette bijvoorbeeld um.mi.a of ad.da é.dub.ba, ‘vader van de school’. Zijn assis­tenten waren shesh.gal, ‘grote broers’, en leerlin­gen heetten dumu.é.dub.ba, ‘kinderen van de school’. Toch wordt in teksten ook melding gemaakt van specifieke ruimten waar werd lesgegeven.

Tabletten en cijfers 

De eerste Soemerische tabletten ontstonden rond 3200 v.C. Hier stonden geen teksten op, maar de voorraadadministratie van tempels en paleizen. Het gaat om simpele noteringen van de ontvangsten en uitgiften van diverse producten zoals vlees, gerst en bier, die worden weergegeven in pictogrammen.

Naarmate het spijkerschrift zich verder ontwikkelde, werden ook getallen weergegeven als wigvormige inscripties. De Soemeriërs combineerden het decimale stelsel (veelvouden van tien) met het sexagesimale stelsel (veelvouden van zestig).

Boekhoudkundige tablet uit ca. 3100 v.C.

Dit kleitablet uit Uruk is een goed voorbeeld van een boekhoudkundig journaal uit de vroege Soemerische tijd. De hoeveelheid verhandelde gerst en andere gegevens zijn erop vastgelegd, waaronder de naam van de verantwoordelijke ambtenaar.

Foto van Album

Leren schrijven

De tekst aan het begin van dit artikel gaat over een leerling die van huis vertrekt om naar school te gaan. Verderop in deze tekst wordt verteld dat hij of zij te laat komt. Om het goed te maken, nodigt de hoofdpersoon de leraar uit om te komen eten. Ook in andere teksten worden kinderen gestimuleerd om naar school te gaan: ‘Waar ben je geweest?’ ‘Nergens.’ ‘Als het klopt dat je nergens heen bent geweest, wat sta je hier dan te lummelen en je tijd te verdoen? Hup, naar school, meld je bij de vader van de school, bereid je les voor, pak je tablet en laat je grote broer je nieuwe tablet kalligraferen.’ Op andere tabletten worden leerlingen aangeraden om niet op straat te spelen als ze eigenlijk op school moesten zijn. Mogelijk bestond er zowel een particulier als een openbaar onderwijssysteem.

Teruggevonden teksten maken het moge­lijk om het niveau en het curriculum van Mesopotamische scholen te reconstrueren. Om te beginnen was er waarschijnlijk een vorm van basisonderwijs waarbij leerlingen meerdere fasen doorliepen. Eerst moest je het schrijf­gerei leren hanteren: het kleitablet (dub) en de stilus. Afhankelijk van waarvoor ze bedoeld waren, hadden tabletten uiteenlopende afme­tingen. De meest gebruikte tabletten waren zo groot als een handpalm en konden verschil­lende vormen hebben: rond, vierkant, ovaal of langwerpig. Maar er werden ook veel grotere tabletten gemaakt – de grootste mat dertig bij 46 centimeter. Andere waren juist piepklein. (Er is een tablet bekend van 2,2 bij 2,6 centimeter met meer dan dertig regels en 144 tekens!) De stilus­sen (gi.dub.ba, ‘het riet van/voor de tablet’) waren gemaakt van riet, hout, bot of metaal. De vorm ervan evolueerde samen met het schrift. In zijn uiteindelijke versie was de stift bovenaan cilindrisch om de cirkelvormige of halfronde tekens van de cijfers te kunnen maken, en aan de onderkant afgeschuind zodat de tekens bij het maken van de inscriptie wigvormig werden.

Zodra leerlingen wisten hoe ze met het schrijf­gerei moesten omgaan, gingen ze oefenen met diverse tekens. Eerst werden de afzonderlijke tekens geleerd en daarna combinaties ervan, van heel eenvoudig tot zeer ingewikkeld. Nadat de nodige handigheid was verworven, was het tijd om te oefenen met het kopiëren van eigen­namen en woordenlijsten (eerst alleen in het Soemerisch, maar vanaf het 2de millennium v.C. ook in het Akkadisch). In de volgende fase nam de moeilijkheidsgraad toe, omdat de diverse betekenissen van de tekens moesten worden aangeleerd. Dat was ook het moment wanneer werd begonnen met basale wiskundige kennis (rekenen) en juridische terminologie voor het opstellen van contracten.

Om de twee talen goed te leren beheersen en volledig tweetalig te worden, werd de eerste fase afgesloten met het kopiëren van korte literaire teksten in zowel het Soemerisch als het Akka­disch. ‘Een schrijver die het Soemerisch niet beheerst, is geen schrijver,’ zo luidt een spreek­woord dat op een tablet is gekopieerd. Afgestu­deerden konden als schrijver basistaken uitvoeren, zoals de boekhouding bijhouden en contracten opstellen. In een gevonden tekst schept een schrijver op over zijn kennis: ‘Ik kan mezelf goed staande houden in het Soemerisch: ik kan schrijven, rekenen, archiveren en boek­houden. En ik kan ook een gesprek voeren in het Soemerisch!’

Ontwikkeling van het spijkerschrift

1. De eerste pictogrammen 

Vanaf ca. 3200 v.C. worden voor het eerst oogstopbrengsten geregistreerd. Gerst werd op tabletten weergegeven met een pictogram in de vorm van een korenaar. De langgerekte groeven wijzen erop dat deze werd ingekrast met een puntige rietpen of stilus.

2. Horizontale tekens 

Rond 3100 v.C. pasten de schrijvers de schrijfrichting van de tekens aan en roteerden die een kwartslag naar links. Deze draai was een oplossing voor een praktisch probleem bij het schrijven: polsbewegingen werden hierdoor verminderd. 

Tablet met woordenlijst in Soemerische pictogrammen en Assyrisch spijkerschrift,     7de eeuw v.C. 

Foto van AKG

3. Een rietpan die niet 'vlekt'

De rietpennen hadden als nadeel dat resten van de weggekraste klei het tablet besmeurden. Daarom gingen schrijvers afgeschuinde pennen gebruiken waarmee tekens met kleine streepjes in het kleitablet konden worden gedrukt.

4. De schematisering van het schrift

Het spijkerschrift was gebaseerd op wigvormige tekens. Dit had uiteindelijk een schematisering van de tekens tot gevolg die steeds verder van de pictogrammen afweek. Het schrijftempo kon hierdoor omhoog. Gerst werd op het laatst met nog maar vier wiggen geschreven.  

Tablet van Koning Ur-Nansje uit Girsu. 26ste eeuw v.C. Louvre, Parijs. 

Foto van Album

5. Schrijven op horizontale regels 

Bij de eerste boekhoudkundige documenten zijn de tekens op elke tablet binnen vakken gegroepeerd. Rond 2300 v.C. begonnen schrijvers ze op horizontale regels te zetten, waarbij ze van links naar rechts schreven.

6. Letters die klanken weergeven 

Schrijvers beseften dat ze met tekens woorden konden vormen los van het voorwerp dat die weergaven. Zo werd she, het teken voor ‘gerst’, ook gebruikt in andere woorden waar deze lettergreep in voor-kwam, bijvoorbeeld she-erku, ‘vijgenkoek’.

Tablet met spijkerschrift uit Ebla, 24ste eeuw v.C. 

Foto van AKG

Het schrift is niet in één keer uitgevonden, maar is het resultaat van een reeks opeenvolgende innovaties, voortkomend uit de vindingrijkheid van de schrijvers. Op de eerste tabletten stonden boekhoudkundige administraties met wanordelijk gerangschikte pictogrammen (schematische tekeningen van voorwerpen). Beetje bij beetje werden die tekens versimpeld en op horizontale regels gerangschikt, net als in moderne boeken. Maar de belangrijkste verandering was de ontwikkeling van een tekenstelsel met fonetische waarden, waardoor het mogelijk werd om een complete gesproken taal op schrift te stellen.

Codex Hammurabi. Stèle uit de 18de eeuw v.C. met inscripties in het Oud-Babylonisch. Louvre, Parijs. 

Foto van Erich Lessing/Album

De Behistuninscriptie 

‘Ik ben Darius, koning der koningen, koning der volken. (...) Het was de wil van Ahura Mazda dat ik het koningschap verkreeg.’ Zo begint de inscriptie die de Perzische koning Darius I (521-485 v.C.) heeft laten uithouwen bij Behistun, in het westen van Iran, om zijn koningstitel te legitimeren en zijn militaire prestaties te herdenken. De inscriptie is vijftien meter hoog en 25 meter breed, en bevindt zich bovenaan een rotswand op ongeveer zestig meter hoogte. Op een afbeelding van drie bij zes meter lijkt Darius de Medische tovenaar Gaumata te vertrappen, omdat deze zich tegen hem had gekeerd.

Maar de afbeeldingen van dit reliëf zijn minder belangrijk dan de inscripties. Die zijn namelijk in spijkerschrift gekerfd in de drie officiële talen van het Perzische Rijk: Oudperzisch, Elamitisch en Babylonisch. De ontdekking van deze inscripties in 1835 door de Britse archeoloog Henry Rawlinson, was van onschatbare waarde. Door de enorme omvang ervan en het drietalige karakter, bleek het een soort Steen van Rosetta, op basis waarvan Rawlinson en andere geleerden de drie talen hebben kunnen ontcijferen en de moderne wetenschappelijke tak assyriologie werd gesticht.

Reliëf met inscripties in een rotswand bij Behistun, uitgehouwen in opdracht van de Perzische koning Darius I (6de eeuw v.C.)

Foto van National Geographic Historia

Specialisatie en discipline

Wie verder wilde studeren, kon na het basis­onderwijs doorstuderen op een hoger niveau. Tijdens deze vervolgstudie kon kennis over elk vakgebied – taal, literatuur, wiskunde, meetkunde – worden uitgediept of een bredere opleiding worden gevolgd. Op dit niveau moesten leerlingen een door de docent voor­gedragen dictaat kunnen opschrij­ven en mondeling kunnen herhalen. Op een tablet wordt melding gemaakt van een leerling die niet snel genoeg schreef: ‘Je hand kan je mond niet bij­houden.’ Leerlingen moesten ook grote fragmenten en complete composities van Soemerische literaire werken en hymnen kopiëren. Daarna kon je ervoor kiezen jezelf in een bepaald vak te specialiseren, tot je bijvoor­beeld een deskundige, waarzegger, exorcist, lees­priester, architect, of leraar was.

We weten niet op welke leeftijd kinderen naar school gingen en hoe lang een fase in het Mesopotamische onderwijs duurde. Maar op de tabletten staan soms interessante gegevens die een indruk geven van het dagelijks leven van Mesopotamische scholieren, vierduizend jaar geleden. Op een daarvan vertelt een scho­lier over zijn schoolkalender: ‘Ik heb drie dagen vakantie per maand en er zijn drie feestdagen per maand. Dat betekent dat ik 24 dagen per maand op school zit [de maanden duurden 29 en 30 dagen]. Dat is niet erg lang.’ Op andere tabletten worden jongeren aangespoord hun best te doen op school en op te houden met flierefluiten: ‘Denk je dat je succesvol wordt in het leven als je in openbare parken rondhangt? (...) Ga naar school, daar zul je veel baat bij heb­ben.’ Studenten kregen ook huiswerk mee: ‘Ze [de leraren] hebben me huiswerk gegeven, ze hebben me een handtablet [im.shu] verstrekt. Toen ik thuiskwam, ben ik met het handtablet naar mijn vader gegaan en heb ik de tekst aan hem voorgedragen. Daar was hij erg blij mee.’

Op school gold een strikte discipline: alle medewerkers, van conciërge tot leraar, moesten met respect worden behandeld. Oneerbiedig gedrag – opstaan of praten in de klas, te laat komen, te vroeg weggaan of je huiswerk niet goed maken – werd bestraft met lijfstraffen. Op een tablet wordt dat toegelicht: ‘Op school zei de dienstdoende conciërge tegen me: ‘Waarom ben je te laat?’ Bang en met kloppend hart ging ik naar mijn meester en boog respectvol voor hem.’

Na hun opleiding konden schrijvers aan de slag in allerlei functies. Maar hoezeer hun activi­teiten ook van elkaar verschilden, iedereen moest zijn tablet na afloop van het werk op dezelfde plaats bewaren: in een archief of een bibliotheek.

De wijze Assyrische koning Assurbanipal 

Assurbanipal, die veel waarde hechtte aan cultuur, was een van de weinige koningen die kon schrijven. In Nineveh stichtte hij een grote bibliotheek. Reliëf uit de 7de eeuw v.C.                 Louvre, Parijs. 

Foto van Scala Archives

Archieven en bibliotheken

Sinds het eind van de 19de eeuw hebben archeo­logen op bepaalde plaatsen tabletten gevonden die betrekking hadden op dezelfde personen of onderwerpen. Enkele van deze ‘archieven’ raak­ten in de Oudheid bedolven als gevolg van een ramp, zoals een brand of de verwoesting van een stad, en bleven achter in de toestand waarin ze voor het laatst waren gebruikt. Andere verzame­lingen van tabletten waren afkomstig uit ont­mantelde archieven die in de Oudheid waren gebruikt als vloer, of om muren mee op te vullen.

Sommige archieven waren privé. Deze behoor­den toe aan bepaalde families en zijn in privé­vertrekken teruggevonden. In zulke gevallen zijn de bewaard gebleven tabletten vaak zeer divers van aard en meestal onvolledig. De openbare archieven, die staatseigendom waren en in palei­zen en tempels zijn gevonden, bijvoorbeeld in Ugarit, Ebla en Mari in Syrië, dateren daaren­tegen vaak uit een specifieke periode en zijn meestal veel homogener en vollediger.

Afgezien van de archieven beschik­ten schrijvers ook over bibliotheken. Daar werden docu­menten verzameld in speciale ruimten waar ze werden opge­slagen in manden, kis­ten en kruiken, houten schappen en nissen van klei. Om ze snel te kunnen terugvinden, werden de tablet­ten per onderwerp geordend of werd er een etiket op geplaatst met het onderwerp van een groep teksten. Bij grote literaire werken werden de eerste woorden van het werk gekopieerd op de ‘rug’ van de tablet. Ook het nummer van het tablet, het aantal regels, de naam van de kopiist, de opslagplaats van het origineel en andere informatie werden soms aangegeven.

Privéwoningen hadden soms een eigen biblio­theek. Daarnaast waren er bibliotheken in open­bare gebouwen. Dat kon een tempel zijn, waar alle literaire en religieuze kennis van die tijd werd bewaard. Het bekendste voorbeeld is de bibliotheek van Nineveh, die in de 7de eeuw v.C. flink werd uitgebreid door de Assyrische koning Assurbanipal. In de bibliotheek zijn meer dan dertigduizend Assyrische kleitabletten en frag­menten van tabletten teruggevonden. De teksten omvatten een veelheid aan onderwerpen. Een van de beroemdste werken uit de collectie is het Gilgamesj­epos, dat teruggrijpt op een oeroud Soemerisch verhaal dat eeuwenlang van gene­ratie op generatie werd gekopieerd.

In Mesopotamië zijn ruim een half miljoen teksten gevonden op tabletten. Dat lijkt heel veel, maar het is relatief weinig als je bedenkt dat het gaat over een periode van minstens drieduizend jaar, waarin diverse beschavingen elkaar hebben opgevolgd. Het schrift is een van de belangrijk­ste verworvenheden van de menselijke geschie­denis. En wie nu iets opschrijft, neemt het stokje over van Mesopotamische schrijvers van vijf­duizend jaar geleden.

Dit artikel verscheen in Historia Magazine.

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.