Hoe houden ze het hoofd koel?

In de Kalahari, een gortdroge halfwoestijn in Zuidelijk Afrika, dreigt een heel ecosysteem uit balans te raken door stijgende temperaturen en verstikkende droogte.

Stokstaartjes zijn op elkaar aangewezen om te overleven. De wachters staan op de uitkijk, en dieren die lager in de pikorde staan, verzorgen de jongen van de alfavrouwtjes. Het is niet precies bekend wat de gevolgen van klimaatverandering voor de stokstaartjes zullen zijn, maar waarschijnlijk zal hun aantal afnemen.

Foto van Thomas P. Peschak
Door Leonie Joubert
Gepubliceerd 2 aug. 2021 15:01 CEST

Dit artikel verscheen in National Geographic Magazine 8/2021.

Onder het schijnsel van een zilverkleurige maan sieren twee silhouetten een landschap dat is gehuld in duisternis.

Geluiden galmen door in de nacht; het geratel van fluitgekko’s klinkt als een castagnettensalvo dat wegebt in het donker. Al uren zitten de silhouetten, twee vrouwen, zwijgend maar verwachtingsvol op een zandduin. De ene komt overeind, strekt haar benen en gaat weer zitten. De andere rekt zich uit en schommelt heen en weer, alsof ze een mantra prevelt. Hun zendapparatuur heeft de twee rond zonsondergang naar deze plek geleid in het zuiden van de Kalahari, een gebied dat lange tijd werd beschouwd als woestijn, maar beter kan worden omschreven als een droge savanne of halfwoestijn. Ergens onder hun voeten, in een doolhof van gangen, houdt zich een Kaaps schubdier schuil dat ze al twee maanden bestuderen. Het dier had eigenlijk al wakker moeten zijn – het is nu tien uur ’s avonds –, maar wellicht dat de hitte van vandaag voor wat opstartproblemen zorgt.

Onderzoekers Wendy Panaino (links) en Valery Phakoago bestuderen het hol van een aardvarken om te bepalen hoe voedzaam de insecten zijn die dit schuwe nachtdier eet. Inzicht in de voedselketen van de Kalahari kan de beheerders van Tswalu helpen om in te schatten hoeveel dieren er in het park zouden kunnen leven.

Foto van Thomas P. Peschak

Om het te kunnen volgen, heeft het schubdier een naam gekregen, Hopewell 3, genoemd naar de plek waar ze voor het eerst werd gespot door parkrangers en waar promotieonderzoekers Wendy Panaino (28) en Valery Phakoago (30) haar later wisten te vinden dankzij sporen in het zand. Sindsdien volgen wetenschappers Hopewell 3 met behulp van een zendertje dat aan een van haar rompschubben is bevestigd.

Vanavond zijn Panaino en Phakoago op zoek naar schubdierenpoep, door de onderzoekers ook wel Kalaharigoud genoemd. De uitwerpselen bevatten een schat aan informatie over het gras dat in de Kalahari groeit en de kleine insecten die ervan leven. Die kennis helpt wetenschappers te begrijpen hoe het leven met elkaar samenhangt op de droge Afrikaanse savanne, een keten die begint met de natte zomerperiode, meestal tussen november en maart.

Hun studie aan de Universiteit van de Witwatersrand in Johannesburg maakt deel uit van het Kalahari Endangered Ecosystem Project (KEEP), een grootschalig onderzoek naar het bedreigde ecosysteem van de Kalahari waarbij vooral wordt gekeken naar de gevolgen van klimaatverandering op het leven in deze streek. Dat dit deel van de Kalahari in de klimatologische gevarenzone ligt, was al bekend. Klimaatwetenschappers van de Universiteit van Kaapstad voorspellen dat de temperatuur in Botswana, even ten noorden van het foerageergebied van Hopewell 3, binnen tien jaar gemiddeld ruim twee graden zal stijgen wanneer de klimaatdoelen uit het Akkoord van Parijs niet worden gehaald. Stijgt het kwik op aarde gemiddeld met drie graden, dan zal het in de Kalahari maar liefst 4,2 graden warmer worden, iets wat het ecosysteem volgens experts niet aankan.

Woningbouwers zorgen ervoor dat allerlei soorten in de onherbergzame Kalahari kunnen overleven. Republikeinwevers delen hun nest met Afrikaanse dwergvalken, skinken en slangen. Aardvarkens zijn verwoede gravers die hun holen ook beschikbaar stellen aan onder meer jakhalzen, stekelvarkens, wilde katten, grondeekhoorns en zwaluwen.

Foto van Thomas P. Peschak

Een studie naar een andere termieteneter in deze duinen, het aardvarken, gaf tijdens de gortdroge zomer van 2012-’13 weinig aanleiding tot optimisme over het leven in de Kalahari. Het uitblijven van regen kan een hele reeks rampen in gang zetten: het gras verdort, mieren- en termietenpopulaties kelderen en alle dieren die van deze insecten leven, kwijnen weg of sterven door honger. Als een incidentele periode van zomerse droogte al zulke rampzalige gevolgen heeft voor deze twee insecteneters, wat zou een systematische druk op het gebied door langdurige droogte en hitte dan betekenen voor een ecosysteem waarvan gras de basis vormt?

De Kalahari is de grootste ononderbroken zandvlakte ter wereld, een golvende oceaan van duinen die door Botswana, Namibië en Zuid-Afrika loopt en is begroeid met gras, struiken en hier en daar een boom. Hier, aan de zuidrand van de Kalahari, schuren door de wind gevormde duinenrijen aan tegen kale kwartsietheuvels. Het gebied heeft de afgelopen decennia sterk te lijden gehad onder grootschalige landbouw, en met het veranderende klimaat lijkt zich een nieuw probleem aan te dienen. De kennis die Panaino en Phakoago opdoen over het mysterieuze dierenleven in deze duinen zal natuurbeschermers meer handvatten geven om de Kalahari te kunnen beschermen.

Hopewell 3 is het derde schubdier dat door onderzoekers werd gevonden op de vroegere Hopewell Farm, een van de vijftig voormalige ranches die tegenwoordig deel uitmaken van het Tswalu Kalahari Reserve, dat zo’n dertig jaar geleden werd opgericht. Met 119.000 hectare (zo groot als de Veluwe of de provincie Waals-Brabant) is Tswalu het grootste private wildpark van Zuid-Afrika, een overblijfsel van de weidse Kalahari die door de komst van landbouwbedrijven, wegen, en ijzeren mangaanmijnen versnipperd is geraakt. Behalve luxueuze gastenverblijven biedt het reservaat ook onderdak aan een onderzoekscentrum van KEEP, gerund door de Tswalu Foundation, een kenniscentrum voor wetenschappers die zich bezighouden met het bestuderen van semiaride gebieden. De vraag die in hun onderzoek centraal staat: hoe zal deze warme, droge halfwoestijn reageren op de onafwendbare gevolgen van de uitstoot van broeikasgassen, zoals verdere opwarming en toenemende droogte?

Hoe breng je een slang bij kennis? Nadat bij deze Kaapse cobra een zendertje is geïmplanteerd, blaast dierenarts Jessica Briner wat koolstofdioxide in zijn bek om het verdovingsgas uit zijn longen te verwijderen en de ademhaling weer op gang te brengen

Foto van Thomas P. Peschak

In de lente van 2020 wordt een troep gevlekte hyena’s losgelaten in Tswalu. Het uitzetten van roofdieren is belangrijk voor het evenwicht in dit wildpark. Het in 1990 opgerichte reservaat is een restant van de oorspronkelijke Kalahari, die versnipperd is geraakt door de komst van landbouwbedrijven, wegen en ijzeren mangaanmijnen.

Foto van Thomas P. Peschak

Het antwoord op die vraag is voor parkbeheerders van cruciaal belang om een goede balans te kunnen creëren tussen de hoeveelheid gras en de voedselbehoefte van de dieren die ervan leven – van insecten tot insecten etende schubdieren, en van antilopen tot antilopen etende carnivoren.

Voordat Hopewell 3 zich laat zien, zal ze zich eerst laten hóren. Dan is het eindelijk zover: boven het gekwetter van de gekko’s uit klinkt het gekras van het stugge gras tegen de schubben van een schubdier. Panaino en Phakoago komen overeind en richten hun hoofdlamp naar beneden, waarna Hopewell 3 ten tonele verschijnt als een actrice in de spotlights. Haar pak van beschermende platen begint smalletjes boven haar neusbrug, loopt breed uit naar haar schouders, bolt over haar ronde rug heen en eindigt bij een brede, platte staart met een gekartelde punt. Wanneer ze schrikt, rolt ze zich heel strak op tot een bol die zelfs een leeuw maar met moeite open zou krijgen. Maar ze schrikt niet. Op haar stevige achterpoten waggelt Hopewell 3 over het duin, sporen achterlatend in het zand. Haar voorpoten houdt ze voor haar borst en zet ze alleen op de grond als ze haar evenwicht verliest.

Een schubdier komt pas uit zijn hol zodra het donker is en verorbert wel vijftienduizend mieren en termieten per nacht – zo’n 5,5 miljoen per jaar. Maar de hoeveelheid insecten is afhankelijk van de conditie van het gras, de levensader die alle schepsels in dit zandlandschap met elkaar verbindt. Het uitblijven van de zomerregen zou funest zijn voor de vegetatie.

Foto van Thomas P. Peschak

Wanneer het ’s zomers onweert in de Kalahari, kan het enorm plenzen. Als gevolg van de neerslag leeft het hele gebied op, zo ook de sabelsprinkhaan Acanthoplus discoidalis. Gras en insecten vormen in Tswalu een belangrijk onderdeel van de voedselketen.

Foto van Thomas P. Peschak

Haar bolronde oogjes glinsteren boven haar kegelvormige snuit, die ze heen en weer beweegt wanneer ze de grond besnuffelt. Met haar fantastische reukvermogen heeft ze de eerste gang van vanavond snel gevonden: swartwipgatmieren. Ze krabt aan de stam van een kameeldoornboompje en rukt een nest open dat achter de schors verborgen zit. Prompt schiet er een stoet mieren langs de stam omhoog.

Ze steekt haar snuit in de mierenstroom en slobbert met haar lange, kleverige tong haar avondeten op. Hoeveel mieren ze per hap naar binnen werkt, is niet te zien, maar Panaino weet na vijf jaar onderzoek dat nog geen derde van wat het dier vanavond opschrokt uit mieren bestaat. De rest is duinzand. Ook weet Panaino dat Hopewell 3 naast swartwipgatmieren graag schubmieren en oogsttermieten naar binnen werkt.

Panaino heeft berekend dat een schubdier gemiddeld vijftienduizend insecten ter grootte van een rijstkorrel per dag eet. Dat dieet voorziet in vrijwel alle vocht en voedingsstoffen die het nodig heeft om in dit droge klimaat te overleven. Tevreden over haar eerste hapje, struint Hopewell 3 verder, op jacht naar de volgende gang. De onderzoekers volgen in haar kielzog, op jacht naar goud.

Oktober is in het zuidelijk deel van de Kalahari een spannende maand: zal het gaan regenen en is er genoeg voedsel? De droge winter van 2020 loopt op zijn einde en het gras dat de duinen op hun plaats houdt, is zo broos als fijne fossielen. De winter heeft zijn tol geëist. De duinen verkeren in slechte staat, niet alleen door alle perioden van droogte, maar ook doordat ze decennialang zijn begraasd door vee en de laatste jaren door wild, zoals antilopen, zebra’s, buffels en gnoes. De voorspellingen beloven een natte zomer. Aan de andere kant van de wereld, in de Grote Oceaan, is La Niña op komst, een cyclische dans tussen de oceaan en de atmosfeer die doorgaans regen brengt in zuidelijk Afrika. Het is het zachtaardige zusje van de verzengende El Niño, en Tswalu hunkert ernaar.

Zodra dit stokstaartje de sprinkhaan van zich heeft afgeschud, eindigt het insect misschien wel als zijn tussendoortje. Jonge stokstaartjes blijven achter in gewicht bij te warm weer, mogelijk doordat de insecten die ze dan eten minder vocht bevatten. De kleintjes verliezen bovendien vocht doordat hun lichaam hard moet werken om hun temperatuur.

Foto van Thomas P. Peschak

Op de staalkaart van een schilder heeft het zand misschien de tint van pompoen of wortel, of neigt het naar abrikoos wanneer de zon laag aan de horizon staat. Maar de omgeving mag dan wel de kleur van een moestuin hebben, even vruchtbaar is ze niet.

Gras is de belangrijkste bouwsteen van het leven in deze voedselarme oceaan van zand. Het zorgt ervoor dat de duinen weerstand bieden tegen de wind en niet wegwaaien. Het zuigt vocht uit de grond en slaat het op in zijn vezels, als dorstlesser voor de mieren en termieten, die op hun beurt weer ondergrondse voedselvoorraden vormen voor schubdieren, aardvarkens, grootoorvossen en aardwolven.

Gras is ook een onmisbaar bestandsdeel voor de luchtarchitecten van de Kalahari: de republikeinwevers die er nesten van maken die tot wel tientallen jaren meegaan. Hun hoogbouwwoningen bieden niet alleen onderdak aan vele generaties wevers, maar ook aan Afrikaanse dwergvalken. De vogels trekken weer hongerige Kaapse cobra’s en boomslangen aan. Gras is ook het voer van hoefdieren, die op hun beurt worden gegeten door leeuwen, jachtluipaarden, luipaarden, wilde honden en andere roofdieren op de savanne.

De wedergeboorte van Tswalu begint zodra het gras weer opkomt na de eerste regen. Gemiddeld brengen de hoosbuien 325 millimeter neerslag per jaar, maar ze zijn berucht om hun grilligheid. Zo valt er in sommige jaren niet meer dan 175 millimeter, terwijl er in andere jaren ruim zeshonderd millimeter naar beneden komt. Voorheen reageerden wilde dieren op die wisselvalligheid door grote afstanden af te leggen, vaak achter de regenwolken aan, omdat ze wisten dat die sappige weiden beloofden. Maar tegenwoordig stuiten ze op de omheiningen die veehouders hebben neergezet, en zit het resterende wild gevangen in reservaten zoals het Tswalu Kalahari Reserve.

Eind 2020 kwam er een einde aan een jarenlange periode van droogte, waardoor de rode duinen weer begroeid raakten. De Kalahari warmt veel sneller op dan de rest van de wereld, en veel klimaatmodellen voorspellen dat het er nog droger zal worden, vooral in de zomer.

Foto van Thomas P. Peschak

En dat is niet de enige verandering. De afgelopen halve eeuw zijn de temperaturen in sommige delen van zuidelijk Afrika twee keer zo hard gestegen als het wereldwijde gemiddelde. Volgens de South African Weather Service waren 2015, 2016 en 2019 de heetste jaren sinds minimaal 1950. In januari 2016 steeg het kwik in Augrabies Valle, 250 kilometer ten zuidwesten van Tswalu, tot 48,6 °C. Dat is ‘een van de hoogste temperaturen die ooit zo hoog boven zeeniveau op het zuidelijk halfrond zijn gemeten’, zegt Stefaan Conradie, klimaatonderzoeker aan de Universiteit van Kaapstad, en de ‘op een na hoogste betrouwbaar gemeten temperatuur in heel zuidelijk Afrika’. Zonder klimaatverandering zou een hittegolf als die van 2015-’16 maar eens in de tienduizend jaar voorkomen, zegt hij.

Wat de stijgende temperatuur betekent voor de hoeveelheid neerslag is moeilijk te voorspellen, maar in dit deel van Afrika zal de zomerse regentijd waarschijnlijk later beginnen en korter duren. Ook zullen de buien vermoedelijk heviger worden, met meer kans op overstromingen. En tussen de buien door zullen zich langere perioden van droogte voordoen.

Hoe pakt dit uit voor het kwetsbare systeem van dieren en planten in het zuidelijk deel van de Kalahari? Wat gebeurt er als het jarenlang niet regent, als het zó droog wordt dat ’s zomers het gras niet meer groen kleurt? Wat betekent dat voor de mieren en termieten die de zomer gebruiken om hun ondergrondse provisiekast vol te stouwen met zaden en gras? En als de insectenpopulaties achteruit hollen, wat zijn daarvan de gevolgen voor schubdieren – die op veel plaatsen in zuidelijk Afrika ook al worden bedreigd door stropers – en andere mieren etende zoogdieren?

Deze foto, gemaakt met een lange sluitertijd en tijdens een onweersbui, laat zien hoe nachtvlinders vliegen. Onderzoekers hebben 221 verschillende soorten motten geteld in Tswalu. Sommige komen uit hun ingegraven cocon tevoorschijn zodra de bodem zacht is geworden na een regenbui. In het reservaat komen ook 77 vlindersoorten voor, waarvan er tien elk jaar door het reservaat heen vliegen tijdens wat wel de Kgalagadi-vlindertrek wordt genoemd.

Foto van Thomas P. Peschak

Het aardvarken lijkt regelrecht te zijn weggelopen uit een nonsensgedicht: het heeft de snuit van een varken, de oren van een ezel en een onmogelijk lange kop. Het heeft de huid van een kale man en de wimpers van een dragqueen.

Het aardvarken is een echte graafmachine. Met zijn klauwen als drilboren werkt het dier zich door keiharde grond heen wanneer het holen maakt of nesten vol smakelijke insecten openrijt. Als een heuse deelwoning stelt het aardvarken zijn hol ook beschikbaar aan allerlei andere dieren – jakhalzen, Kaapse cobra’s, pofadders, pythons, grondeekhoorns, muizen, wilde katten, knobbelzwijnen, zwaluwen, tapuiten –, die daardoor de extreme omstandigheden in de Kalahari het hoofd kunnen bieden.

Nora Weyer, eveneens verbonden aan de Universiteit van de Witwatersrand, werkte van 2012 tot 2015 aan haar promotieonderzoek naar de aardvarkens in Tswalu. Ze verzamelde mieren met kleine, in de grond verborgen vallen en zocht naar de typische kegelvormige termietenheuvels om te zien hoeveel er van deze beestjes waren. Ze nam poepmonsters van aardvarkens om te achterhalen welke insecten ze aten en hoeveel, en stelde vast dat aardvarkens negentig procent van hun benodigde vocht en energie halen uit oogsttermieten. Ook hield ze met behulp van geïmplanteerde thermometertjes bij of de dieren genoeg energie hadden om de koude Kalaharinachten te doorstaan; ’s zomers kan de temperatuur er dalen tot 18,5 °C en ’s winters zelfs tot onder het vriespunt.

In doorsnee jaren, wanneer het regenseizoen zich op tijd aandient, krioelt het ’s zomers van het leven in de duinen. Dan gaat het fantastisch met de mieren en termieten, waardoor de aardvarkens kunnen eten zo veel ze maar willen. Maar in de eerste zomer van Weyers onderzoek, in 2012-’13, viel er in de allerwarmste maanden geen druppel regen. Over het geheel genomen was dat seizoen ook veel droger dan gemiddeld, waardoor Tswalu met karig gevulde voorraadkamers de winter tegemoet ging.

Het aardvarken – al net zo’n schuw beest als het schubdier – graaft holen en krabt de korstige bodem open om bij ondergrondse termietenkolonies te komen, een rijke bron van voedsel en vocht. Als het gras verdort en het aantal termieten afneemt, lijdt ook het aardvarken daaronder, bleek uit recent onderzoek.

Foto van Thomas P. Peschak

Toen Weyer tijdens haar observaties opmerkte hoe slecht het gras erbij stond, voorzag ze al dat de populatie oogsttermieten flink zou dalen. Ze kreeg gelijk: tegen het eind van de zomer waren de aardvarkens letterlijk vel over been. Normaal gesproken leven deze dieren in het donker, maar nu kwamen ze noodgedwongen overdag hun hol uit, op zoek naar het voedsel dat ze ’s nachts niet hadden kunnen vinden.

De geïmplanteerde thermometers registreerden schommelingen in lichaamstemperatuur, terwijl die constant hoort te zijn bij een normaal eetpatroon en energieniveau. Weyers vermoedde dat de dieren te weinig energie konden halen uit voedsel om zich ’s nachts warm te houden, iets wat ze leken te compenseren door zich overdag op te warmen in de volle zon.

Maar hoewel Weyers aardvarkens zich aanpasten aan de omstandigheden, zou het gros ervan het volgende regenseizoen niet halen. Van de zes dieren die in 2012 waren gezenderd, stierven er vijf in 2013. Weyer zag ook veel andere dode aardvarkens in het veld liggen, terwijl de overige dieren er mager en lusteloos uitzagen. De les van dit droge jaar was duidelijk: als de regen uitblijft, al is het maar één zomer, dan begint het weefsel dat het gras, de mieren en termieten en de insecteneters gezamenlijk vormen, vervaarlijk te rafelen.

Als Hopewell 3 haar eerste e portie swartwipgatmieren achter de kiezen heeft, maakt ze een rondje langs haar vaste stekken, met een aandoenlijk stoer loopje. Panaino gaat er op haar sneakers zo lichtvoetig mogelijk achteraan, terwijl Phakoago ergens anders gaat zoeken naar sporen van ingegraven mest. Na ongeveer een uur stopt het schubdier om een ondiep holletje in het zand te graven. Stralend van opwinding waarschuwt Panaino haar collega met lichtsignalen. Hangend boven het kuiltje produceert Hopewell 3 een bergje glanzend zwarte poep. Normaal gesproken raakt Panaino haar onderzoeksdieren niet aan, maar ze wil voorkomen dat Hopewell 3 met haar staart door het Kalaharigoud raust waardoor het vermengd zou raken met zand, dus tilt ze voorzichtig met één vinger de staart op.

Voor onderzoekers is het al moeilijk genoeg om zo’n schuw beest als het schubdier te vinden, laat staan de uitwerpselen ervan, die makkelijk verloren gaan in het zand. Zittend op hun knieën rapen de twee onderzoekers het kostbare goedje met blote handen op en stoppen het in een zakje. Ze vieren de vangst met een vreugdedansje en een geïmproviseerd liedje over de zojuist gevonden ‘pango poo’.

Een paar dagen later is Phakoago terug bij het onderzoekscentrum, bewapend met niet veel meer dan een emmer, een thermoskan, een zeef en een plastic bakje als draagbare laboratoriumuitrusting.

Ze pakt een gedroogd poepmonster dat twee maanden eerder is genomen, weegt het, laat het vervolgens in de emmer vallen, voegt wat water eraan toe en draait de emmer in het rond om de klompjes ontlasting als een volleerd goudzoeker te scheiden van het zand.

De mest lost op tot een koffiekleurig brouwsel, waarna een schuimlaag van lichaamsdeeltjes komt bovendrijven. De buit bevat voornamelijk mieren- en termietenkopjes, en een flinke verzameling van minuscule pootjes. Phakoago giet de vloeistof in een zeef, waarin een drab achterblijft die wel iets wegheeft van koffieprut. Later zal ze een monster daarvan onder de microscoop leggen om alle insectenkopjes te tellen, te kijken aan welke soort ze toebehoren en alles nauwgezet te noteren.

Op deze bewerkelijke manier stellen de onderzoekers vast waaruit het dieet van schubdieren en aardvarkens precies bestaat. En die kennis leidt uiteindelijk tot meer inzicht in de complexe relatie tussen de dieren in het wild en hoe die het beste kunnen worden beschermd. De droogte die in Tswalu heerste toen Weyer aan haar onderzoek werkte, leverde gegevens op om het dieet van aardvarkens in goede en slechte foerageerjaren in kaart te brengen. Daaruit kon worden afgeleid hoe de dieren hun gedrag aanpassen aan de voedselvoorziening. Panaino heeft uitgevogeld wat en hoeveel de schubdieren precies eten. Phakoago heeft mest van schubdieren en aardvarkens uit dezelfde seizoenen geanalyseerd om het eetpatroon van beide dieren te kunnen vergelijken.

Op basis van haar bevindingen – een schubdier eet in één nacht gemiddeld vijftienduizend mieren en termieten – heeft Panaino berekend dat het beest er in een jaar zo’n 5,5 miljoen wegwerkt. Tel daar de jaarlijkse mieren- en termietenconsumptie van het aardvarken en de aardwolf bij op, en je komt uit op een totaal van honderd miljoen insecten. Dat aantal zou nog veel hoger zijn als alle dieren worden meegerekend waarvoor mieren en termieten slechts een bijgerecht zijn. De republikeinwever leeft bijvoorbeeld overwegend van planten, maar een tiende van zijn voedsel bestaat uit termieten.

Op een avond luisteren Panaino en Phakoago nog tot laat in de avond naar hun radio, in de hoop dat Hopewell 3 of een van de andere gevolgde dieren actief zijn, als het weer ineens omslaat. Eerst verschijnt er alleen geluidloze schitteringen aan de horizon. Nog geen uur later schieten de bliksemschichten door de lucht boven de duinen. Dan breekt de hel los. Felle flitsen doorklieven de wolken en zetten de heuvels in een verblindend licht. Dikke druppels ploffen op de grond, waarna er in korte tijd flinke plassen water ontstaan in een oceaan van gortdroog duinzand. De lucht vult zich met een naar ijzer ruikende nevel. De onderzoekers besluiten dat het welletjes is voor vandaag; het is gevaarlijk om onbeschut de duinen in te trekken.

En nu de elementen zo tekeergaan, zullen ook de schubdieren waarschijnlijk wijselijk in hun hol blijven. Het crescendo is van korte duur. De periode tussen de lichtflitsen en het daaropvolgende gedonder wordt langer naarmate het onweer verder naar het oosten wegtrekt. Deze bui mag dan voorbij zijn getrokken, maar het zou de aftrap kunnen zijn van het regenseizoen, een startsein voor een landschap in bloei. Er zal jong gras aan de oppervlakte komen, met zaden die als dauwdruppels aan de halmen hangen. De dieren die afhankelijk zijn van dat gras zullen hun buik weer rond kunnen eten. En dan klinkt ook het geratel van de gekko’s weer, als golven die wegkwijnen in de nacht.

Dit artikel verscheen in National Geographic Magazine 8/2021.

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.