Milieu

Hoe één man Londen in een natuurpark wil omtoveren

Een ambitieus project vraagt aandacht voor het belang van ‘stedelijke’ natuur. donderdag, 9 november

Door Emma Marris

Wat is een natuurpark? Voor de meeste mensen is dat een aparte plek, een omheind natuurgebied binnen een wereld die steeds meer wordt gedomineerd door menselijke activiteiten en wordt ingericht om aan onze behoeften en wensen te voldoen. Maar ook een natuurgebied is eigenlijk bedoeld voor de mens: als een toevluchtsoord van rust voor de menselijke ziel, die de neiging heeft weg te kwijnen als het contact met groene en groeiende natuur verloren gaat.

De grote natuurvorser John Muir verwoordde deze dubbele bestemming al aan het begin van de beweging die tot de oprichting van nationale parken leidde. ‘Duizenden vermoeide, overspannen en overbeschaafde mensen beginnen zich te realiseren dat een bezoek aan de bergen een thuiskomst is, dat wildernis een noodzaak is,’ schreef Muir in 1901. En ons idee van een natuurgebied is, vooral in Noord-Amerika, Europa en Australië, sindsdien nauwelijks veranderd.

Daniel Raven-Ellison, de National Geographic-onderzoeker die zichzelf graag omschrijft als ‘guerrilla-geograaf’, wil daar verandering in brengen.

Raven-Ellisons thuis ligt niet in de bergen, maar in Londen, een stad die in het jaar 43 n.Chr. werd gesticht, tegenwoordig een metropool van bijna negen miljoen mensen is en waar gemiddeld 5400 inwoners op één vierkante kilometer wonen. Raven-Ellison voert nu campagne om die stad in z’n geheel tot nationaal park uit te roepen.

Ondanks zijn overvolle straten en alom aanwezige beton heeft Londen volgens hem veel kenmerken die we met natuurparken associëren. Als je niet alleen de officiële stadsparken maar ook achtertuintjes en ongebruikte stukjes grond meerekent, bestaat deze stad al voor 47 procent uit groene ruimte. Bovendien is de stad in biologisch opzicht zeer divers en – op veel plaatsen althans – zeer natuurlijk.

 

Op een wandeling door het Epping Forest, aan de rand van de stad, kun je op een das, een vleermuis of een damhert stuiten. Rode vossen struinen door de straten en brengen hun welpen in achtertuintjes groot. De stad telt ongeveer 8,4 miljoen bomen: berken, linden, appelbomen, platanen, eiken, esdoorns en vele andere soorten. De Londense metro heeft zelfs zijn eigen biodiversiteit gegenereerd: Culex molestus, een mug die in metrotunnels tot een nieuwe soort evolueerde.

In tegenstelling tot de grote natuurparken is de stad Londen geen afgebakend natuurgebied zonder bewoners, huizen en auto’s. Maar dat geeft niet, zegt Raven-Ellison, het is gewoon een bijzonder kenmerk.

‘Londen is de plek in Groot-Brittannië met de hoogste biodiversiteit, juist omdat er mensen wonen,’ zegt hij. Waarom kan die verbluffende biodiversiteit niet net zo gewaardeerd worden als afgelegen gebieden met minder menselijke sporen?

‘Nationale parken in het regenwoud zijn heel anders dan natuurparken in woestijngebied,’ zegt hij. ‘Een stad is weer heel anders dan deze beide vormen van natuurparken, maar daarom niet minder waardevol.’ Door de definitie van een natuurpark te herformuleren hoopt Raven-Ellison onze ogen te openen voor de natuur die we al om ons heen hebben – en ons aan te sporen er méér natuur aan toe te voegen.

Biofiele steden

Raven-Ellison is niet de enige die pleit voor afschaffing van het concept waarin een wezenlijk onderscheidt wordt gemaakt tussen de mens en de vijf miljoen andere soorten waarmee we de planeet delen. Nu ruim de helft van alle mensen in steden woont, een aandeel dat jaarlijks toeneemt, wordt er steeds vaker gewezen op het belang van ‘stedelijke’ natuur.

Timothy Beatley, stadspanner aan de University of Virginia, leidt een consortium van ‘biofiele steden’ – waaronder Singapore, Wellington (Nieuw-Zeeland), Vitoria-Gasteiz (Spanje), Birmingham (VK) en San Francisco, Portland en Milwaukee (in de VS) – die zich hebben verplicht tot het bevorderden van een groeiend weefsel van groenruimten, biodiversiteit en ongerepte stukjes natuur binnen de stedelijke ruimte. De naam van de groep is ontleend aan het boek Biophilia (1986) van de bioloog E.O. Wilson. Daarin stelt Wilson dat de mens een aangeboren liefde voor de natuur en een band met andere soorten heeft, die voortkomt uit onze lange evolutiegeschiedenis, waarin de mens naast deze dieren leefde en er vaak van afhankelijk was.

‘De basisgedachte hierachter is dat natuur in steden geen optie is, maar van cruciaal belang voor het leiden van een gelukkig, gezond en zinvol leven,’ zegt Beatley. In zijn ‘biofiele’ steden worden bomen geplant, muren en daken van hoge gebouwen bedekt met mos en varens, en vogelvriendelijke ramen geïnstalleerd. In deze steden worden groenruimten met inheemse planten ingericht, of met niet-inheemse planten die bestuivers en andere wilde natuur bevorderen. En er wordt steun gegeven aan huizenbezitters die tuinen willen aanleggen met planten die tegen droogte kunnen en de wilde flora en fauna stimuleren.

Ook werken deze steden aan het verbeteren van het natuuronderwijs op school en moedigen ze bewoners aan om eens met een ander gezichtspunt de deur uit te stappen: weet je welke boomsoorten in jouw stratenblok staan? En welke vogelsoorten je in het stadspark ziet? Hoe lang is het geleden dat je een regenworm in je hand hebt gehouden?

Dat soort dingen zijn zelfs in Los Angeles mogelijk, de grootste, meest autovriendelijke metropool van het Westen. In het Natural History Museum van de stad zijn in het kader van een programma van burger-wetenschappers duizenden observaties van slakken, reptielen, eekhoorns en andere soorten in Los Angeles samengebracht en via sociale media en de app iNaturalist verspreid. En om kinderen een plek te geven waar ze ‘met hun voeten in een vijver kunnen bungelen of met hun handen in een compostberg kunnen rondwoelen,’ zal het museum ook een volle, zoemende en bloeiende tuin aanleggen, vertelt Lila Higgins, manager van het Citizen Science-programma.

E.O. Wilson was zijn tijd ver vooruit toen hij het idee van ‘biofilie’ voorstelde. Steeds meer onderzoek wijst erop dat het contact met de natuur de mentale en fysieke energieniveaus in de mens verhogen, mensen onbaatzuchtiger en welwillender maakt, het immuunsysteem stimuleert, stress vermindert en de bloeddruk verlaagt. Het ideeënlampje dat Raven-Ellison en Beatley willen aanzetten, is dat je de stad niet hoeft te verlaten om van deze dingen te kunnen profiteren.

“Het behoud van de helft van de aarde is niet alleen ambitieus is, maar ook haalbaar.”

Half Londen

Raven-Ellison heeft steun gezocht bij vooraanstaande Londense politici, onder wie burgemeester Sadiq Khan, voor zijn idee voor een ‘National Park City’. Zo’n park zou meer zijn dan louter een natuurpark in naam, legt hij uit. Dus geen visie die door de overheid is bedacht en dan via regels en wetten aan de bevolking wordt doorgegeven, maar een idee dat voorkomt uit een massabeweging van stadsbewoners. ‘Het is haalbaar met allerlei kleine en alledaagse initiatieven,’ zegt Raven-Ellison. ‘De mensen kunnen iets heel eenvoudigs doen: een gat in het hek maken om een egel door te laten, een oprijlaantje verrijken met vetplanten, de tuin een beetje laten overwoekeren.’

Het doel van Raven-Ellisons dat zich het best laat meten, is zijn streven om Londen van het huidige aandeel van groene ruimte (47 procent) uit te breiden naar 51 procent, iets meer dan de halve stad – een doelstelling die hijzelf los van de ideeën van Wilson uitwerkte, die in zijn meest recente boek, Half Earth, ook al voorstelde om de helft van de planeet te reserveren als ‘onvervreembare natuurreservaten’ en zo een halt toe te roepen aan de massale uitsterving van soorten die door de mens wordt veroorzaakt. Mensen zouden deze reservaten slechts af en toe mogen bezoeken, hoewel ze de natuur daar via webcams zouden kunnen observeren.

In een artikel dat vorige week in het vakblad BioScience verscheen, meende een internationaal team van natuurbeschermers dat het behoud van de helft van de aarde ‘niet alleen ambitieus is, maar ook haalbaar’ – mede dankzij de verstedelijking van de planeet, waardoor plattelandsgebieden in veel regio’s ontvolken en de natuur daar meer ruimte kan krijgen.

Om die doelstelling te kunnen verwezenlijken, zouden stadsbewoners moeten worden aangespoord om van de natuur te houden, niet alleen om de natuur de rug toe te keren en naar de stad te trekken. Naast afgegrendelde natuurgebieden die slechts per webcam te bewonderen zouden zijn, zouden er ook groene ruimten binnen de steden moeten komen, ruimten waar mensen dagelijks in contact met de wilde natuur zouden komen, door de natuur te zien, horen, ruiken en aan te raken. Volgens Raven-Ellison heeft een ‘Halve Aarde’ een ‘Half Londen’ nodig.

‘Als we willen dat toekomstige generaties zorgen voor de meest ongerepte en wilde natuur,’ zegt Raven-Ellison, ‘dan moeten ze die eerst tussen hun tenen en pal voor hun deur kunnen voelen.’

Lees meer