Milieu

Als bosbranden uitbreken, springt dit team meteen in het vuur

Om natuurbranden in afgelegen gebieden te bestrijden, laten de smokejumpers, een speciale eenheid van de Amerikaanse brandweer, zich met vijftig kilo bepakking boven het vuur droppen. maandag, 6 mei 2019

Door Mark Jenkins
Foto's Van Mark Thiessen

Dit artikel verschijnt in de mei 2019 editie van National Geographic Magazine. 

De zomerzon staat om kwart voor tien ’s avonds in Alaska nog hoog aan de hemel wanneer het telefoontje komt. 

De sirenes loeienwaarna de smokejumpers zich naar de kledingrekken haasten. Razendsnel hijsen de mannen zich in hun kevlaroverall. 

‘Eerste groep naar het toestel!’ roept een stem via de intercom. Itchy, Bloemker, O’Brien, Dibert, Swisher, Koby, Swan, Karp en Cramer staan boven aan de spronglijst. Het grootste deel van de avond hebben ze rondgehangen op hun basis in Fort Wainwright. De sfeer is licht gespannen, ze doden de tijd met melige geintjes tot ze uit een vliegtuig kunnen springen om een natuurbrand te bestrijden. 

Nu hebben ze exact twee minuten om zich in hun pak te hijsen en hun plek in het vliegtuig in te nemen. Geroutineerd gespen ze de knie- en scheenbeschermers vast, ritsen ze hun overall dicht en klikken het zware nylon harnas dicht. Alles wat ze nodig hebben zit al in de overall. Een zonnepaneeltje, een regenjas vol energierepen, vijftig meter touw en een zekeringsapparaat voor het geval hun sprong eindigt in een boom. Een ruim opbergvak ter hoogte van het zitvlak bevat een tentje en een zak waarin de parachute kan worden opgeborgen. 

Andere smokejumpers komen de mannen helpen hun parachute en reserveparachute om te hangen. Daarna pakken ze hun helm – met een metalen masker dat hun gezicht beschermt tegen takken – en een tas met onder meer een liter water, leren handschoenen, een veiligheidshelm, vuurpijlen voor het aansteken van beheerbranden, een mes, een kompas, een portofoon en een brandwerende zak die in noodgevallen bescherming biedt. 

Twee minuten na de sirene hobbelen de mannen, ieder beladen met zo’n vijftig kilo materieel en proviand, de startbaan op. Ze ogen misschien wat te zwaar bepakt, maar hun uitrusting is met de grootste zorg samengesteld en in het veld beproefd. De smokejumpers hebben alles bij zich om in de ruigste en meest afgelegen bosgebieden ter wereld branden te bestrijden. 

Terwijl de kakikleurige smokejumpers een voor een door de zijdeur in het vliegtuig verdwijnen, komen de twee turbines van de Dornier 228 gierend tot leven. In het ruim staan pallets vol blusapparatuur die straks ook worden gedropt. Het toestel stijgt op en de teamleider geeft via de portofoon de coördinaten van de brand door. De vliegtijd: een uur en 28 minuten. 

De herrie aan boord is oorverdovend, dus zitten de mannen zwijgend achter hun masker. Ze weten niet waar ze naartoe gaan of hoelang ze er zullen blijven. Hoe groot de brand is en of de wind voor gevaarlijke situaties gaat zorgen, weten ze evenmin. Ze weten alleen dat ze het gaan opnemen tegen een verwoestende en onvoorspelbare natuurkracht. 

Vijf minuten na het opstijgen gebaart spotter en missieleider Bill Cramer dat het tijd is voor de ‘pincheck’. Iedereen loopt de uitrusting van zijn springpartner op een vast aantal punten na. 

Als het toestel boven de poolcirkel vliegt, langs de zuidrand van het Brooksgebergte, zien ze in het bos onder hen een rookpluim, het gevolg van een blikseminslag. Cramer opent de vliegtuigdeur en neemt de situatie op: ‘Brand 320, zes hectare, zeventig procent actief, brand in sparren en moslaag daaronder, elf gebouwen op de noordelijke en westelijke oever van het Iniakuk Lake, 2,4 kilometer naar het westen.’ 

Op 450 meter hoogte cirkelt de piloot rond de brand. Cramer bepaalt de landingsplek en laat drie strookjes crêpepapier los. De felgekleurde lintjes, geel, blauw en oranje, vliegen door de lucht en geven zo informatie over de richting en snelheid van de wind. 

‘Naar de deuropening!’ roept Cramer. Jeff ‘Itchy’ McPhetridge (49) gaat als eerste in de deuropening zitten. ‘Opgelet!’ zegt Cramer. McPhetridge krijgt een tik op de schouder en werpt zich uit het vliegtuig, gevolgd door drie collega’s. Iets later laat de rest zich vallen. Als motten boven een kampvuur cirkelen ze onder hun valscherm richting het brandende bos. 

In zekere zin danken de parachutisten hun baan aan een boom die in augustus 1937, net buiten de oostrand van Yellowstone National Park, door de bliksem werd getroffen. Wat begon als een kleine brand, groeide uit tot de beruchte Blackwater Fire die vijftien brandweerlui het leven kostte en zevenhonderd hectare natuur verwoestte. Onderzoek van de U.S. Forest Service wees daarna uit dat je natuurbranden alleen kunt bestrijden als je ze in de kiem smoort. 

In de jaren dertig experimenteerde de Forest Service met het afzetten van ploegjes parachutisten in afgelegen gebieden, en op 12 juli 1940 kwamen de smokejumpers voor het eerst in actie in Nez Perce National Forest in Idaho. De VS telt vandaag de dag negen bases, waaronder die in Alaska, met in totaal 450 smokejumpers. 

‘In die begintijd werd duidelijk dat je niet moet wachten tot een brand duizenden hectaren beslaat. Je moet het team afsturen op branden niet groter dan een woonkamer. Dat spaart geld, bos, levens en eigendom,’ zegt Chuck Sheley, jumper in ruste en plaatsvervangend voorzitter van de National Smokejumper Association. ‘Die vuistregel hanteren we nog altijd.’ 

Doordat er steeds meer menselijke activiteit is in gebieden die vroeger heel afgelegen waren, is er de laatste jaren enige discussie over de inzet van de smokejumpers. Negentig procent van alle branden ontstaat binnen achthonderd meter van een weg en de meeste haarden zijn met een voertuig te bereiken. Maar in het binnenland van Alaska, een gebied twee keer zo groot als Zweden, zijn verreweg de meeste plekken uitsluitend via de lucht bereikbaar en daarom laat men veel branden er gewoon uitwoeden. Bedreigt een brand mensen en bebouwing, dan komen de smokejumpers in actie. 

Wie in Alaska wil toetreden tot het gilde van smokejumpers, moet voldoen aan ongekend hoge eisen. Van de circa tweehonderd kandidaten die zich jaarlijks aanmelden, komt slechts zo’n tien procent in aanmerking voor de basistraining. Kandidaten moeten vijf tot tien jaar ervaring hebben met het blussen van natuurbranden en moeten zestig sit-ups, 35 push-ups en tien pull-ups kunnen doen. Verder moeten ze vijf kilometer hardlopen in minder dan 22 minuten en 30 seconden en met vijftig kilo bepakking vijf kilometer kunnen lopen onder de 55 minuten. Alleen smokejumpers die een variant op deze test elk jaar met goed gevolg afleggen behouden hun plek in het team. (Momenteel zijn alle 64 smokejumpers in Alaska mannen, maar in voorbije jaren telde het team ook zeven vrouwen.) 

‘Alleen stressbestendige mensen komen in aanmerking,’ zegt Robert Yeager, die veel nieuwelingen heeft getraind. ‘Mensen die het hoofd koel weten te houden terwijl de stress, angst en adrenaline door hun lijf gieren, mensen die bereid zijn hun leven te wagen.’ 

Wie tot de vijfweekse training wordt toegelaten, weet al hoe je branden blust. Op het programma staat parachutespringen, waarbij wordt geleerd om adequaat in te spelen op de grilligheid van de elementen: de wind, de stand van de parachute, het terrein en de landingsplaats. Nieuwelingen maken minimaal twintig oefensprongen die worden gefilmd en nabesproken. Veertig procent van de selectie valt alsnog af. 

Maar wie deze loodzware training doorstaat, treedt toe tot een eerbiedwaardig gezelschap met leden als Willi Unsoeld, die als een van de eerste Amerikanen de Mount Everest bedwong, en Stuart Roosa, die de commandomodule van de Apollo-14-missie bestuurde. 

De smokejumpers landen op nog geen vijftig meter van de brand die inmiddels Fire 320 is gedoopt. Ook de pallets met materieel – kettingzagen, spaden, vuurzwepen, brandbijlen – bereiken de landingsplek. Nauwelijks hebben de mannen de kratten opengebroken, of de wind verandert van richting. 

‘Ineens draaide hij van noord naar zuid,’ hoor ik later van McPhetridge, teamleider bij deze brand. ‘Het vuur dreigde ons in te sluiten.’ 

Er is nu geen tijd meer de vrachtparachutes in te vouwen, de mannen richten zich meteen op de brand. Vlammen schieten omhoog langs sparren en vreten zich door het dorre mos. Het bos hangt vol rook. De mannen bewerken de rand van de brand met hun vuurzweep, een lange steel met rubberstroken aan het uiteinde, maar het is een droge zomer geweest en de dikke moslaag is een eersteklas tondel. Neergeslagen vlammen richten zich meteen weer op. 

‘Zo’n brand krijg je er zonder water niet onder,’ zegt McPhetridge. De mannen rennen naar een nabijgelegen riviertje en scheppen met hun helmen vier waterzakken vol van elk twintig liter. Terwijl de rest van het team zich weer naar de brand haast, sluit Evan Karp (36), een beer van een jumpermet een woeste baard, een waterpomp aan en rolt een brandslang uit. 

McPhetridge deelt geen orders of bevelen uit. ‘Iedereen weet precies wat hij moet doen,’ vertelt hij later. ‘Dat is het mooie van deze eenheid.’ 

Terwijl een van de jumpers de waterpomp bedient en de waterzakken steeds opnieuw vult, zetten vier mannen de aanval in op de linkerflank van de brand en drie op de rechter. Hoestend door de rook gaan ze langs de rand van de brand om vlammen neer te slaan en de ondergrond nat te houden. 

Geulen graven, bomen omzagen, keer op keer waterzakken legen: het is non-stop ploeteren. Tegen drie uur ’s nachts is de brand onder controle. Met het roet nog op gezicht en handen kruipen de mannen in hun slaapzak om een paar uur slaap te pakken. Om zeven uur de volgende ochtend hervatten ze hun strijd. Een paar mannen halen bomen neer om de smeulende en zwartgeblakerde brandplek verder te isoleren, anderen graven geulen met hun brandbijl. 

De eerste aanval is een succes. De brand is beperkt gebleven tot dertien hectare, een kleintje vergeleken met de enorme natuurbranden die in de VS vaak de voorpagina’s halen. Maar als er niet was ingegrepen, had het vuur zich kunnen verspreiden over honderden hectaren. McPhetridge belt een update door naar de basis en krijgt te horen dat zijn team wordt teruggehaald; brandweerlui uit de inheemse gemeenschap worden per helikopter ingevlogen om de boel af te ronden. Zij zullen, gravend en blussend, het aangetaste gebied nauwgezet nalopen om te controleren of het vuur echt uit is. 

Even voor negen uur ’s avonds worden de acht smokejumpers, een dag nadat ze hier met hun parachute zijn geland, per helikopter overgebracht naar Bettles, een gehucht tachtig kilometer verderop diep in het binnenland van Alaska. Missie volbracht. 

Althans, dat denken ze. 

Twee dingen gaan mis nadat de smokejumpers van Fire 320 zijn afgehaald. Om te beginnen blijft het materieel van de inheemse brandweerlieden steken in Fairbanks, waardoor ze de klus niet kunnen afmaken. Vervolgens blaast een felle noordenwind de smeulende resten nieuw leven in. De brand laait weer op, en de middag na hun vertrek keren de smokejumpers per helikopter terug. Tegen die tijd beslaat de brand al zestig hectare, en de mannen roepen dan ook meteen versterking op. 

Met de nieuw aangevoerde ploeg van acht smokejumpers creëren ze een brandbuffer langs de linkerflank van het weer opgelaaide vuur. De rechterflank wordt begrensd door de Iniakuk River. Maar het gebied is zo droog en er is zo veel dor mos, dat de brand zich niet laat neerslaan; daarvoor is heel veel water nodig. 

Om de vlammen terug te dringen roepen de smokejumpers de Fire Bosses op: vliegtuigjes die in de landbouw dienen om gewassen te bespuiten en die drieduizend liter water kunnen opnemen. Laag scheren ze over de brand, lossen hun watervracht en dan is het meteen terug naar het Iniakuk Lake. Daar glijden ze met 130 kilometer per uur op hun drijvers over het felblauwe wateroppervlak, nemen weer drieduizend liter in en keren terug naar de brandhaard. 

Maar deze brand laat zich niet temmen...

Lees het hele artikel in de mei 2019 editie van National Geographic Magazine.

Mark Jenkins schreef in september 2015 over de beklimming van de moeilijkste berg in Myanmar. Fotograaf Mark Thiessen maakt al 25 jaar reportages over brandbestrijding in alle werelddelen. 

Lees meer