Is een wereld zonder afval mogelijk?

Een wereld zonder afval lijkt een utopie. Maar het droombeeld van een circulaire economie vormt een bron van inspiratie voor bedrijven en milieubeschermers.

Foto's Van Luca Locatelli
Gepubliceerd 2 jun. 2020 10:51 CEST, Geüpdatet 5 nov. 2020 06:20 CET
De opslagcapaciteit van deze nieuwe vuilverbrandingsinstallatie in Kopenhagen is ruim 24.000 ton. Robotkranen mengen het afval ...

De opslagcapaciteit van deze nieuwe vuilverbrandingsinstallatie in Kopenhagen is ruim 24.000 ton. Robotkranen mengen het afval zodat de verbranding minder vervuilend is. Een schonere oven is een goed alternatief voor een stortplaats – maar in een circulaire economie is het streven om helemaal geen afval meer te produceren.

Foto van Luca Locatelli
Op Wereld Oceanen Dag staan we stil bij plasticvervuiling met onder andere de documentaire Plastic China. Kijk hier voor de programmering vanaf 20:00.
Dit artikel verscheen in de maart 2020 editie van National Geographic Magazine.

In het kit nabij het Amsterdamse Oosterpark zit ik op een frisse herfstochtend te praten met een man die me de onderstromen van ons leven laat zien: de enorme omvang aan ruwe grondstoffen en producten die, met alle prachtige en schadelijke gevolgen van dien, door 7,7 miljard mensen worden gebruikt. Een eeuw geleden, toen er nog volop koffie, olie en rubber uit Nederlands-Indië werden verscheept, werd dit gebouw neergezet om het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) te huisvesten. Tegenwoordig is het een onderkomen voor diverse non-profitorganisaties. Marc de Wit (39) werkt voor een ervan, Circle Economy. De organisatie maakt deel uit van een actief internationaal netwerk dat streeft naar het hervormen van vrijwel alles wat we de afgelopen twee eeuwen hebben bereikt. Gemeten vanaf de opkomst van de stoommachine, ‘als je per se een beginpunt wilt hebben’, aldus De Wit.

Marc de Wit is oorspronkelijk opgeleid tot chemicus. Hij slaat een flyer open met een diagram dat hij ‘een röntgenfoto van de wereldeconomie’ noemt. Natuurlijke ecosystemen hebben de vorm van een kringloop: planten groeien in de bodem, dieren eten de planten, hun mest is voeding voor de bodem. Maar de industriële economie is voor het overgrote deel lineair. In het schema lopen de brede, gekleurde stromen van de vier typen grondstoffen (mineralen, ertsen, fossiele brandstoffen en biomassa) van links naar rechts, en splitsen ze zich wanneer ze worden verwerkt in producten die zeven menselijke behoeften vervullen. Zand komt terecht in betonnen flatgebouwen. Ertsen worden verwerkt in schepen, auto’s en maaidorsers – in één enkel jaar oogsten we, alleen om ons allemaal te voeden, al 20,1 miljard ton aan biomassa. Fossiele brandstoffen drijven die voertuigen aan, houden ons warm, vormen een grondstof voor plastic en daarmee allerlei andere producten. In 2015 kwam er in totaal 92,8 miljard ton aan grondstoffen de wereldeconomie binnen. 

De vuilverbrandingsinstallatie in Kopenhagen, bijgenaamd CopenHill, zet jaarlijks 534.600 ton afval om in energie waarmee 72.000 huishoudens zich warm houden en 30.000 huizen van elektriciteit worden voorzien. Daarnaast fungeert het complex als recreatiegebied, met een skihelling, wandelroutes en de hoogste klimmuur ter wereld (85 meter).

Foto van Luca Locatelli

Tot zover is er niets aan de hand. Sterker nog, het is ontzagwekkend waar menselijke inspanningen en vernuft ons hebben gebracht. Het probleem openbaart zich pas daarna, nadat onze behoeften zijn bevredigd, en kan met recht de moeder der milieuproblemen worden genoemd. De Wit wijst naar de grijze waas aan de rechterkant van het schema: afval. 

In 2015, legt hij uit, glipte ongeveer twee derde van de grondstoffen die we uit de aarde hebben gewonnen ons door de vingers. Ruim 61 miljard ton aan moeizaam verkregen materiaal ging verloren; het merendeel raakte zo verspreid dat het niet meer is terug te winnen. Plasticafval spoelde de rivieren en oceanen in, net als nitraten en fosfaten uit de mest op onze landbouwgrond. Een derde van al het voedsel bederft, terwijl het Amazonegebied wordt gekapt om meer te produceren. Bijna elk milieuprobleem heeft een link naar afval, zo ook klimaatverandering: die wordt veroorzaakt doordat er fossiele brandstoffen worden verbrand en het restproduct, CO2, de atmosfeer in wordt geblazen. 

Het klinkt misschien onnozel, maar de cijfers van De Wit zijn een openbaring voor me. Dat knullige schema bepaalt op een positieve, opwindende manier wat ons te doen staat. Ja, onze planeet is in gevaar. En ja, we staan voor reusachtige uitdagingen. Maar om alles hier op aarde in goede banen te kunnen leiden, moeten we toch vooral één ding doen: er zuiniger mee omgaan. De Wit wijst op een smalle pijl die naar rechts loopt en langs de onderkant van het schema en vervolgens weer terug naar links. Het zijn alle grondstoffen die we, bijvoorbeeld door recycling en compostering, hebben teruggewonnen. Dat is 8,4 miljard ton, slechts negen procent van het totaal. 

De ‘circularity gap’, zoals De Wit en zijn collega’s het gat naar een volledig circulaire economie noemden toen ze hun rapport in 2018 presenteerden op het World Economic Forum in Davos, is een relatief nieuw begrip. Het stamt uit de achttiende eeuw, toen we begonnen de industrie op fossiele brandstoffen te laten draaien. Tot die tijd werd het meeste werk verricht met spierkracht van mens of dier. Dingen verbouwen, maken of vervoeren was zwaar werk, waardoor het waarde werd toegedicht. Doordat er een limiet zit aan onze spierkracht, brachten we maar een beperkte schade toe aan onze planeet. Het nadeel: er zat een grens aan de economische groei. 

Dat veranderde met de opkomst van goedkope fossiele energie in de vorm van steenkool en aardolie. Het werd eenvoudiger om ruwe grondstoffen te delven, naar fabrieken te brengen en als eindproducten de wereld in te sturen. Dankzij fossiele brandstoffen zijn onze mogelijkheden explosief gegroeid, en het einde is nog lang niet in zicht. In de afgelopen vijftig jaar is de wereldbevolking meer dan verdubbeld, maar de hoeveelheid grondstoffen die in onze economie rondgaat is verdrievoudigd.

‘We lopen nu tegen de grenzen aan,’ meent De Wit. 

In diezelfde vijftig jaar waarschuwden milieubeschermers daar al voor. Maar de voorstanders van de circulaire economie gooien het over een andere boeg. Met vertrouwde strategieën als ‘reduceren-hergebruiken-recyclen’ en nieuwe als ‘huren, niet kopen’ willen ze de wereldeconomie hervormen en zo een einde maken aan het afvalprobleem. Het doel is niet de economische groei tot staan te brengen, maar om de weg vrij te maken voor duurzame groei in de toekomst, door het gebruik van grondstoffen te harmoniseren met de natuur. ‘Welvaart in een wereld van eindige hulpbronnen,’ zo verwoordde de Europees commissaris voor Milieu Janez Potočnik het ooit in een voorwoord bij een rapport van de Ellen MacArthur Foundation. 

Het idee begint aan te slaan, vooral op ons eigen continent. De Europese Unie investeert miljarden in de circulaire economie. Nederland heeft toegezegd in 2050 volledig circulair te zijn en Europese steden hebben grootse plannen. 

Een man die niet twijfelt aan de mogelijkheden en met zijn werk al veel anderen heeft geïnspireerd, is de Amerikaanse architect William McDonough. Samen met de Duitse scheikundige Michael Braungart schreef hij het visionaire boek Cradle to Cradle, dat in 2002 uitkwam. Daarin stellen ze dat producten en economische processen zo kunnen worden ingericht dat al het gecreëerde afval de basis vormt voor een nieuwe grondstof. Ik ga op pelgrimstocht naar het kantoor van McDonough in Charlottesville (Virginia) en slaag erin hem de vraag te stellen die in mijn hoofd blijft rondzoemen: is het luchtfietserij, een wereld zonder afval?

‘Absoluut,’ antwoordt McDonough. ‘Maar je moet luchtfietsen om verder te komen.’ 

Om over te stappen op een circulaire economie moeten we duurzame energie gaan gebruiken, zoals de hitte uit het magma onder de lavavelden op IJsland. De energiecentrale Hellisheiði, de grootste geothermische installatie op IJsland en de op twee na grootste ter wereld, produceert elektriciteit en warmte voor huishoudens.

Foto van Luca Locatelli

Niet veel later breng ik mijn oude verfomfaaide tas op wieltjes weg ter reparatie (heel circulair, als je het vergelijkt met het kopen van een nieuwe) en trek eropuit, op zoek wat de circulaire economie in de praktijk betekent. 

Metalen 

De eerste barstjes in onze natuurlijke circulariteit verschenen al vóór de industriële revolutie. De Romeinen hadden niet alleen de vervelende gewoonte om overal amforen te laten slingeren, ze kwamen ook met een riskante innovatie: riolering. Dat wil zeggen dat ze menselijke uitwerpselen in rivieren loosden in plaats van ze over hun akkers te verspreiden; terwijl dit afval, zoals elke circulariteitsexpert zal beamen, daar juist thuishoort. Van zijn jeugd in Tokio herinnert McDonough zich nog dat hij ’s nachts wakker werd van de boeren die het toiletafval kwamen ophalen. Zijn moeder zong hem in slaap met Japanse liedjes over poep. Het zou een blijvende indruk achterlaten. 

Net als de Feniciërs eerder, wonnen de Romeinen koper uit de rijke afzettingen langs de Río Tinto in Spanje. Maar ze deden ook aan recycling: bronzen beelden van verslagen tegenstanders werden omgesmolten tot wapens. Koper is altijd erg in trek geweest bij hergebruikers. Vergeleken met rioolslib is het schaars en waardevol. 

Op de binnenplaats van de kopersmelterij Aurubis in Lünen, in het Duitse Ruhrgebied, staat een grote buste van Lenin in een bloemperk – een aandenken aan de vele bronzen Lenins uit Oost-Duitsland die hier na de Duitse eenwording in 1990 zijn omgesmolten. Aurubis is de grootste koperproducent van Europa en de grootste koperrecyclefabriek ter wereld. Toen de fabriek hier in 1916 werd gebouwd, tijdens de Eerste Wereldoorlog, was er een tekort aan koper voor granaathulzen en haalden de Duitsers bronzen klokken uit kerktorens. ‘Sindsdien heeft deze fabriek alleen maar gerecycled,’ zegt adjunct-directeur Detlev Laser. 

In de Blue Lagoon, een populaire toeristenattractie, wordt geothermisch verwarmd water gebruikt waarmee in de Svartsengicentrale elektriciteit is opgewekt. Het water bevat veel silicaten, die het een aantrekkelijk blauwgroene kleur geven.

Foto van Luca Locatelli

Anders dan bijvoorbeeld plastic kun je koper eeuwig hergebruiken zonder dat het aan kwaliteit verliest: het is een perfect circulaire grondstof. In Lünen worden nog steeds grote hoeveelheden koper verwerkt, voornamelijk buizen en kabels. Maar tegenwoordig moet men de bedrijfsvoering aanpassen aan reststoffen met veel lagere concentraties. Aangezien afval in Europa tegenwoordig naar de verbrandingsinstallatie gaat en niet meer naar de stort, komt er veel afval binnen dat kleine beetjes metaal bevat ‘doordat iemand zijn telefoon bij het afval gooit’ en niet naar een inleverpunt brengt. 

Samen met Hendrik Roth, hoofd milieuzaken van de fabriek, kijk ik toe hoe een graafmachine grote scheppen elektronisch puin, waaronder laptops, op een schuin oplopende transportband laat vallen, waarna het naar een shredderinstallatie gaat. Dit is de eerste van de ruim twaalf stappen in een buitengewoon verbluffend en lawaaierig sorteerproces. Bij één station zoeft er een lopende band voorbij met daarop stukken printplaat ter grootte van een hand. Sommige stukken vallen in een afgrond; andere lijken uit zichzelf op een hoger gelegen transportband te springen. Een camerasysteem, legt Roth uit, bepaalt of een stuk metalen bevat; is dat niet het geval, dan wordt er op precies het goede moment een luchtstroom geactiveerd die het omhoog blaast. 

Aurubis verkoopt het teruggewonnen aluminium en plastic aan industrieën die de materialen verwerken. Koper en andere non-ferrometalen gaan de eigen ovens in. Wereldwijd wordt volgens een VN-rapport uit 2017 niet meer dan een vijfde van al het elektronische afval hergebruikt. Aurubis krijgt zelfs ladingen uit de Verenigde Staten binnen. ‘Soms vraag ik me wel af waarom zo’n geïndustrialiseerd land zulke grondstoffen weggeeft,’ zegt Roth. ‘Het gaat om miljarden.’ 

Maar koper illustreert ook de algemene uitdaging: er zit een grens aan wat je met intensief recyclen kunt bereiken. De productie van Aurubis bestaat maar voor een derde uit hergebruikt koper, de rest komt nog steeds uit mijnen. De wereldwijde koperproductie is in de afgelopen vijftig jaar vier keer zo groot geworden en groeit nog steeds. Voor de technologie die we nodig hebben om van de fossiele brandstoffen af te komen, wordt veel koper verbruikt: in een enkele windturbine is al 33 ton verwerkt. 

‘De vraag neemt toe,’ zegt Laser. ‘Daar valt niet tegenop te recyclen.’ Als we richting een circulaire economie willen bewegen, zullen we het over een andere boeg moeten gooien. 

Kleding 

De drie ringen van het embleem van de Ellen MacArthur Foundation prijken op de sweater van Dame Ellen tijdens ons gesprek in het hoofdkantoor, de werkplaats van een oude zeilmakerij op het Britse eiland Wight. In 2005 zeilde MacArthur, toen 28, in een recordtijd van 71 dagen met een 25 meter lange trimaran om de wereld – in haar eentje. Ze had proviand voor 72 dagen. Bij thuiskomst was ze zich intens bewust van de eindigheid van onze hulpbronnen. 

‘Waarom heeft niemand het daarover?’ vroeg ze zich af. Ze stopte met wedstrijdzeilen en zette haar naam in om een organisatie op te richten die zich actief bezighoudt met de circulaire economie te bevorderen. Daarbij worden verschillende strategieën toegepast. De beste strategie klinkt eenvoudig: beperk je afval, gebruik wat je al hebt. 

In het Italiaanse Prato worden al sinds de 12de eeuw wollen stoffen geproduceerd en textiel verwerkt.

Foto van Luca Locatelli

Die keuze voelen mensen het meest in hun kledingkast. Tussen 2000 en 2015 is de wereldbevolking met twintig procent gegroeid, maar de kledingproductie steeg met vijftig procent. Belangrijkste oorzaak: fast fashion. Er is nu zo veel goedkope kleding in omloop dat een kledingstuk in 2015 een derde minder werd gedragen. In dat jaar gooide de hele wereld voor ruim vierhonderd miljard euro aan kleding weg. 

Jorik Boer verdient zijn brood aan afdankertjes. Hij staat aan het hoofd van de Boer Group. Vanuit zijn kantoor in Dordrecht geeft Boer leiding aan vijf vestigingen in Europa. Per dag wordt daar zo’n 460 ton kleding verzameld en vervolgens verkocht voor hergebruik. 

Mensen hebben geen idee wat er gebeurt met kleding die ze in een container gooien. Ze gaan ervan uit dat die rechtstreeks wordt verdeeld onder noodlijdenden. Maar in de praktijk wordt kleding vaak opgekocht door bedrijven als Boer, gesorteerd en over de hele wereld doorverkocht. 

De wol wordt gesorteerd op kleur, gewassen en uitgerafeld, en opnieuw gesponnen. Slechts één procent van het textielafval wordt momenteel verwerkt tot nieuwe kleding.

Foto van Luca Locatelli

‘Je hebt veel ervaring nodig om te weten waar je een kledingstuk weer kunt verkopen,’ aldus Boer. Door het raam achter hem zie ik een aantal vrouwen behendig kleren van transportbanden pakken, elk stuk bekijken en het vervolgens in een van de ongeveer zestig zakken achter zich gooien. Iedere vrouw sorteert per dag ongeveer drie ton kleding. Om dit werk te kunnen doen, moet je wel enige affiniteit met mode hebben en oog hebben voor kwaliteit – in het bijzonder voor de beste stukken, die maar vijf tot tien procent van het totaal uitmaken en Boer zijn winst bezorgen. In Rusland en Oost-Europa kan waardevolle kleding als damesondergoed tot vijf euro per kilo opbrengen. Textiel van mindere kwaliteit wordt in balen van 55 kilo naar Afrika verscheept, waar het voor slechts vijftig cent per kilo wordt verkocht. 

Op een gegeven moment richt Boer zijn kritische blik op mijn grijze colbertje, maar ik maak me geen zorgen; de inktvlekken in de binnenzak ziet hij toch niet. ‘Dat raken we aan de straatstenen niet kwijt,’ zegt hij vrolijk. ‘Niemand op de hele wereld wil dat hebben.’ Boer denkt dat hij mensen geld toe moet geven om mijn voddige jasje aan hen te slijten. Op dit moment krijgt hij meer kleding binnen dan hij kan verwerken, voornamelijk uit Duitsland, waar 75 procent van de afgedankte kleding wordt gerecycled nadat ook gemeentebesturen zich ermee zijn gaan bemoeien. 

De grootste zorg van Boer is hoe kleding aan het veranderen is. Momenteel kan het bedrijf zestig procent van wat er binnenkomt doorverkopen. Kleding dragen is beter voor de planeet – de grondstoffen en energie die nodig waren voor de productie hoeven niet te worden vervangen – én voor Boer. 

De andere veertig procent, de kleren die niemand wil hebben, wordt gerecycled tot poetsdoeken of uit elkaar gerafeld (vervezeld) en gebruikt als isolatiemateriaal of vulling voor matrassen. Een deel wordt verbrand. Het gerecyclede gedeelte bestaat voor een steeds groter deel uit goedkoop gemaakte, versleten kleding waarop Boer verlies draait. Fast fashion kan de nekslag voor zijn bedrijf zijn, zegt hij. 

Er is één vorm van recycling waarop Boer een bescheiden winst maakt. Zijn bedrijf brengt al tientallen jaren wollen truien en andere los gebreide kleding naar bedrijven in Prato, Italië. Daar wordt de wol machinaal uitgehaald tot lange vezels, waarvan vervolgens weer kledingstukken worden gemaakt. Geweven katoen of polyester kun je niet op deze manier recyclen: de vezels worden te kort. Enkele startende ondernemingen werken aan technieken om deze vezels chemisch te recyclen. Om die ontwikkeling te stimuleren zou de Europese Unie volgens Boer verplicht moeten stellen dat nieuwe kleding bijvoorbeeld twintig procent aan gerecyclede vezels bevat. 

‘Over tien jaar is het zover,’ voorspelt Boer. ‘Dat moet wel.’ 

Bij de Ellen MacArthur Foundation zijn ze enthousiast over een ander businessmodel om economische sectoren meer circulair te maken: huren in plaats van kopen. Kledingverhuurbedrijven maken tot nu toe nog geen 0,1 procent uit van de wereldwijde modebranche, maar dat aandeel groeit snel. 

In theorie is huren duurzamer. Als meerdere mensen een kledingstuk delen is er onder aan de streep minder kleding nodig. Of het werkt in de praktijk is twijfelachtig: mensen zullen het huren waarschijnlijk vooral benutten om de eigen garderobe aan te vullen met duurdere kleding. En huren betekent dat de kleren verpakt, vervoerd en chemisch gereinigd moeten worden. Journalist Elisabeth Cline, auteur van twee boeken over fast fashion, zette de voors en tegens onder elkaar. ‘Als je jezelf echt duurzaam wilt kleden, moet je aantrekken wat je al in de kast hebt hangen,’ concludeert ze. 

Voedsel 

Circulair leven kun je niet in je eentje; het hele systeem moet veranderen. Maar persoonlijke keuzes maken wel degelijk verschil. ‘Waar het vooral om gaat is dat je minder gebruikt,’ zegt Liz Goodwin. 

In 2008 voerde het Waste and Resources Action Programme (WRAP), waaraan Goodwin destijds leiding gaf, een van de eerste onderzoeken uit naar voedselverspilling. De non-profitorganisatie graaide bij ruim 2100 Britse gezinnen door de vuilnisbak – met hun toestemming – waarna al het weggegooide voedsel werd gewogen. ‘We schrokken ons een hoedje,’ herinnert Goodwin zich. ‘We vonden complete kippen, nog in de verpakking.’ Bijna de helft van alle salades en een kwart van het fruit eindigt in de vuilnisemmer, net als bijna vierhonderdduizend ton aardappelen per jaar. Alles bij elkaar gooien de Britten een derde van alle etenswaren weg. 

Daarmee zijn ze geen uitzondering. Wereldwijd wordt ongeveer een derde van al het voedsel weggegooid, wat jaarlijks bijna een biljoen (duizend miljard) euro kost. Die cijfers zijn afkomstig van Richard Swannell, directeur van WRAP. Tijdens een etentje in Oxford, waar we allebei netjes ons bord leegeten, legt Swannell uit dat vóór het onderzoek van WRAP niemand precies wist hoeveel eten – en dus geld – er in Groot-Brittannië werd verspild. 

WRAP startte enthousiast een pr-campagne en zocht naar samenwerkingen om tips tegen voedselverspilling te verspreiden. Voedselfabrikanten werden overgehaald om eenvoudige maatregelen door te voeren, zoals de houdbaarheidsdata duidelijker te vermelden, kleinere en hersluitbare verpakkingen te gebruiken en op te houden met ‘twee-halen- één-betalenaanbiedingen’ voor bederfelijke producten. Er werd een beroep gedaan op het gezond verstand, en het werkte. In 2012 was de voedselverspilling in Groot-Brittannië met een vijfde teruggedrongen. 

Soja als eiwitbron in veevoer kan wellicht worden vervangen door gekweekte zwarte soldaatvliegen. 

Foto van Luca Locatelli

Sinds kort vertraagt die vooruitgang, maar niemand had ooit verwacht dat je slechts met gezond verstand kon voorkomen dat er voedsel werd weggegooid. Wellicht kan kunstmatige intelligentie hiertoe ook bijdragen. Vanuit een gerenoveerde victoriaanse meubelfabriek in Shoreditch, een hippe wijk in het oosten van Londen, brengt Marc Zornes, directeur van Winnow, een high-techoplossing aan de man die al in 1300 restaurantkeukens is geplaatst: de slimme vuilnisemmer. 

Met behulp van een plastic kippenbout geeft Zornes een demonstratie in de vergaderkamer. Elke keer wanneer een kok of iemand van de bediening iets in de bak gooit, wordt het gewogen en gefotografeerd. De software bepaalt wat het is – bij Ikea heeft het systeem drie soorten gehaktballetjes uit elkaar leren houden – en toont de prijs. 

Een paar dagen later ben ik bij InStock in Amsterdam, een restaurant met een ambitieuze menukaart gebaseerd op voedseloverschotten. In een gezellige ruimte zit ik onder een houten bord waarop de hoeveelheid ‘gered voedsel’ wordt bijgehouden: 780.054 kilo. Freke van Nimwegen vertelt het verhaal erachter terwijl ik van een stevige maaltijd geniet. 

Van Nimwegen was net klaar met haar opleiding en werkte twee jaar bij Albert Heijn toen ze in aanraking kwam met voedselverspilling. Als assistent-winkelmanager wilde ze daar iets aan doen, maar slaagde er niet in: ze kon niet alle producten meegeven aan voedselbanken. In 2014 bedacht ze met twee collega’s InStock en haalde ze haar werkgever over om haar te steunen. Het begon met een – inmiddels permanent – pop-uprestaurant in Amsterdam. Nu er ook restaurants zijn in Utrecht en Den Haag, begint het interessant te worden. 

‘Een restaurantketen starten was niet bepaald het plan,’ zegt ze. ‘Helemaal niet, zelfs. We wilden iets tegen voedselverspilling doen.’ 

Het hoofdgerecht komt: gefrituurde gans. ‘Pas op, er kan nog hagel in het vlees zitten,’ waarschuwt de serveerster. Bij Schiphol worden wilde ganzen die het vliegverkeer hinderen afgeschoten, legt Van Nimwegen uit. Vroeger werden de vogels verbrand, nu eindigen ze bij InStock. 

De koks bij InStock improviseren met wat ze binnen krijgen. De ingrediënten komen van Albert Heijn, maar ook rechtstreeks van producenten of boeren. ‘Het is gemakkelijk om supermarkten de schuld te geven,’ zegt Van Nimwegen. ‘Maar de hele leveringsketen, ook de klant, wil altijd alles op voorraad hebben. We zijn gewoon verwend. Bedrijven willen geen nee verkopen, dus zorgen ze dat ze altijd een beetje te veel in huis hebben.’ 

Sinds 2018 levert InStock zelf de eigen overschotten ook aan andere restaurants. Van Nimwegen is nu vooral bezig bedrijfskantines binnen te halen als klant. ‘Het belangrijkste voor ons is dat we grotere hoeveelheden kunnen afzetten,’ legt ze uit.

‘En in kantines lunchen duizend mensen.’ De voedselverspilling in Nederland is, zo blijkt uit cijfers van de overheid, sinds 2010 met 29 procent afgenomen. 

Kansen 

Om te ontsnappen uit de valkuil waarin we met de lineaire economie zijn terechtgekomen, en terug te keren naar een natuurlijker economisch model, zullen we out of the box moeten denken. Ik maak een tussenstop in Kopenhagen om de nieuwe gemeentelijke vuilverbrandingsinstallatie te bewonderen. Daar wordt afval verbrand om energie op te wekken. Het bouwwerk is bijzonder: op het dak is een kunstskihelling aangelegd die het hele jaar open is. Maar het belangrijkste bezoek breng ik aan de nabijgelegen haven van Kalundborg, een icoon van de circulaire economie. 

Daar spreek ik de managers van elf industriële installaties die een bijzonder verbond zijn aangegaan: ze gebruiken elkaars afval. De voorzitter van de groep, Michael Hallgren, is hoofd van een Novo Nordisk-vestiging waar de helft van alle insuline ter wereld wordt geproduceerd – en samen met zusterbedrijf Novozymes brengt het 330.000 ton afgewerkte gist voort. Dat waterige mengsel gaat in vrachtwagens naar een bio-energiecentrale, waar het door micro-organismen wordt omgezet in biogas voor zesduizend huishoudens en mest voor ruim twintigduizend hectare grond. En dat was slechts één van de 22 recente momenten waarop in de Kalundborgsymbiose afval – water, energie of reststoffen – wordt uitgewisseld. 

Het was niet van tevoren gepland, vertelt Lisbet Randers, stadscoördinator van de symbiose. Het is in ruim veertig jaar zo gegroeid. Er kwam een bedrijf in wandplaten naar Kalundborg, mede omdat het restgas van de olieraffinaderij als goedkope energiebron kon worden gebruikt. Later ging het bedrijf gips afnemen van de kolencentrale in de buurt, die dat weer produceerde door zwaveldioxide uit de eigen rook te filteren. Het milieu was niet de drijfveer, zegt Randers, maar de Kalundborgsymbiose stoot jaarlijks nu wel 635.000 ton minder uit en bespaart de deelnemers daarmee ruim 24 miljoen euro. Hallgren heeft momenteel de leiding over de bouw van een insulinefabriek in Clayton, North Carolina. ‘Het is mijn droom om in Clayton ook een symbiose op te zetten,’ mijmert hij. 

In de glooiende velden van het Duitse Westfalen, waar veel varkens worden gehouden, heb ik een afspraak met een vrouw die een oplossing heeft gevonden voor een van de grootste problemen in het gebied: het overschot aan varkensmest. Nitraten uit overbemeste landbouwgrond hebben in een kwart van Westfalen het grondwater al vervuild. Een gemiddelde varkenshouder uit het stadje Velen, waar ik Doris Nienhaus tref, is 36.000 euro per jaar kwijt om de bijna tweeduizend ton vloeibare mest uit zijn bedrijf naar grond te rijden die nog niet van mest verzadigd is. ‘Op een gegeven moment loont dat niet meer,’ zegt Nienhaus. 

Hergebruik is een goede manier om afval te beperken. Op vliegbasis Davis-Monthan in Tucson, Arizona (rechts) staan bijna drieduizend overheidsvliegtuigen en -helikopters die
niet meer worden gebruikt. Toestellen worden gereviseerd of bruikbare onderdelen worden eruit gehaald. Deze voorziening, die vaak ‘het kerkhof’ wordt genoemd, is de grootste in haar soort.

Foto van LUCA LOCATELLI

Zij kwam met het idee van een installatie waar de basisbestanddelen (fosfor, stikstof en kalium) uit de mest worden gehaald. Nienhaus, die zelf varkenshouder is geweest, haalde negentig boeren over om bij elkaar 7,6 miljoen euro te investeren. De mest van hun bedrijven wordt verteerd door micro-organismen, en het biogas dat daaruit ontstaat, drijft een generator aan die de energie voor de installatie levert. Het teveel aan elektriciteit wordt teruggeleverd aan het net. Met snelle centrifuges, een gepatenteerde polymeer en hete ovens wordt de mestbrij gescheiden in een bruine vloeistof die rijk is aan stikstof en kalium, en een bruine as die voor 35 procent bestaat uit fosfor. Alles wordt verkocht: de installatie zal geen afval produceren. Op een wit schaaltje toont Nienhaus me haar eerste kaliumoogst alsof het goud is. 

Vroeger was elk boerenbedrijf een circulaire economie: boeren hielden zo veel vee als waarin hun land kon voorzien, en de dieren poepten niet meer dan het land kon opnemen. Die cirkel werd doorbroken door de industriële veehouderijen. Een paar jaar geleden verbleef ik een tijdje op een grote mestveehouderij in Texas; toen begon ik na te denken over de circulaire economie. Ik zag treinen met 110 wagons vol mais uit Iowa het station van Hereford in Texas binnenrijden, en op de boerderij zag ik de bergen mest die naar plaatselijke boeren ging. Zou dat niet terug moeten naar Iowa om de mais te bemesten? vroeg ik. Te duur, was het antwoord. Maar als er een installatie als die van Nienhaus had gestaan, hadden alleen de voedingstoffen op transport gehoeven. Misschien kan de cirkel weer worden gerepareerd. 

Eben Bayer deed zijn uitvinding in 2006. Tijdens zijn ingenieursopleiding volgde hij colleges over innovatie. Hij had Cradle to Cradle gelezen en wilde iets doen aan de giftige lijm in spaanplaat en glasvezel. Bayer was opgegroeid op een boerderij in Vermont en had urenlang houtsnippers in een oven staan vegen waarmee ahornsiroop werd gemaakt. Die snippers kleefden vaak aan elkaar door het mycelium, het netwerk van schimmeldraden dat op het hout groeide. Bayer vroeg zich af of je uit schimmel een onschadelijke lijm zou kunnen maken. 

Het eerste product dat hij en zijn partner Gavin McIntyre met hun firma Ecovative Design maakten, was verpakkingsmateriaal. Ze injecteerden fijngemalen hennepvezels of houtsnippers met mycelium. De minuscule witte wortels vulden de ruimten tussen de deeltjes op, plakten ze aan elkaar en namen ze op in hun netwerk. Bayer en McIntyre ontdekten dat het materiaal in mallen van elke mogelijke vorm kon worden gekweekt. Het stopt met groeien wanneer het uitdroogt, en wanneer je er klaar mee bent, kan het op de composthoop. In de afgelopen tien jaar heeft Ecovative meer dan vijf miljoen kilo aan verpakkingen geproduceerd, van hoekbeschermers tot displays voor cosmetica. 

Sinds kort pakken ze het groter aan en produceren ze dingen die honderd procent schimmel zijn. In de bodem groeit mycelium als een soort gelaagd gaaswerk; wanneer het met de buitenlucht in aanraking komt, begint het paddenstoelen te vormen. Ecovative heeft ontdekt hoe je mycelium kunt foppen zodat het aan één stuk door in niet-doorlatende lagen groeit. ‘Het is net een organische 3D-printer,’ verduidelijkt Bayer. Met hulp van investeerders en 9,2 miljoen dollar van het Amerikaanse ministerie van Defensie zet Ecovative nu een laboratorium op waar allerlei producten uit mycelium ‘gekweekt’ kunnen worden – van schoenzolen en vegan leer tot eetbare structuren voor kunstvlees. In 2018 maakte modeontwerper Stella McCartney van het spul een tas, die in 2018 in het Londense Victoria and Albert Museum tentoon werd gesteld. 

Toestellen worden gereviseerd of bruikbare onderdelen worden eruit gehaald. Deze voorziening, die vaak ‘het kerkhof’ wordt genoemd, is de grootste in haar soort.

Foto van Luca Locatelli

In de cradle-to-cradlevisie bestaat afval niet eens als concept. Elk materiaal is een goed ontworpen ‘technische bouwstof ’ die eindeloos kan worden hergebruikt, óf een biologische die je veilig kunt eten of composteren. Bayer deelt die opvatting, maar hij denkt dat de meeste dingen in de toekomst organisch zullen zijn. 

‘Materialen van organische herkomst passen bij de manier waarop de aarde werkt,’ zegt hij. ‘De aarde kan ze verteren.’ 

Voorbij goed en kwaad 

Dat we zo veel afval produceren, betekent niet dat we slecht zijn, hooguit een beetje dom. Wanneer ik in Hamburg Michael Braungart ontmoet, heb ik mijn notitieboekje nog niet opengeslagen of hij komt al met zijn belangrijkste punt. Hij is zijn carrière begonnen als actievoerder bij Greenpeace, waar hij demonstraties bij chemiebedrijven organiseerde, en heeft sindsdien veel bedrijven geadviseerd. ‘Met cradle-to-cradle strijden we tegen een culturele erfenis die gebaseerd is op religie,’ zegt hij, waarmee hij op monotheïstische godsdiensten doelt. Daardoor is binnen de milieubescherming het idee ontstaan dat de natuur goed is en de mens en zijn effect op de natuur per definitie slecht, en dat we de schade hooguit kunnen beperken. In Braungarts ogen is dat verkeerd en niet ambitieus genoeg. Hij is een milieubeschermer die, net als scheikundigen en ingenieurs, denkt dat we de natuur kunnen verbeteren. Ooit heeft bij een afbreekbare verpakking voor ijsjes ontworpen waar zaadjes van wilde bloemen in verwerkt waren: die kun je gewoon op de grond gooien en er groeit iets moois uit. 

Even buiten Amsterdam, in Hoofddorp, bezoek ik Park 20|20, een bedrijventerrein van 95.000 vierkante meter dat McDonough’s bedrijf heeft ontworpen en waarvoor Braungart heeft bijgedragen aan het selecteren van de bouwmaterialen. 

Park 20|20 is inmiddels voor driekwart voltooid en oogt al groen en plezierig. De gevels zijn allemaal verschillend, de werkruimten uitnodigend, alle energie is duurzaam en het afvalwater wordt ter plekke gerecycled. Een van de inventiefste onderdelen springt minder in het oog: in plaats van de gebruikelijke vloeren van betonplaten hebben de gebouwen vloeren van dunnere, holle stalen balken. Nu heeft een gebouw van zeven verdiepingen de hoogte van zes in de traditionele bouw en is er in totaal dertig procent minder materiaal voor nodig. 

‘s Werelds grootste overdekte boerderij is van Aerofarms in New Jersey; op termijn moeten midden in steden het hele jaar door op een duurzame manier groenten worden geteeld. Op een herbruikbaar substraat van gerecyclede plastic flessen wordt bladgroente geteeld. De wortels worden van onderaf beneveld, wat 95 procent aan water bespaart. Bestrijdingsmiddelen worden er niet gebruikt; voedingsstoffen en mest alleen wanneer dat noodzakelijk is. De gewassen worden belicht op een golflengte waarbij ze goed gedijen. Volgens het bedrijf is de opbrengst 390 keer zo hoog als bij de traditionele teelt.

Foto van Luca Locatelli

Warm water uit het nabijgelegen kanaal wordt in de zomer ondergronds opgeslagen en in de winter door buizen in elke tussenvloer rondgepompt als vloerverwarming; in de zomer gebeurt hetzelfde met koud water om de ruimten af te koelen. Bovendien zijn de vloeren plafonddelen zo ontworpen dat ze kunnen worden verwijderd en hergebruikt als het gebouw anders ingedeeld of afgebroken wordt. De gebouwen op Park 20|20 fungeren als ‘materiaalbanken’ – en dat terwijl bouwmaterialen elders de grootste afvalstroom zijn die er op stortplaatsen aankomt. 

In het kantoor van McDonough zit ik op een oude Herman Miller-bureaustoel die is bekleed met het eerste product dat Braungart en hij ooit ontwierpen, een weefsel van wol en ramie, dat van een brandnetel wordt gemaakt. Volgens beiden is de stof eetbaar. Terwijl McDonough uitweidt over Leibniz en een wereld vol mogelijkheden, dwalen mijn gedachten af naar een oude film, Diner, die ik beter ken. ‘Als je geen mooie dromen hebt, krijg je nachtmerries,’ zegt Mickey Rourke tegen het einde. En misschien, bedenk ik, zitten wij mensen in dezelfde situatie: we hebben een droom nodig om ons op te richten, zodat we de nachtmerrie kunnen vermijden. 

De circulaire economie inspireert veel mensen tot allerlei gave initiatieven. Maar, als ik een knuppel in het hoenderhok mag gooien: achter de optimistische façade gaan cijfers schuil waaruit blijkt dat de circularity gap nog steeds groeit in plaats van kleiner wordt. In 2050 is ons verbruik van natuurlijke hulpbronnen mogelijk zelfs verdubbeld. De uitstoot van CO2 neemt nog steeds toe. 

‘Gaat het snel genoeg? Nee,’ zegt De Wit. ‘Alle wijzers staan in het rood.’ 

Net als de andere optimisten met wie ik heb gesproken, denkt De Wit dat het proces tijd nodig heeft. Voor het opzetten van een circulaire economie is een ingrijpende cultuurverandering ter grootte van de industriële revolutie nodig. ‘Het is een zaak van lange adem,’ zegt hij. ‘Het kost een generatie voordat het echt op gang komt.’ Het was mijn generatie die als verloren wordt beschouwd, maar ik nam het hem niet kwalijk. Wij liggen al lang en breed onder de groene zoden als de circulaire economie werkelijkheid is. Maar zelfs dan dragen we ons steentje bij. 

Luca Locatelli’s foto’s van de Nederlandse landbouw verschenen in september 2017 in National Geographic. Redacteur Robert Kunzig schreef in april 2019 over steden. 

Lees verder

Stop met plastic

Stop met Plastic

Lees meer over #STOPMETPLASTIC

Old-school plan tegen plasticvervuiling komt van de grond

Vroeger zamelden bedrijven als Coca-Cola 98 procent van hun flesjes in. Nieuwe ondernemers leren nu van hun aanpak.
Milieu

Dit eiland wil volledig afvalvrij worden – door te recyclen

Het Deense eiland Bornholm heeft een verouderde vuilverbrander die snel moet worden vervangen. Daarvoor in de plaats wil het eilandbestuur nu voor een heel nieuwe benadering kiezen.
Lees meer