Panama

Panama: Verborgen Eldorado

Panama, dat is het land van ‘el Canal’. Maar wat heeft het Centraal-Amerikaanse land nog meer te bieden? Verslag van een rondreis, gemaakt in het voorjaar van 2014. donderdag, 9 november

Door Paul Römer

Mijn allereerste spreekbeurt op de lagere school ging over koalabeertjes. Ik zal 11 jaar geweest zijn, schat ik. Geen idee waarom ik juist voor dat dier koos. De hoge aaibaarheidsfactor? De tweede keer, een jaartje later, sprak ik over havens, sleepboten en containerschepen. Ik had daar ooit ergens foto’s van gezien, en de omvang van die vaartuigen had blijkbaar diepe indruk gemaakt. Ik herinner me hoe ik klasgenootjes toesprak over de haven van Rotterdam, over de landengte van Suez en over het Panamakanaal. In het schriftje waaruit ik voorlas had ik plaatjes geplakt van deze geografische aanduidingen – voor mij abstracte begrippen waarvan ik me, opgroeiend in een dorp in de provincie Utrecht, eigenlijk geen voorstelling kon maken.

Ruim drie decennia later, op een doordeweekse dag in maart, geniet ik mijn lunch op het terras van restaurant Miraflores, met uitzicht op de gelijknamige sluizen van el Canal de Panamá. Aanstaande zomer is het honderd jaar geleden dat dit ‘achtste wereldwonder’ werd geopend, en het leek me tijd eens een bezoek te brengen aan het gebied dat mij als kind al wist te fascineren. Maar ik wens, nu ik er ben, verder te kijken dan het kanaal. Ook Panama-stad, de San Blas-eilanden in het noorden, de Golf van Chiriquí in het zuiden en Volcán Barú in het uiterste westen – smaakvolle namen die exotische locaties doen vermoeden – hoop ik te ontdekken.

Noord- en Zuid-Amerika vormden in feite één groot werelddeel tot het Panamakanaal in 1914 de smalle verbinding tussen beide gebieden – een reep land dat op kaarten wordt aangeduid als Centraal-Amerika – doormidden sneed. Het bijna tachtig kilometer lange kanaal tussen de Atlantische en Grote Oceaan moest dienen als een tijd- en geldbesparend alternatief voor de gevaarlijke route langs Kaap Hoorn. 

In 1881 begonnen Franse ingenieurs aan de aanleg van het kanaal, maar technische problemen en het hoge aantal sterfgevallen onder de arbeiders noopten hen de bouw stil te leggen. Een tumultueuze periode brak aan. Groot-Colombia, waarvan Panama toen deel uitmaakte, blokkeerde de wens van de Verenigde Staten de doorvaart te realiseren, waarna president Theodore Roosevelt de Panamezen in 1903 ‘hielp’ een onafhankelijke republiek te worden. De Amerikanen mochten het werk aan het kanaal voortzetten; tegen de tijd dat het helse karwei was volbracht, hadden in totaal 50.000 paar handen aan het kanaal gewerkt. Enkele maanden later vond de officiële opening plaats, en in de 85 jaar die daarop volgden werd de vaarroute bestuurd door het Amerikaanse leger – tot de Panamese regering, zoals oorspronkelijk altijd de bedoeling was geweest, de leiding overnam.

Links van me zie ik de Puente de las Américas, de brug bij Balboa die de twee continenten toch weer met elkaar verbindt, en daarachter de Grote Oceaan. Ik kijk van achter mijn lunch neer op een gebouwtje uit 1913, waar na de opening van het kanaal een deel van het papierwerk voor passerende schepen werd geregeld. Er varen zo’n veertig schepen per dag van de ene oceaan naar de andere, begrijp ik, en elk schip doet daar acht tot tien uur over. De grootste schepen, Panamax geheten, die in staat zijn liefst 5000 containers te vervoeren, gaan maar net door de huidige sluizen – vandaar dat er verderop, slechts een kilometer van mij vandaan, door constructeurs uit Panama, Italië, Spanje én Nederland hard wordt gewerkt aan een verdubbeling van de capaciteit. Vanaf komende augustus, als het eeuwfeest groots wordt gevierd, zullen daar schepen met 10.000 containers door varen. De Panamese overheid spint er garen bij: alleen een cruiseschip betaalt al 420.000 dollar om het kanaal te mogen gebruiken.

Voor mijn spreekbeurt had ik ook zo’n lijstje met duizelingwekkende cijfers voorbereid, weet ik nog, al zijn die van tegenwoordig natuurlijk een meervoud van destijds. Wat ik toen nog níet kon vertellen, was de sensatie die zich van mij meester maakt nu er in de verte een containerschip nadert. Het enorme gevaarte, dat de passage vanuit de Atlantische Oceaan begon, komt langzaam dichterbij. De meeste gasten van het restaurant verlaten hun tafels en begeven zich naar de rand van het balkon, een verdieping hoger stroomt een uitzichtplatform vol met toeristen. Er komt een boot aan, is de nuchtere constatering, en toch voel ik een zekere spanning. De anticipatie! Op afstand lijkt het dek volgebouwd met gekleurde blokjes, in werkelijkheid containers van twaalf meter lang. Twintig minuten later ligt het schip – wat zeg ik: een drijvend flatgebouw van 250 meter lang en zes verdiepingen hoog – pal voor ons, de Miraflores-sluizen doen hun werk. Mensen wijzen, fluisteren, schreeuwen, lachen en zwaaien naar de bemanning. Ik begrijp heel goed waarom het kanaal nog altijd Panama’s grootste trekpleister is – en mogelijk van de hele regio.

In de opgewonden menigte herken ik twee Nederlanders: lengte en haarkleur zeggen vaak genoeg. Wanneer ik ze aanspreek, beginnen Ingrid en Anthony Voets uit Emmen met enthousiasme te vertellen over hun reis langs een deel van de Pan-American Highway, die voor hen drie maanden eerder in Buenos Aires was begonnen. ‘Dit moet je toch gezien hebben,’ zegt Ingrid, gebarend naar het kanaal. ‘Pas als je zo dichtbij staat, dringt de omvang van zulke schepen tot je door. Onwerkelijk!’ Hoe bevalt het hier tot dusver, vraag ik. ‘Panama is heel anders dan Zuid-Amerika,’ antwoordt Anthony. ‘Vooral in de stad zie je westerse faciliteiten, zoals een McDonald’s, waarnaar je in landen als Colombia niet hoeft te zoeken. We verblijven nu een paar dagen in Casco Viejo, het oude en mooiste deel van de stad.’
 

Panama-stad is een curieus fenomeen. Wie de stad voor het eerst ziet, meestal vanuit het vliegtuig, zal zich verbazen over deze explosie van architectuur aan de zoom van deze groene landengte. Nietsvermoedend kijk je uit het raampje tot je plotseling een verzameling wolkenkrabbers ziet opdoemen, alsof een grote hand ooit een stukje skyline van Manhattan heeft opgepakt en hier in deze tropische omgeving weer heeft losgelaten. De drukke en levendige stad lijkt dan ook niet helemaal op zijn plaats...

Panama is net iets groter dan Nederland en België bij elkaar, en van de 3,7 miljoen inwoners woont er een miljoen in deze metropoolregio. Voetgangers haasten zich over de trottoirs, claxonnerende taxi’s, scooters en vrachtwagens manoevreren langs talloze bouwputten. De inkomsten uit het kanaal hebben de afgelopen jaren geleid tot een ongekende bouwwoede. Overal verrijst moderne hoogbouw, geld lijkt geen bezwaar. Panama-stad is duidelijk buzzing.

Voordat we gaan eten in Casco Viejo, maken fotograaf Raymond Rutting en ik eerst nog een wandeling langs Cinta Costera, een boulevard tussen de oude en nieuwe wijken in, met fraai zicht op het silhouet van de stad die, naarmate de duisternis inzet, staccato oplicht. Ik ontwaar geen toeristen, alleen Panamezen die joggen, wandelen, skeeleren – of, net als ik, bij de fietsende ijscoboer een bakje raspa’o kopen, geraspt ijs met siroop en melk. Terwijl Raymond rondkijkt en foto’s maakt, neem ik een hapje van het mierzoete spul. Een aangename bries, de geur van de Panamabaai en de relaxete sfeer maken dit deel van de stad tot een oase van rust.

Even later lopen we door het historische deel van Panama-stad dat goeddeels wordt gerestaureerd – en dat sinds 1997 op Unesco’s werelderfgoedlijst voorkomt. Stratenmakers leggen in de oorspronkelijke stijl nieuwe voetpaden aan, oude panden krijgen een lik verf. Authenticiteit in een schoon jasje. In hotel-restaurant Tantalo, vlak bij het Plaza Independiente, raken we in gesprek met general manager Lorenzo Robles uit Venezuela. Na een driegangenmenu nemen we plaats aan de bar op het dakterras. Naast ons zie ik de witte torens van de 18de-eeuwse Catedral Metropolitana, aan de overkant van de baai poseren de modernste wolkenkrabbers. Wat een locatie. 

Ik merk op hoe rustig het vanavond is. ‘Als je vrijdag terugkomt,’ zegt Robles, ‘dan is het hier bomvol. Dan is het quincena, de dag dat Panamezen de helft van hun maandloon uitbetaald krijgen. Dan is het altijd feest in de stad. Waarom denk je dat ze hun geld niet meer in één keer ontvangen?’ We bestellen een glas Ron Abuelo Añejo 12 Años, een zachte Panamese rum, en vragen Robles waarom hij zijn moederland heeft verruild voor Panama. ‘Van indianen tot yuppies, van het regenwoud tot chique winkelstraten, van witte stranden tot het moderne clubleven: in dit land komen verleden, heden en toekomst samen. Panama heeft het allemaal, dat zul je deze reis wel zien. Salud!’

Al eerder deze week, ver weg van de stad, werden we geconfronteerd met het schrille contrast tussen traditie en vernieuwing. Na een rit van ongeveer twee uur vanuit Panama-stad, die deels over de PanAmerican Highway richting Colombia loopt, bevinden we ons aan de Caribische kust van Panama. Het is bewolkt, het waait flink, en de golfjes slaan tegen de rommelige steigers. Mensen lopen af en aan, chauffeurs toeteren omdat ze elkaar in de weg staan, er ligt vuilnis om ons heen. Is dit het paradijs waarvoor in brochures superlatieven worden gebruikt?

Samen met Gilberto Alemancia varen we naar Isla Aguja, een van de 365 eilandjes in de San Blas-archipel. Alemancia is een Kuna, het indianenvolk dat Panama van oorsprong bewoonde en dat na de kolonisatie door de Spanjaarden, begin 16de eeuw, werd teruggedrongen tot deze eilanden in de Golf van San Blas. Het is een deel van Panama dat behoort tot Kuna Yala, een beschermd natuurgebied dat de status van een aparte provincie geniet.

Op het water breekt de zon door, de witte stranden lichten op, en de zwierende palmbomen steken af tegen de blauwe lucht. De temperatuur stijgt naar een aangename 30 graden, in het droogseizoen heel normaal. De lovende woorden kloppen dus toch! We zien pelikanen dobberen bij een eilandje omzoomd door mangroven en passeren enkele bewoonde eilandjes, die tot aan het water toe zijn volgebouwd met houten hutten. ‘Daar woont mijn moeder,’ wijst Alemancia. ‘Ze verwacht ons morgen.’ 

Isla Aguja blijkt een eiland met een paar marktstalletjes, een restaurantje, een gebouwtje met toiletten en douches, en een paar hutten voor toeristen – het strand rondom grenst aan een ring van turquoise water. Driekwart van de bezoekers is Panamees en komt hier voor een weekendje weg uit de stad, vertelt Alemancia. ‘Van de overige toeristen komen de meesten uit de VS, Spanje, Italië en Frankrijk. Nederlanders zijn vooralsnog een rariteit.’ 

We laten de koffers achter in onze hut, pal aan het strand, en niet veel later leggen we ons bootje meermalen aan, zoals bij feest-eiland Isla Perro. Jonge Panamezen met gebruinde lichamen snorkelen bij een wrak, spelen voetbal of zitten aan een barretje wat te drinken. Op een eiland verderop, Isla Pelicano, staat een privéhelikopter op het strand. ‘Rijkelui uit de stad die een dagje komen relaxen,’ verklaart Alemancia. ‘Je ziet meer en meer hippe crowds die profiteren van de inkomsten uit het Panamakanaal en hier hun geld komen uitgeven.’

’s Nachts kan ik de slaap niet vatten. Komt dat door de harde wind die onze hut zowat omblaast, of toch door de hoeveelheid eten die ons eerder werd geserveerd – een traditioneel Kuna-gerecht met rode snapper op rijst en zwarte bonen, voorafgegaan door een soep met makreel, cassave en kokosnootmelk? 

De volgende morgen laat Alemancia ons het eiland zien waar hij opgroeide. De vrouwen die we er ontmoeten, dragen karakteristieke Kunakleding en -sieraden. Zijn moeder van 69 werkt voor haar open hutje aan een mola, een lap textiel met een kleurrijk ontwerp. Ook in Panama-stad worden deze Kunastoffen verkocht als souvenir. Als ik vraag wat ze maakt, geeft ze in het Kuna, een van de zeven Panamese talen, een wat cryptisch antwoord: ‘Panama is het centrum van het universum.’

‘Dit is het centrum van Panama’s groente en fruit!’ Ernesto Tribaldos is van een totaal andere generatie. Deze jonge gids, die we ontmoeten in David, de hoofdstad van de westelijke provincie Chiriquí, spreekt goed Engels doordat hij enige tijd op een cruiseschip werkte. Nog voordat we kunnen uitleggen wat we graag willen zien, wijst hij ons op de aardbeien, bananen, ananas en watermeloen die in deze streek wordt verbouwd. 

Als we stoppen bij een stalletje langs de weg, voor een bakje met versgeplukte aardbeien en room, zien we in de bomen een tweevingerige luiaard hangen. Ik wil het dier naderen om het beter te kunnen bestuderen, maar dat weerhoudt Tribaldos er niet van uit te wijden over zaken als Panama’s populairste sporten: honkbal, voetbal en, vooral, boksen. ‘Iedereen kent Robert Durán, de legendarische bokser en onze grootste sportheld. Zijn levensverhaal wordt nu verfilmd, met Robert De Niro als zijn trainer.’ Hij vertelt verder over Vasco Núñez de Balboa, de Spaanse ontdekkingsreiziger die als eerste vanuit het westen de Grote Oceaan bereikte en zijn naam heeft gegeven aan de nationale munt. Op de cent van de balboa, samen met de Amerikaanse dollar de officiële munteenheid, worden twee historische vijanden afgebeeld, Núñez de Balboa en Urracá, een indiaan die tien jaar lang streed tegen de Spaanse overheersing en erin slaagde de verschillende stammen te verbinden en als één front de strijd aan te gaan. Zonder overwinning, zoals we weten. ‘Maar wat zouden jullie hier het liefst willen zien?’ besluit Tribaldos.

Op ons wenslijstje staan een bezoek aan het nevelwoud rond en een beklimming van Volcán Barú, met 4276 meter het hoogste punt van Panama. In het ruim 14.000 hectare grote nationaal park komen zo’n 200 zoogdiersoorten voor – de bekendste zijn de poema, jaguar, tapir en agoeti. Talloze orchideeënsoorten zijn er te vinden. Vogelaars komen hier voor de bedreigde zwarte goean, ooit een delicatesse maar nu beschermd, en natuurlijk voor de quetzal. Het paarseizoen van deze kleurrijke vogel is begonnen, en het toenemend aantal bambitobomen – de vruchten zijn een lekkernij – duiden erop dat we zijn habitat betreden. Zullen we een exemplaar spotten? Tribaldos tempert de verwachtingen. Het regent aan een stuk door, en de vogels houden zich dan liever schuil.

Op zeker moment lopen we Ana Manzano tegen het lijf, een 43-jarige Spaanse toeriste op zoek naar de quetzal. Ze vertelt dat ze na enkele maanden vrijwilligerswerk in Costa Rica toe was aan een korte onderbreking, die ze besloot in Panama door te brengen. Ze kijkt wat teleurgesteld als we haar laten weten dat onder deze weersomstandigheden de kans op een waarneming niet zo heel groot is. ‘Maar ik begreep dat ze juist nu tevoorschijn komen om elkaar het hof te maken!’ Ze zegt dat ze geen idee heeft wat Panama eigenlijk allemaal heeft te bieden. ‘Heb je nog suggesties?’ vraagt ze. Als ik haar insein over het kanaal, kijkt ze me aan alsof ze dat woord voor het eerst hoort – haar wazige blik doet me even denken aan die van sommige kinderen uit mijn klas toen ze mijn spreekbeurt over de scheepvaart aanhoorden.

In ons hotel, als de avond heeft ingezet, val ik in een diepe slaap, maar om 22.45 uur word ik wakkergeschud door een aardbeving, 4,5 op de schaal van Richter naar later blijkt. Niet zo heel alarmerend, zeg ik tegen mezelf, tot ik me herinner dat we de volgende ochtend hebben gepland een vulkaan te beklimmen... 

De laatste eruptie van Barú, rond 500 n.Chr., heeft de precolumbiaanse beschaving hier volledig weggevaagd. Maar de uitbarsting zorgde ook voor een uiterst vruchtbare bodem, waarvan Leaf Janson nu optimaal gebruikmaakt. Janson is eigenaar van het gelijknamige koffiemerk, volgens velen de beste koffie van Panama, en zijn plantages liggen aan de voet van de vulkaan. Janson ontvangt ons hartelijk, ook al klopten we spontaan bij hem aan, en deelt openhartig zijn mening over het land dat hem welvaart biedt.

‘Panama is overal anders, waar je ook bent,’ vertelt hij tijdens een rondleiding over zijn landgoed, waar een cowboy runderen bijeendrijft om te merken. ‘Niet alleen als het gaat om de natuur – de bergen, het klimaat en de oceanen resulteren in uiteenlopende ecosystemen –, maar ook in sociaal-cultureel opzicht. In San Blas zet je een stap terug in de tijd, terwijl de steden weer een heel internationaal karakter hebben – het werk in het kanaal heeft begin vorige eeuw duizenden arbeiders uit de hele wereld aangetrokken. Daardoor is het land ruimdenkend en staat het, anders dan veel landen in de regio, open voor verandering.’

Die verandering is hier en daar hard nodig, constateren we op la cima van de vulkaan. Na een avontuurlijke rit – in de laadbak van een pick-up hotsten en botsten we vier uur achtereen over een 13,5 kilometer lang pad omhoog – worden we eerst en vooral geconfronteerd met kilo’s afval en tientallen antennemasten. Zonde, want het panoramisch uitzicht is fenomenaal – voor wie geluk heeft, althans. Een kwartier lang zien we links, als we door onze verrekijker turen, de Caribische Zee; rechts strekt de Grote Oceaan zich voor ons uit, onze bestemming voor morgen. We begrijpen dat zulk helder zicht hoogst zelden voorkomt. Dan pakken de wolken alweer samen en worden we omhuld in nevelen. 

Wanneer we de volgende ochtend varen door de Golf van Chiriquí, onze laatste halte, ontdek ik pas Panama’s ware potentieel als eldorado. Dit mariene reservaat telt zo’n 25 maagdelijke eilanden in de Las Isla Parida-archipel. Elk eiland is toegankelijk, vertelt Ernesto Tribaldos, de gids, als je maar niets vernielt. Wonderschone en stille eilandjes als Bolaños en Gamez, merk ik, zijn hier beslist ongerepter dan in de San Blas-archipel. De eilandengroep aan de Caribische kust is nu eenmaal een stuk toeristischer. Ik geniet van het water dat opspat en in mijn gezicht sproeit. Geen mens te bekennen, zover het oog reikt. Je kunt hier vissen, zwemmen, snorkelen, in de zomermaanden komen bultrugwalvissen langs en ook dolfijnen, hamerhaaien en zeeschildpadden laten zich geregeld zien. Op Gamez zie ik een man lezen onder palmbomen, twee vrouwen liggen te zonnebaden. Meer niet. Een verborgen paradijs, juist door het ontbreken van allerlei luxe faciliteiten. 

Maar die gaan komen, dat kan niet anders. Het land is hier en daar nog wat chaotisch. De vevuiling bij de aanlegsteigers in Kuna Yala en op een attractie als Vólcan Barú is slechts één voorbeeld. Maar die brengt ook een zekere charme met zich mee. Wie houdt van authentiek Centraal-Amerika, raad ik daarom aan nu te gaan.

Later die dag stijgt ons vliegtuig op en werp ik een laatste blik op de wolkenkrabbers van de hoofdstad. Ik laat mijn gedachten nog eens gaan over het regenwoud, de eilanden, het kanaal – en moet denken aan de woorden van koffieboer Janson: ‘Ik hoop dat de Panamezen gaan inzien dat wat zij normaal vinden, heel bijzonder is voor de rest van de wereld.’

Zo, dit was mijn verhaal. Zijn er nog vragen?

Heeft dit verhaal je geïnspireerd? Lees dan ook de bijbehorende reiswijzer met praktische tips en reisinformatie over een bezoek aan Panama.

Lees meer