Reizen

Overleven in de Zuid-Afrikaanse bush

Te voet door de wildernis, slapen onder de sterren en oog in oog staan met een woeste zwarte neushoorn: in het Somkhanda Game Reserve verlegde ik mijn eigen grenzen! donderdag, 9 november

Door Veerle Witte
Foto's Van Jasper Doest

Vier blikken eten, wat zakjes havermout, oploskoffie, snacks, een matje, mijn slaapzak, stevige wandelschoenen, drie setjes kleding, mijn cameraspullen, zonnebrand, tandpasta, een tandenborstel en heel veel water: met deze bevoorrading ga ik drie volle dagen de Zuid-Afrikaanse bush van het Somkhanda Game Reserve in, als onderdeel van een tiendaagse rangercursus. 

Ik heb alles zorgvuldig ingepakt in mijn middelgrote backpack, die inmiddels op mijn rug hangt. We zijn vertrokken, richting ons eerste kamp! Alhoewel kamp niet echt het goede woord is: we slapen vannacht namelijk gewoon op een willekeurige plek in de bush, zonder tenten of een andere vorm van bescherming. Drie dagen en twee nachten trekken we door het park. Dit is de eerste keer dat ik op zo’n extreme manier ga kamperen in de wildernis en ik heb werkelijk nog geen idee hoe het me zal vergaan. 

Terwijl ik geluidloos probeer te lopen – een vaardigheid die ik inmiddels aardig onder de knie begin te krijgen – voel ik het gewicht van mijn backpack drukken op mijn schouders. Ik ben in gedachten verzonken als gids Picket plots gebaart stil te staan. Hij wijst in de verte: tussen de acaciabomen verschijnt het hoofd van een giraffe, dat nieuwsgierig onze kant op kijkt. Er staat een hele groep! We sluipen verder door de bush, maar de wind staat ongunstig en blaast onze geur hun kant uit. Ze rennen ervandoor: een prachtig gezicht om de lange, elegante beesten weg te zien stormen in het heuvelige boslandschap.

De zon zakt langzaam en geeft Somkhanda een warme, oranje gloed, de lucht koelt – gelukkig – wat af. Terwijl we door de dichtbegroeide bosjes wandelen, horen we ineens iets groots wegrennen. ‘Een neushoorn!’ roept Picket. Zwarte neushoorns liggen graag te slapen in de dichte bush. ‘We hebben hem wakker gemaakt! Kom mee!’ We sluipen achter Picket aan. Hij vervolgt: ‘Als een zwarte neushoorn schrikt, vlucht hij, om daarna weer terug te rennen om te kijken wat het was. We moeten dus extreem op onze hoede zijn, want hij komt zeker nog terug!’ Voorovergebogen lopen we door de bush, als we ineens iets horen. ‘Get down and stay close to a tree!’ schreeuwt Picket. De grond trilt onder mijn voeten en dan ineens, zo’n vijftien meter bij me vandaan, stormt hij de bosjes uit. Hij ziet ons direct, stopt en draait zich een kwartslag in onze richting. Zijn hoorn is groot en scherp, er komt slijm uit zijn bek. Hij balanceert van zijn ene op zijn andere voorpoot en kijkt ons recht aan. Hij gaat ons aanvallen, denk ik, hij gaat ons aanvallen. Er lijken minuten voorbij te gaan, maar dan, zo snel als hij gekomen is, draait hij zich weer om en rent verder. 

Zonder iets te zeggen kijken we elkaar aan, met zo’n blik die je uitwisselt met mensen met wie je net iets onbeschrijflijks hebt meegemaakt: iets wat je aan niemand zal kunnen uitleggen. We sluipen verder, want de kans dat hij weer terugkomt bestaat nog steeds. Een paar gnoes rennen voorbij op de vlakte die zich voor ons uitstrekt. Ik merk dat ik het gewicht van mijn rugzak inmiddels niet meer voel, de adrenaline pompt als een gek door mijn lichaam. 

Een paar uur later vinden we een beschutte plek, waar we een klein kampvuur maken om Zuid-Afrikaanse wors op te braaien op een tak. Dit wordt ons kamp voor vannacht. Ik ben de enige vrouw in het gezelschap en terwijl de typische mannengrappen over de ‘wors op een stokkie’ rond het vuur vliegen, ga ik mijn bed opmaken. Dat wil zeggen: mijn matje uitrollen en een slaapzak erop leggen. Wanneer ik mijn backpack tegen een boom wil zetten, schijn ik met mijn hoofdzaklamp recht een schorpioenenhol in: precies waar ik mijn tas wilde zetten en zo’n één meter bij mijn ‘bed’ vandaan. 

Als ik even later in mijn slaapzak lig, voel ik me onwennig. Ik denk aan alle beestjes die rond ons krioelen, aan de slangen en de grote wilde dieren die hier leven. Hoewel sommige nachten hier best koud kunnen zijn, heb ik het nu bloedheet in mijn slaapzak. Toch durf ik er niet uit, vanwege de beesten. Dan voel ik dat de grond onder me lichtjes begint te trillen en roept Picket: ‘Black rhino! Uit jullie slaapzakken en bij een boom gaan staan!’ Voor we het weten is hij alweer verdwenen, weg in de duisternis om ons heen. Ik ga weer liggen en kijk omhoog naar de perfect heldere sterrenhemel: misschien is een nachtje niet slapen en sterrenkijken ook niet zo erg, denk ik.

Blijkbaar ben ik toch in slaap gevallen, want als ik om drie uur ’s ochtends wakker schrik, is het tijd om samen met fotograaf Jasper Doest twee uur de wacht te houden. We zitten tegen een boom en staren in het donker: op de uitkijk voor stropers en wilde dieren. Af en toe horen we ineens wat kraken en schijnen we met de zaklamp. Zo zien we die nacht antilopen, koedoes en zelfs nóg een neushoorn. Terwijl ik daar zit, bedenk ik me dat ik nog nooit zo dicht bij de natuur ben geweest. Ik voel me kwetsbaar, maar tegelijk zo één met mijn omgeving. Nog even en dan komt de zon op. Ik kan niet wachten op wat de volgende dag ons zal brengen…

Veerle Witte en Jasper Doest volgden een tiendaagse rangercursus in Zuid-Afrika voor een reportage in tijdschrift Traveler. Dit artikel is een sneak preview op het verhaal dat in het septembernummer zal verschijnen.