Terug in Warschau

Voorbij de Koude Oorlog: de hoofdstad van Polen beleeft een Renaissance.dinsdag 27 maart 2018

Het is 1979, en ik word op een grijze dag in februari een kantoor binnengeleid in Warschau. Er zit een man achter een bureau waar alleen een telefoon op staat. Ik ben hier om mijn visum te verlengen, maar had een iets andere setting verwacht. ‘Als jij ons helpt,’ zegt hij vastberaden, ‘dan helpen wij jou.’ Zijn Engels heeft een zwaar accent.

Heb ik het goed gehoord? Dit gebeurt toch alleen in films? Ik vraag wat hij bedoelt. Hij legt het uit: als ik één keer per week kom vertellen wat de mensen zeggen, dan wordt mijn visum onbeperkt verlengd. En ach, voegt hij eraan toe, als journalist in Amerika deed ik toch eigenlijk hetzelfde? Ik ben zo verbaasd dat ik vergeet hem in zijn gezicht uit te lachen. Ik sla het aanbod af – en moet prompt het land verlaten.

Ik had in die tijd een Poolse vriendin, Hania, die ik in Londen had leren kennen. Om bij haar te kunnen zijn verhuisde ik in 1978 naar Warschau, in het toenmalige Oostblok. Ik kreeg een visum voor zes maanden en vond werk op een school, waar ik Engelse les gaf aan gemotiveerde en slimme leerlingen. De dag voordat mijn visum afliep, moest ik Polen noodgedwongen verlaten – teleurgesteld maar met een sterk verhaal over de Koude Oorlog.

Dertig jaar later ben ik terug in Polen. Op een zonnige middag in juni loop ik over de Krakowskie Przedmieście, een van de mooiste boulevards ter wereld en zonder twijfel de mooiste straat van Warschau.

De boulevard is onderdeel van de ‘koninklijke route’ tussen het stadskasteel en het al even koninklijke Wilanówpaleis. Je komt hier alles tegen wat je in een grote stad verwacht: winkels, galeries, restaurants, historische residenties (waaronder die van de president), een chic hotel, een imposante universiteit, kerken, parken en standbeelden van onder anderen een prins, een dichter en een astronoom. De Krakowskie Przedmieście is sfeervoller dan de P.C. Hooftstraat en veel gevarieerder dan de statige Champs-Élysées. Het is niet zomaar een boulevard, het is Polen in een notendop.

Er heerst een gezellige, zomerse drukte op straat en ik vang flarden Italiaans, Engels en Frans op. Ik denk terug aan vroeger, toen ik hier kwam om de kleurloze stad even te ontvluchten. In de Tweede Wereldoorlog is Warschau door de nazi’s compleet verwoest en de stad werd in de communistische tijd herbouwd; een tragischer lot kan een stad nauwelijks treffen.

Het chicste hotel van de stad, dat destijds dienstdeed als ziekenhuis voor Duitse soldaten, heeft de bombardementen doorstaan. In hotel Bristol Warsaw, zoals het nu heet, ga ik de fraaie art nouveau-lobby binnen en kijk zoekend rond naar de ingang van de Column Bar. In zijn hoogtijdagen, in de jaren ’20 van de vorige eeuw, werd dit chique café gefrequenteerd door de elite van Polen – onder wie componist, pianist en premier Ignacy Jan Paderewski. Het trekt ook nu nog een welgesteld publiek.

‘Vroeger haatte ik Warschau,’ zegt Noemi Gadomska gedecideerd. We zitten op een terrasje op het Plac Konstytucji, een plein uit de stalinistische tijd ten zuiden van de Krakowskie Przedmieście. De reliëfs van heroïsche socialistische arbeiders op de gevels rond het plein doen – nu de achterliggende ideologie heeft afgedaan – uiterst gedateerd aan. Gadomska, de dochter van een vriend van een kennis, heeft net haar middelbare schoolafgemaakt en is op zoek naar een vakantiebaantje. Niet in het buitenland, zoals veel van haar leeftijdgenoten en ook Hania deden, maar hier in haar geboorteplaats.

‘Ik vond Warschau altijd maar provinciaals,’ vervolgt ze. ‘Totdat ik een tijdje bij familie in Ottawa ging logeren. Daar werd het gras keurig gemaaid.’ De obsessie met keurige gazons was nieuw voor haar, en stond – vermoed ik – in haar ogen symbool voor een gebrek aan verbeeldingskracht. ‘Het mag dan in Warschau misschien een rommeltje zijn,’ zegt ze, ‘maar karakter heeft de stad in elk geval wel. De inwoners komen voor hun mening uit.’

De stad telt meer zielen dan ooit: Warschau is de op acht na grootste stad van de Europese Unie – en dat is opmerkelijk als je bedenkt dat 67 procent van de inwoners tussen 1939 en 1945 om het leven kwam. Ook het aantal toeristen dat de stad bezoekt neemt alsmaar toe. Dat is mede te danken aan attracties als de twee jaar oude multimediafontein die in de zomermaanden met honderden waterstralen en led-lampen een spektakel van geluid, water en licht creëert.

‘Ze zeggen wel dat hij voor de toeristen is bedoeld, maar ál mijn vrienden zijn er al eens gaan kijken,’ merkt Gadomska op, om vervolgens nog enkele trekpleisters voor toeristen en de inwoners te noemen. Zoals de kledingwinkels aan de brede Marszałkowskalaan, de opkomende Praga-buurt (een arbeiderswijk aan de overkant van de rivier de Wisła, waar nu veel kunstenaars wonen) en het nieuwe wetenschapsmuseum Copernicus, waar volgens Gadomska wordt getoond hoe je in een Poolse Fiat het comfortabelst kunt vrijen.

Als ik haar zo beluister, besef ik eens te meer hoeveel er hier veranderd is sinds 1980, toen Solidarność in opkomst kwam. Dankzij deze beweging kon ik na mijn abrupte vertrek toch weer naar Polen terugkeren en in de oude stad met Hania trouwen. En de ouderen zullen helemaal niet weten wat ze meemaken. Ik heb het over de mensen die hier in de jaren ’50 woonden, de tijd van de Sovjet-Unie. Dat was de tijd waarin mijn schoonmoeder, en met haar vele andere politieke activisten, in Warschau in de gevangenis belandde. Een gevangenis waar mensen werden gemarteld en soms zelfs werden geëxecuteerd. De gevangenis waar mijn vrouw werd geboren.

In 1951 werd de jonge Halina Matraś beschuldigd van spionage voor de anticommunistische regering in ballingschap. Ze werd – zwanger of niet – veroordeeld tot tien jaar cel in de Mokotów-gevangenis en beviel tussen de grauwe muren van deze instelling van een dochter (mijn latere vrouw). Na een tijdje nam haar zus de baby met de tram mee naar huis. De drie maanden oude Hania zag er zo slecht uit dat haar tante onderweg door boze vrouwen werd uitgescholden. Tijdens de destalinisatie werd Halina vrijgelaten, maar die vijf jaar gevangenschap waren haar niet in de koude kleren gaan zitten.

Ik zoek de Mokotów-gevangenis op. Hij ligt in de Rakowieckastraat, enkele kilometers ten zuiden van de oude stad. Er verblijven nu voornamelijk kortgestraften. Op de gevel is een plaquette aangebracht. Zulke gedenktekens zie je veel in de stad, ze herinneren de voorbijganger aan de slachtoffers van oorlog en totalitarisme. Het zijn alledaagse monumenten, vaak versierd met bloemen, die verwijzen naar het leed dat de inwoners van Warschau de afgelopen eeuwen hebben doorstaan. Op de gevangenismuur zijn de namen vermeld van degenen die er stierven in ‘de jaren van communistische terreur… 1945–1955’.

Ik denk aan de degenen die deze moeilijke periode hebben overleefd, zoals mijn schoonmoeder, en vat het plan op een bezoek aan deze gevangenis te brengen. Een paar telefoontjes met wat oude bekenden en ik heb een gesprek geregeld met een vrouw die er ook heeft vastgezeten.

Barbara Otwinowska, een gepensioneerde literatuurdocente, begroet me met een glimlach. De muren in haar stijlvol ingerichte appartementje in het centrum van de stad gaan schuil achter planken vol boeken, landschapsschilderijen, portretten en een spiegel met een vergulde lijst. Otwinowska en ik nemen plaats aan de met boeken beladen tafel en raken in gesprek. Onder het genot van een citroensorbet vertelt ze me dat een kennis van haar bij het ministerie van Justitie misschien een bezoek aan de gevangenis voor ons kan regelen. We spreken af contact te houden.

Wanneer ik even later buiten sta, bedenk ik dat het vanaf hier maar een korte wandeling is naar het middeleeuwse hart van Warschau, waar in de 13de eeuw rijkgedecoreerde paleizen, kerken engildehuizen stonden. De wijk werd in de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s vrijwel geheel verwoest, maar van veel historische gebouwen zijn nadien replica’s gebouwd. De wederopbouw startte in 1948 en is met zo veel vakmanschap uitgevoerd dat de wijk sinds 1980 geldt als werelderfgoed.

Ik wandel het met kinderkopjes bestrate Slotplein op, waar een stel luidruchtige demonstranten zich heeft verzameld rond het 17de-eeuwse monument voor de Poolse koning Sigismund III Wasa. Dit bekende beeld vormt vaak het middelpunt van demonstraties. Er staan mensen met vlaggen te zwaaien: jonge Syriërs die in Polen kwamen studeren en niet meer zijn weggegaan. Met hun megafoons belichamen ze het nieuwe Warschau, een stad die immigranten opneemt en niet meer voornamelijk emigranten produceert.

Sommige mensen halen hun neus op voor de oude stad omdat de meeste gebouwen niet echt oud zijn. Ik vind ook wel dat de wijk meer wegheeft van een toeristische attractie dan van een levendig stadscentrum, maar ik blijf me verbazen over de kwaliteit van de replica’s, die uiterst kundig en met oog voor detail zijn uitgevoerd.

Ik wandel een eindje door naar het marktplein (Rynek), dat eeuwenlang werd gedomineerd door de kooplieden en de gilden van Warschau. Voor de barokke stadspanden met hun kleurige gevels staan parasols van cafés opgesteld. Kinderen spelen in de fontein rond het beeld van Syrenka, de zeemeermin met het zwaard die geldt als symbool van Warschau.

Ik kan het nooit laten even bij Cepelia binnen te lopen, een winkel waar ze fraai houtsnijwerk verkopen. Het zijn veelal losse beelden, zoals van Franciscus van Assisi, maar er zijn ook complexere sculpturen bij. Zo zie ik een trouwgezelschap en een uit één stuk hout gesneden ark van Noach. Ik herken het werk van sommige kunstenaars, alleen maar door naar de vorm van de ogen te kijken (ik bezit thuis een bescheiden collectie). De ‘Bezorgde Christus’ toont de Verlosser gezeten op een steen, het hoofd mistroostig steunend op de hand – een klassiek beeld dat onder het communisme voor velen aan betekenis gewonnen moet hebben. De mengeling van vroomheid en humor die ik in veel stukken herken, is in mijn ogen typisch Pools.

Ik slaag erin de winkel te verlaten zonder mijn collectie uit te breiden en loop in noordelijke richting, langs pierogi-restaurants (dit traditionele deeggerecht beleeft een comeback), naar de nieuwestad, die eigenlijk de ‘nieuwe oude stad’ is. De wijk werd in de 15de eeuw gesticht als onafhankelijk stadje, maar ook dit werd in de Tweede Wereldoorlog verwoest en vervolgens liefdevol in zijn 18de-eeuwse glorie teruggebracht. Het is hier rustiger op straat, maar er zijn ook veel minder winkels en restaurants dan in de oude stad.

Ik steek een verlaten plein over, loop langs de replica van de barokke Sint-Casimirkerk, waar in 1944 tijdens een bombardement meer dan duizend burgers omkwamen. Onder de open ramen van appartementen door wandelend bereik ik een hoog gelegen plek die uitzicht biedt over de Wisła. Er heerst een vredige, tijdloze sfeer. Ik vergeet dat alles hier werd herbouwd. Dat zoiets prachtigs bestaat, denk ik eerder, midden in een grote Europese stad, aan het begin van de 21ste eeuw.

Op een zwoele zomeravond heb ik afgesproken met Jerzy Thieme, een neef van mijn vrouw. We wandelen door Pole Mokotowskie, een van Warschaus grootste parken. Veel inwoners hebben met dit mooie weer hun appartement verlaten om een avondwandeling te maken. Op een bordje lezen we dat deoverledenPoolse schrijver Ryszard Kapuściński hier ’s ochtends graag wandelde. Het huis waar hij als jongen woonde, in de nabijgelegen Niepodległościstraat, wordt misschien een museum.

Warschau houdt zijn verleden levend. Dat gebeurt op indrukwekkende wijze in het Museum van de Opstand van Warschau. De inwoners kwamen in opstand tegen de nazi’s, die deze heroïsche daad vergolden door bijna de hele stad te verwoesten. Wie geen kennisneemt van deze gebeurtenissen, waarbij meer dan 140.000 burgers omkwamen, zal het moderne Warschau niet begrijpen.

De opening van dit museum in 2004 bevestigde de herwonnen zelfstandigheid van Polen, dat zich daarmee ook het eigen verleden toe-eigende. De collectie schetst een aangrijpend beeld van de gevaren waar de verzetsstrijders in Warschau mee kampten. Ze konden zich bijvoorbeeld alleen via het riool ongezien door de stad verplaatsen. De verhalen van overlevenden bij de getoonde voorwerpen – waaronder stenguns, een nazi-motorfiets, een Kubś (gepantserde wagen die het Poolse Binnenlandse Leger in elkaar kluste op het chassis van een Chevroletbusje) – maken veel indruk.

In het hypermoderne Wetenschapsmuseum Copernicus, dat een stuk lager ligt dan de oude stad, heerst een heel andere sfeer. Bij een apparaat dat decibellen meet staat een stel kinderen zo hard te schreeuwen dat ik mijn handen tegen mijn oren moet drukken. Even verderop proberen twee meisjes lichaamsdelen in een anatomisch model te plaatsen. Ze grinniken als hun vader de lever oppakt en zegt: ‘En daar heb ik nou altijd last van!’ Wie zegt dat er geen lol te beleven valt in een wetenschapsmuseum?

Op vrijdagochtend nemen professor Otwinowska en ik plaats in de wachtkamer van de Mokotów-gevangenis (nu Areszt Śledczy Warszawa-Mokotów geheten). Dankzij een behulpzame medewerker van het ministerie van Justitie krijg ik straks de plek te zien waar mijn vrouw ter wereld kwam.

‘Aangenaam,’ zeg ik tegen de man die zich bij ons voegt. Zijn antwoord beneemt me eventjes de adem: ‘Maar wij kennen elkaar al. Ik ben Tomasz, een van uw vroegere leerlingen.’

Hij grijnst en leidt ons naar de binnenplaats van de gevangenis. Wanneer we het gebouw binnengaan, geeft Otwinowska, die er elegant uitziet met haar zonnehoed, me een arm. Zij wordt overspoeld door herinneringen waar ik me nauwelijks een voorstelling van kan maken. Voor een van de cellen blijven we staan. Zodra de bewakers de twee gevangenen eruit hebben gejaagd, kunnen wij een kijkje nemen. Otwinowska spreidt haar armen en verklaart dat haar cel kleiner was. En dat er destijds natuurlijk ook geen televisie in stond.

Een bezoek aan een gevangenis is altijd overweldigend, maar hier is het verleden haast tastbaar aanwezig. Lopend door de gangen denk ik aan de ondervragingen, hongerstakingen, martelingen en executies die er tussen deze muren hebben plaatsgevonden. Aan de vele levens en productieve jaren die hier verloren zijn gegaan. Ik denk aan de moedige burgers die als criminelen behandeld zijn, aan de moeders die van hun baby’s gescheiden werden. Aan de baby’s die hun moeder kwijtraakten.

Ons bezoek eindigt in het kantoor van directeur Bogdan Kornatowski, een lange en knappe man. Hij geeft ons een glasgravure van het oude gevangenisgebouw cadeau en praat met Otwinowska over het reilen en zeilen in de instelling. Dan kijkt hij mij aan.

‘Wat ik nu ga zeggen klinkt misschien vreemd,’ begint hij. Hij zoekt even naar woorden en zegt dan: ‘Misschien zelfs ongepast. Maar zou u uw vrouw de groeten van de gevangenisdirecteur willen overbrengen?’

Zelf op reis naar Wasrchau? Kijk voor meer informatie op de website van de Poolse Organisatie voor Toerisme of op de site van de stad Warschau.

Lees meer