Dieren

Baanbrekend onderzoek bij baby's toont aan dat angst voor spinnen en slangen aangeboren is

dinsdag, 21 november 2017

Veel mensen huiveren bij de gedachte dat er een spin boven hun hoofd bungelt of een slang rond hun voeten glibbert. En uit onderzoek blijkt dat vijf procent van de bevolking zelfs een ernstige en problematische fobie voor spinnen en slangen heeft.

Maar is deze angst aangeleerd of aangeboren?

Een groep onderzoekers van het Max-Planck-Institut für Kognitions- und Neurowissenschaften in Duitsland en de Universiteit van Uppsala in Zweden besloot een antwoord op die vraag te vinden door het deel van de bevolking te testen dat nog nergens bang voor is: baby’s.

In het instituut werd bekeken hoe 48 baby’s van zes maanden reageerden op foto’s die volgens de onderzoekers griezelig zouden moeten zijn. Zittend op schoot bij hun ouders kregen de baby’s vijf seconden lang foto’s van spinnen en slangen op een neutrale achtergrond te zien. Om onbedoelde beïnvloeding door de reactie van de ouders te voorkomen droegen de vaders en moeders tijdens de test ondoorzichtige brillen, zodat ze de foto’s niet konden zien.

Toen de baby’s de foto’s van de slangen en spinnen zagen, reageerden ze zonder uitzondering met wijdere pupillen dan wanneer ze foto’s van bloemen en vissen kregen te zien. Het resultaat, dat in het vakblad Frontiers in Psychology werd gepubliceerd, lijkt erop te wijzen dat de angst voor deze beesten aangeboren is.

Verwijde pupillen worden namelijk in verband gebracht met de activiteit van het ‘noradrenergische systeem’ in de hersenen, dat verantwoordelijk is voor de stressrespons. In eerdere studies waren veranderingen in de pupilgrootte exact gemeten om verschillende vormen van mentale en emotionele stress bij volwassenen vast te stellen.

“Er vond duidelijk een stressrespons in de hersenen plaats,” zei onderzoeksleider Stefanie Hoehl. Ze legde uit dat het lastig is om de precieze aard van de stress te bepalen die deze baby’s voelden, maar de verwijde pupillen wezen op een verhoogde staat van opwinding en mentale verwerking. In plaats van regelrechte angst ging het hier volgens de onderzoekers veeleer om gerichte aandacht.

“Anders dan bestaande studies heeft dit onderzoek bewijzen opgeleverd voor de stelling dat de angst voor slangen of spinnen aangeboren is,” zei David Rakison, een professor in de psychologie aan de Carnegie Mellon University die onderzoek doet naar de vroege ontwikkeling van baby’s.

“Baby’s beschikken over een speciaal angstmechanisme, waarbij ze ‘voorbereid’ zijn om snel te leren dat slangen en spinnen een specifieke respons in emotie en gedrag oproepen,” zei hij.

Om deze aangeboren aandacht te verklaren wijst Hoehl naar de evolutie van de mens, die samenviel met het bestaan van gevaarlijke slangen en spinnen.

Historische angsten

“Het gaat om een zeer lange geschiedenis van gezamenlijke evolutie – zo’n veertig tot zestig miljoen jaar waarin de vroege mens met spinnen en slangen te maken had,” legde Hoehl uit. Een giftige beet van een van deze wezens die in het gras lagen verscholen, zou de vroege mens zeker hebben uitgeschakeld of zelfs gedood. In het onderzoek van Hoehl wordt dan ook gesteld dat de aangeboren angst voor deze dieren als menselijk afweermechanisme kan fungeren.

De hypothese wordt ondersteund door eerder onderzoek bij volwassenen en kinderen waaruit een aangeboren angst voor spinnen of slangen zou blijken.

In een onderzoek dat in 2001 in het Journal of Experimental Psychology verscheen, werd een groep studenten gevraagd om foto’s te kiezen die door hen als een bron van angst werden beschouwd. De studenten vonden de foto’s van slangen en spinnen duidelijk ‘gevaarlijker’ dan die van zoogdieren of schimmels.

“Slangen zijn gedurende de hele evolutie van zoogdieren een aanhoudende bedreiging geweest. Zoogdieren die goed waren in het identificeren van deze dreiging en het inzetten van verdedigingsmechanismen tegen slangen, moeten meer nakomelingen hebben gekregen dan dieren met minder efficiënte verdedigingsmechanismen,” zei Arne Öhman, medeauteur van de studie, destijds tegen National Geographic.

Ook een onderzoek dat in 2008 in het tijdschrift Cognition werd gepubliceerd en een studie die in 2014 in Evolution and Human Behavior verscheen, wijzen op een aangeboren angst voor spinnen en slangen.

Slangenliefhebbers

Maar als we met een aangeboren stressrepons op slangen en spinnen reageren, waarom houden sommige deze beesten dan als huisdieren terwijl anderen zich niet kunnen bewegen van angst als ze deze dieren zien?

Niet alle onderzoeken ondersteunen de stelling dat de angst voor spinnen en slangen aangeboren is. In een onderzoek dat in het vakblad Current Directions in Psychological Science werd gepubliceerd, werd beschreven hoe baby’s van zeven maanden oud foto’s van slangen weliswaar sneller opmerkten, maar geen tekenen van angst vertoonden. Daaruit zou blijken dat kinderen geen aangeboren angst voor deze dieren hebben, maar dat ze ze wel sneller kunnen identificeren.

De tegenstrijdigheid lijkt deels verklaard te kunnen worden door het feit dat kinderen dingen leren door ze van anderen af te kijken, zei Hoehl. In zijn onderzoek waren baby’s van een half jaar oud gekozen, kort voordat ze zouden leren om te kruipen en lopen. Naarmate baby’s mobieler worden, beginnen ze hun natuurlijke omgeving beter te leren kennen. Uit onderzoek dat in 2015 aan het Infant Action Lab van de New York University werd uitgevoerd, bleek dat baby’s tijdens het verkennen van hun omgeving een betere inschatting van diepte ontwikkelen en leren hoe ze hoogteverschillen moeten overbruggen.

Stimulansen van de ouders spelen een grote rol in de ontwikkeling van angsten, zegt Hoehl. Hoewel een baby die door een slang of spin wordt gebeten, een duidelijk verband tussen deze dieren en gevaar zou ontwikkelen, zou de manier waarop de ouders op deze dieren reageren eveneens van invloed op het kind zijn.

In toekomstig onderzoek hoopt Hoehl te testen hoe iemands fobie voor spinnen of slangen wordt beïnvloed door zijn of haar temperament en of sommige delen van de anatomie van deze dieren meer stress oproepen dan andere.

Sarah Gibbens schrijft voor de internetedities van National Geographic. Volg haar op Twitter.

Lees meer