Waarom motten een obsessie hebben voor lampen

dinsdag 23 oktober 2018

Het verhaal over motten en lampen is er een van dodelijke aantrekkingskracht. De theorie is dat deze insecten, die vooral 's avonds en 's nachts leven, zich zo hebben geëvolueerd dat ze zich verplaatsen aan de hand van de maan en de sterren. Dit wordt ‘transverse orientation’ genoemd. Je kunt je dat op een eenvoudige manier voorstellen door te denken aan een zeeman die richting de Poolster vaart. In theorie volgen motten op een soortgelijke manier een lichtbron die op een exacte positie en in een precieze hoek ten opzichte van hun lijf staat. Zo vonden motten miljoenen jaren lang hun weg... aan de hand van het maanlicht.

Maar de mottenevolutie was niet berekend op het elektrische licht dat overal schijnt in onze moderne wereld. Toen Thomas Edison op 27 januari 1880 een patent aanvroeg op de gloeilamp, was dat een hele slechte dag voor motten. De lampen werken als kunstmatige manen, waardoor motten in de war raken en hun zintuigen op hol slaan. Motten oriënteren zich gewoonlijk op lichtbronnen in de verte. Ze raken dus makkelijk gedesoriënteerd door een lichtbron die dichterbij is, zoals een buitenlamp.

Als dat licht heel helder is, of ultraviolet licht uitstraalt, wordt die aantrekkingskracht bijna onweerstaanbaar. Op dat soort licht reageren de insecten meer dan op licht van welke andere golflengte dan ook. 's Nachts is een ultraviolette lichtbron een superstimulans voor een mot. Dit soort kunstmatige ‘manen’ maken van motten een makkelijke prooi voor vogels, vleermuizen en veel andere dieren. Hoewel er nog steeds veel onbekend is over het gedrag van motten, is een ding duidelijk: hun obsessie voor lampen wordt ze vaak fataal. (5 oktober 2018)

Lees meer