Wetenschap

Fossiel van 25 meter lange walvis is grootste ooit

Deze zeereus leefde rond anderhalf miljoen jaar geleden, wat erop wijst dat blauwe vinvissen veel vroeger hun kolossale omvang bereikten dan tot nu toe werd gedacht. dinsdag, 7 mei 2019

Door Tim Vernimmen

De blauwe vinvis is niet alleen het grootste dier dat op aarde voorkomt, maar ook het grootste wezen dat ooit op onze planeet heeft geleefd. De analyse van een fossiel dat op de bodem van een Italiaans meer is gevonden, werpt nu meer licht op de vraag wanneer – en mogelijk ook waarom – de blauwe vinvis tot zo’n reus uitgroeide.

De kolossale schedel van de walvis, die gisteren werd beschreven in het tijdschrift Biology Letters, bevestigt dat deze prehistorische vinvis de grootste is die ooit in fossiele vorm is gevonden, met een totale lengte van maar liefst 25 meter. Hij is daarmee iets kleiner dan de grootste blauwe vinvissen die ooit zijn gemeten en een lengte van ruim dertig meter hadden. Wat de wetenschappers misschien nog meer verraste, is het feit dat een walvis van deze omvang al anderhalf miljoen jaar geleden, tijdens het vroege Pleistoceen, in de wereldzeeën rondzwom – veel eerder dan tot nu toe werd aangenomen.

“Het feit dat we zó’n grote walvis in een zó ver verleden aantreffen, wijst erop dat grote walvissen al enige tijd op aarde voorkwamen,” zegt Felix Marx, paleontoloog aan het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) in Brussel en medeauteur van de nieuwe studie. “Ik denk niet dat soorten zich tijdens hun evolutie in een mum van tijd tot een dusdanige grootte kunnen ontwikkelen.”

Een reuzenvondst

Erachter komen hoe blauwe vinvissen tot zulke monsters uitgroeiden, is een enorme uitdaging geweest omdat grote walvisfossielen uit de laatste tweeënhalf miljoen jaar zeldzaam zijn. Dat komt waarschijnlijk omdat de planeet in deze periode een aantal IJstijden heeft doorlopen, waarbij kolossale hoeveelheden water in ijs veranderden en de zeespiegel drastisch daalde. De resten van walvissen die gedurende deze periode stierven, ook als ze op land aanspoelden, liggen nu waarschijnlijk vele meters onder de zeespiegel.

In 2006 zag een boer in de buurt van het Zuid-Italiaanse stadje Matera enkele enorme ruggenwervels uit de klei steken, aan de oever van een meertje waar hij het water voor zijn akkers uit pompte. In de loop van drie herfstseizoenen, waarin het mogelijk was om de waterspiegel van het meertje te verlagen zonder de oogst te ruïneren, groeven de Italiaanse paleontoloog Giovanni Bianucci van de Università di Pisa en zijn team de fossielen op.

Destijds meende het team al dat het om fossielen van een blauwe vinvis ging, iets wat nu door de nieuwe anatomische analyse is bevestigd.

Het fossiel kan volgens Marx ook een bijdrage leveren aan het inzicht dat de opkomst van deze zeereuzen een geleidelijker proces is geweest dan tot nu werd aangenomen. In 2017 kwamen wetenschappers die onderzoek deden naar de lichaamsomvang van alle bekende soorten baleinwalvissen, waarvan er vele alleen van fossielen bekend zijn, tot de conclusie dat de toename in grootte van deze dieren tamelijk snel plaatsvond, ongeveer vanaf 300.000 jaar geleden maar mogelijk ook vanaf vierenhalf miljoen jaar geleden.

Maar toen Marx het nieuwe fossiel in deze analyse inbracht, constateerde hij dat “de meest waarschijnlijke datering naar 3,6 miljoen jaar geleden en mogelijk nog verder – naar maximaal zes miljoen jaar geleden – opschoof.”

'Eilanden' van overvloed

Graham Slater van de University of Chicago, die de oorspronkelijke analyse uitvoerde, wijst erop dat 3,6 miljoen jaar nog steeds past binnen het tamelijk grote tijdraam dat hij had gevonden. En zelfs als de meest waarschijnlijke datering voor de plotselinge toename in walvisgrootte veel verder naar het verleden wordt opgeschoven, is een herziene ouderdom van 3,6 miljoen jaar heel aannemelijk.

Rond die tijd veranderde de beschikbaarheid van voedsel voor walvissen waarschijnlijk drastisch, als gevolg van een wereldwijde afname van de zeetemperatuur, waardoor ‘eilanden’ van opwellend koud water uit de diepte met een hoge dichtheid aan prooidieren ontstonden. Deze eilandjes van overvloed waren volgens Slater “belangrijk voor het voedselaanbod voor zeer grote walvissen.” Slater is het niet eens met Marx dat de nieuwe analyse een onderbouwing is van de stelling dat de groeispurt bij blauwe vinvissen veel vroeger plaatsvond.

Het is waar dat zo’n scenario niet direct uit de nieuwe analyse kan worden afgeleid, geeft Marx toe. Maar zijn zienswijze wordt ook ingegeven door opgravingen die nog komen. Omdat grote walvisfossielen moeilijk zijn te bergen, te bestuderen en te beschrijven, is ons inzicht in de evolutie van hun lichaamsomvang vermoedelijk niet compleet. Marx is betrokken bij een vindplaats in Peru waar meerdere walvisfossielen zijn ontdekt die nog niet zijn geborgen. Hoewel de gegevens daarvan nog voorlopig zijn, kunnen ze alvast in de analyse worden meegenomen en dat levert een beeld op waarin het idee van een plotselinge toename volgens hem verder wordt ondermijnd.

“Ik ben me bewust van meerdere grote walvissen van tenminste dezelfde ouderdom die nog niet wetenschappelijk zijn beschreven,” zegt hij. Elk nieuw walvisfossiel dat wordt gevonden en gedocumenteerd, zal volgens hem het idee van een meer geleidelijke toename waarschijnlijker maken.

Paleontoloog Cheng-Hsiu Tsai van de National Taiwan University heeft onderzoek gedaan naar de schaarse resten van wat vermoedelijk het op één na grootste walvisfossiel is dat tot nu toe is gevonden. De walvis, uit Californië, is waarschijnlijk een blauwe vinvis. Al enige tijd verkondigt Tsai de stelling dat baleinwalvissen veel vroeger hun enorme omvang bereikten dan algemeen werd aangenomen en hij is het grotendeels eens met Marx’ conclusies.

“Eerlijk gezegd verrast dit fossiel me helemaal niet,” zegt Tsai. “Ik verwacht dat we binnenkort nog iets vinden wat groter en geologisch nóg ouder zal zijn.”

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer