Noorwegen

Noorwegen: Het land van ‘Nooit meer slapen’

Sommige boeken verdienen het om nagereisd te worden. Pancras Dijk toog naar het hoge Noorden. In de voetsporen van W.F. Hermans in arctisch Noorwegen. donderdag, 9 november

Door Pancras Dijk
Foto's Van Bogdan Croitoru

De organiste is geen invalide, maar ze moet haast wel doof zijn. Soms kijkt ze even over haar schouder, om vast te stellen of de gemeente – Noren en Sami in kleurrijk, zondags ornaat – haar psalmen nog volgt. Na de zoveelste verkeerde inzet op het kerkorgeltje, weer een mislukt akkoord of dissonant nummer zoveel, kan ik mijn lachen niet meer inhouden. Ik verberg mijn gezicht achter mijn handen en probeer heel hard aan iets verdrietigs te denken.

Drie dagen lang hadden we onze knieën aan gort gelopen door het grillige arctische landschap, op zoek naar een beroemde berg. Niet eerder had ik me zo ver weg van de bewoonde wereld gevoeld. En nu zit ik, met pijnlijke gewrichten nog, te lachen om wat gênant gepingel. Van de tweetalige (Noors en Sami) preek had ik slechts twee woorden begrepen. Beide draag ik al zo ongeveer een leven lang met me: Jezus (ik kom uit een gereformeerd nest) en Karasjok (ik ben een literatuurliefhebber).

Helden eren

Vijf dagen geleden was ik aangekomen in het noorden van Noorwegen. De Boeing maakte een serie scherpe bochten door een dicht wolkendek en vloog toen ineens vlak boven de uitgestrekte Altafjord. Alfred Issendorf kwam ooit per watervliegtuig naar deze streek. Het toestel zette hem op de fjord af. De piloot van onze 737 koos voor de aangrenzende landingsbaan. 

Ik wil mijn boek terugbrengen naar de plek waar het thuishoort: de top van de Vuorje.

Een nors kijkende man schoof de trap naar ons toestel, zijn oren bedekt met reusachtige oordoppen waarvan hij de band dwars over het voorhoofd droeg. ‘Welcome in Alta’, las ik op de kleine loods die als terminal dienstdoet.

Mijn reisgids zit in mijn rugzak. Het is een roman die ik voor het eerst las als middelbare scholier. Tijdens mijn studie las ik hem nog eens, en nu net, in het vliegtuig, sloeg ik hem voor de derde keer dicht. Wat was Willem Frederik Hermans eigenlijk geestig, viel me op. Nooit meer slapen schreef hij in de jaren ’60. Ik heb de 21ste druk bij me, met op het omslag een foto die dr. W.F. Hermans zelf ooit nam. Een helling van grote rotsblokken en kleinere keien, deels vochtig. Waar de foto is gemaakt, weet ik niet, maar ik vermoed dat het op de flank van die berg is, ‘de beroemdste berg uit de Nederlandse literatuur’, zoals criticus Max Pam ooit schreef.

Voor het vliegveld staat een monument voor een schansspringer. Noorwegen eert zijn helden. Ik kom hier die van mij eren: Arne Jordal, Qvigstad, Mikkelsen, de drie expeditiegenoten van Issendorf in het toendragebied. Issendorf zoekt naar sporen van meteoriet­inslagen. Maar de tocht loopt uit op een fiasco. Muggen, het ruige landschap en een groeiend onderling wantrouwen drijven hem tot wanhoop. Arne stort te pletter en Issendorf komt er alleen voor te staan, de uitputting nabij. Om het spoor naar de bewoonde wereld terug te vinden, beklimt hij de Vuorje (spreek uit: Woerje). Als hij eindelijk de top heeft bereikt, is het zo mistig dat hij niets van het omringende landschap kan zien. Uiteindelijk weet hij Skoganvarre te bereiken, belandt hij in een ziekenhuis in Karasjok en via Alta weer in Nederland, waar zijn moeder hem denkt te verblijden met een set manchetknopen, ingelegd met meteorietsteentjes.

De roman is nauwkeurig in de beschrijvingen van het poollandschap. Dat de geoloog Hermans hier ooit zelf is geweest, laat zich raden – hij moet toen al aantekeningen hebben gemaakt voor zijn latere meesterwerk. Maar ik ben hier niet gekomen om feiten­ te checken. Nooit meer slapen is een roman en of alles wel of niet klopt, kan me eerlijk gezegd weinig schelen. Ik kom hier om te kijken met Issendorfs ogen. Ik kom om direktør Hvalbiff te zoeken, de enigmatische sleutelfiguur wiens naam Walvisvlees betekent, maar wiens bestaan in de roman meer en meer wordt betwijfeld. Ik wil mijn lijfboek eindelijk eens voelen. Bovenal wil ik mijn exemplaar terugbrengen naar de plek waar het voor mijn gevoel thuishoort: de top van de Vuorje.

Literaire bestemming

Niet eerder bepaalde een roman mijn bestemming, maar al jaren zinderde het in mijn hoofd: ik wil naar die berg toe. ‘Naar de Vuorje?’ Liv Engholm aarzelt even. ‘Ik weet niet of dat haalbaar is.’ Liv, blond, topfit, vrolijk, nog geen 30 jaar oud, ademt de toendra. Haar vader Sven was een grote kampioen van de sledehonden­races. Elfmaal won hij de 1000 kilometer lange sledetocht dwars door Lapland. 

Sven, wiens heldenstatus te vergelijken is met die van Nederlandse Elfstedentochtwinnaars, drijft nu in Karasjok een huskylodge, onze uitvalsbasis. Dochter Liv heeft duidelijk zijn sportieve genen geërfd: in de winter gaat ze op expeditie met de husky’s, eindeloze tochten door de duisternis. In de zomer maakt ze ook lange trektochten en door het jaar heen traint ze militairen om te overleven in dit onherbergzame landschap. 

Finnmark, zoals deze regio ver boven de poolcirkel heet, kent ze op haar duimpje en natuurlijk, de Vuorje heeft ze vaak zien liggen. ‘De enige berg in de wijde omtrek,’ zoals Hermans schrijft, is nu eenmaal moeilijk te missen. Maar hem beklimmen? De hoogte, ruim 1000 meter, zal het probleem niet zijn. Maar een deel van de flank is simpelweg te steil voor een beklimming en andere delen liggen vol losse stenen. En eer je aan de voet staat, ben je trouwens al bijna twee dagen aan het lopen. Wegen zijn er niet, alleen een watervliegtuigje zou je dichterbij kunnen afzetten. Niet voor niets kozen de makers van Beyond Sleep (de verfilming van Hermans’ roman, die vorige maand het filmfestival van Rotterdam opende) ervoor de opnamen elders in Noorwegen te maken. Voor een voltallige filmcrew is de Vuorje volstrekt onbereikbaar.

Hoogtelijnen

De avond voor we op pad gaan, komt Liv onze uitrusting inspecteren. Ik ben geen ervaren toendra­wandelaar – sterker nog: niet eerder ben ik zo noordelijk op de planeet geweest. Dat mijn conditie ook te wensen overlaat, vertel ik haar maar niet. Nerveus doe ik de deur van de lodge voor haar open, kleding, bergschoenen, slaapmatje en -zak en andere spullen uitgestald op tafel. Het kan er mee door, zegt ze. Ik voel me alsof ik me door een moeilijk schooltentamen heb heen gebluft. 

Zodra we de topografische detailkaart van het gebied pakken om onze wandelroute uit te stippelen, begint mijn hart sneller te kloppen. De plaatsnamen, riviertjes en meren die ik ken uit Hermans boek vind ik stuk voor stuk terug als donkere stipjes, blauwe vlekken of kleine kruisjes. Het plaatsje Skoganvarre, en Lievnasjaurre, het meer waar Arne zijn tent opzette. De Vuorje zelf is omgeven door een strak patroon van dicht opeengetekende hoogtelijnen. 

De volgende ochtend slaan we leeftocht in. Sami zijn dol op chocolade­, blijkt in de supermarkt van Karasjok, waar een lang pad vol cacaoproducten blijkt te liggen. Dat zal dan wel helpen om de lange dagen hier door te komen, denk ik, en gooi een hoop repen in het mandje. We rijden verder. Voor Skoganvarre slaan we linksaf, een riviertje over. Daar houdt de weg op. We parkeren de auto, hangen onze rugzakken om en spreken elkaar moed in. De lucht is vochtig, de hemel hangt in grijze sluiers boven ons hoofd, maar de temperatuur is aangenaam zacht. Behalve Liv en fotograaf Bogdan zullen ook twee sledehonden ons avontuur meemaken. Ik krijg Neemi toegewezen. Laat haar nooit los, geen seconde, wordt me op het hart gedrukt – want dan is ze weg. Ik maak haar riem goed vast aan de buikband van mijn rugzak en probeer de eerste paar kilometer van de tocht vrienden te worden.

Nu zijn husky’s best lieve honden, misschien een beetje afstandelijk (van een aai over de bol moeten ze weinig hebben), maar als blindegeleidehond zouden ze nutteloos zijn. Ze kunnen namelijk maar één ding (trekken) en ze willen ook maar één ding (vooruit). Soms denk ik dat Neemi zo gek op me is dat ze alle kanten met me op wil. Op andere momenten denk ik juist dat ze me haat: ze wil van me weg, zo hard trekt ze. ‘Ooee, Ooee,’ luidt het commando dat me is geleerd om haar tot bedaren te brengen, maar hoe ik ook roep: luisteren doet ze niet. Neemi gaat haar eigen gang, ze sleept me voort tot de boomgrens, waar de toendra echt begint. 

Wonderlijke dieren trouwens, die husky’s. in de zomer hebben ze genoeg aan een paar honderd calorieën per dag, maar in de winter werken ze zo 8000 calorieën weg. Heuse vreetmachines zijn het. 

Op sokken

We volgen een paadje dat door de jaren heen is uitgesleten door rendieren en hun hoeders. Al snel raken we Skoganvarre uit het oog en dan zijn er nauwelijks nog sporen van enige menselijke aanwezigheid meer te zien. Soms stuiten we op een bergstroompje­ of riviertje. De bergschoenen gaan dan uit, en op onze sokken springen van steen naar steen naar de overkant. De stenen zijn glad, sokken bieden net wat meer grip dan blote voeten en nat schoeisel moet al helemaal worden voorkomen. Soms trekt Neemi me naar links als ik net op een steen rechts wil springen. Als de stenen te ver uit elkaar liggen, zit er sowieso niets anders op dan te waden door het ijskoude water. 

Was het helder geweest, dan hadden we in de verte de Vuorje al kunnen zien. Maar het lijkt alsof de wolken zo verbaasd zijn over onze aanwezigheid hier, dat ze die paar wandelaars graag van dichtbij willen bekijken. Het is begin september. De dagen zijn nog redelijk lang, maar de zomerhitte is al achter de rug en ’s nachts daalt het kwik zo diep, dat het lastig wakker worden is in de vroege ochtend. Liever zou ik nog wat langer in de warme tent liggen. 

Het landschap kleurt roze door de vele kruiden. Daarnaast groeit overal wollegras. Velden vol witte plukken wol wiegen zachtjes in de wind. Rendierhoeders vulden er ooit hun kussens mee. 

Maar wij zoeken kruipbramen. Cloudberries heten ze in het Engels: zoete bessen die als wolkjes laag in de struiken hangen. In de supermarkt kosten ze 300 kroon (30 euro) per kilo. Ze groeien alleen in het poolgebied en blijken­ vreselijk lekker en sappig. We plukken er zakkenvol van om ze straks als nagerecht te kunnen eten. ‘Wij zijn het rijkste volk ter wereld,’ zegt Liv, en ze doelt daarmee niet op de materiële welvaart van de Noren, maar over het feit dat de lekkerste bessen hier zomaar voor het plukken hangen.

Het hoofdgerecht wordt een forel die we later nog hopen te vangen. Alfred Issendorf gooide zijn netje uit en vond het direct vol met vis. Aangezien vrijwel alles bij Alfred mislukte, ga ik ervanuit dat vissen dus echt een eitje zal zijn, in de kraakheldere beekjes die we hier telkens passeren. 

Waar geen planten groeien, liggen stenen: hoe hoger we komen, des te meer stenen. Ze zijn groenig bewasemd met mosaanslag. Op een enkele rots ligt een kleiner steentje. Het is de manier waarop hier ooit de routes voor de rendierhoeders werden aangegeven – ik herken het uit Nooit meer slapen

Naarmate we verder wandelen, slaagt de zon er steeds vaker in de wolken open te breken. Dan lichten ineens delen van het landschap op, als in een gouden gloed. Wanneer de avond valt, kiezen we een plek om de tent op te zetten. Het meer Lievnasjaurre hebben we niet gehaald, maar we zitten in de buurt en de Vuorje laat zich inmiddels zien. Als de tent staat, gooien we de hengel uit. En inderdaad: nog geen tien tellen later halen we een pracht van een forel naar boven, vol dieproze eitjes.

Liv vertelt over het zalmtoerisme. Rijke lui betalen grif vele duizenden euro’s om een dag te mogen vissen in de rivier de Alta, iets naar het noorden. Zalm van reusachtige proporties schijnt daar bijkans je bootje in te springen. Wij spotten hier op 69,8 graden noorderbreedte ander wild. Een korhoen kijkt ons nieuwsgierig aan, er schijnen sneeuwuilen te nestelen en af en toe vliegen er opvallend dikke, bruine muggen rond ons hoofd. Waren het jullie voorouders die ­Issendorf tot waanzin dreven, wil ik ze vragen – maar ze zijn alweer weg. Last hebben we er niet van, maar we hadden geen maand eerder moeten komen, zegt Liv. 

Daarnaast spotten we steeds weer rendieren, in kleine groepjes. Karasjok, het nabij de Finse grens gelegen Sami-stadje waar onze lodge ligt, telt 2800 inwoners van wie er 170 fulltime in de rendierbusiness zitten. De meeste families hebben rendieren die ’s zomers noordwaarts trekken. Aan het begin van de herfst, als de dagen korter beginnen te worden, worden ze weer naar Karasjok geleid. ’s Winters worden er in Karasjok 65.000 rendieren gehoed. Neemi vindt een afgeworpen gewei, dat ze als trofee kilometerslang met zich meedraagt tussen haar tanden.

Voor de tent maken we een vuurtje. We zetten koffie en bakken ons visje. Voor we de tent in kruipen, begint de avondhemel zich te roeren. Af en toe menen we een glimp noorderlicht op te vangen. Wat zou het een prachtig schouwspel zijn geweest zonder al die wolken. Hermans rept dan wel met geen woord over aurora borealis, maar nu wij hier toch zijn, zouden we het toch graag een keer met eigen ogen bewonderen.

Daar ligt hij

‘De Vuorje heeft drie hellingen: een gericht naar het zuiden, een naar het noordwesten en een naar het zuidoosten. Ik nader de berg vanuit het zuiden, maar zal hem niet over de zuidelijke helling kunnen beklimmen, want dat is de steilste. Als ik de gegevens naga die de kaart verschaft, zal een beklimming van het noordwesten uit de minste moeilijkheden op­leveren.’

Ik laat het boek zakken en kijk op. De Vuorje: daar ligt hij. De berg die mij ertoe verleidde het vliegtuig te nemen, een loodzware rugtas om te hangen met tent, slaapzak en proviand en twee dagen lang over de toendra te trekken, tot waar ik nu ben: bijna aan haar voet. Pas nu ik de berg goed kan bestuderen, begrijp ik wat Alfred Issendorf bedoelde. De enige kant die nog enigszins benaderbaar lijkt, is inderdaad die vanuit de noordwestkant; de overige flanken zijn veel te steil. 

We gaan het doen vandaag, zeggen we als we met onze plastic­ opvouwmokken vol oploskoffie toosten op het welslagen van onze onderneming. We besluiten de tent en de overige uitrusting hier achter te laten. Als alles voorspoedig verloopt, moeten we vanavond terug kunnen zijn. Zonder de enorme backpack loopt het in ieder geval een stuk eenvoudiger. 

Binnen twee uur ligt het meer Lievnasjaurre groot aan glanzend voor ons. Waar het zich versmalt tot een riviertje, wagen we de oversteek. Het ijzig koude water doet pijn aan voeten en enkels; al gillend en vloekend bereik ik de overkant, de veters van mijn bergschoenen om mijn nek geknoopt. Hier begint de beklimming. Het eerste deel is nog enigszins begroeid, maar al snel bereiken we de steenhelling. Kleine en grote stenen, hoog opgestapeld. Volgens mij heb ik het omslag van mijn roman bereikt.

We klauteren omhoog, op handen en voeten. Regelmatig schuiven er stenen naar beneden. Al kletterend stuiteren ze de diepte in. Zelfs Neemi heeft het zwaar; soms raakt ze met een van haar poten vast in de spleten tussen de stenen. Zwetend bereiken we de kam, doodop. We nemen een moment om te genieten. De wolken van gisteren zijn volledig verdwenen, het uitzicht is grandioos: tientallen kilometers ver, zonder een dorpje, stad of zelfs maar een weg te zien. Dit is het land van Nooit meer slapen

De laatste paar honderd meter omhoog zijn niet zo moeilijk meer, en waar het weer lastig klauteren is, daar helpt onze euforie ons er doorheen, tot aan de top. We omhelzen elkaar – Liv, fotograaf Bogdan en ik – en ik heb tranen in de ogen. Ik pak de roman uit mijn rugzakje en plaats het op een geïmproviseerd altaartje dat eerdere bezoekers hier van stenen hebben opgebouwd. 

Dat we de afdaling zonder kleerscheuren hebben voltooid, mag een wonder heten. Laat in de avond vinden we onze tent terug­. We poken het vuurtje op, eten een eiwitrijke hap (gedroogd rendier­hart­, hoor ik nadat ik de eerste happen heb verslonden) en slapen in. Na een lange dag arriveren we weer in de lodge. Zelfs Sven lijkt enige bewondering voor ons avontuur niet te kunnen onderdrukken.

Heilige berg

Een avond later, met beurse knieën, willen we toch nog een poging doen het noorderlicht te zien. Liv neemt ons me naar de Halde, een uurtje lopen van de lodge. De Halde is een heilige berg van de Sami-minderheid, die rond deze heuvel hun rituelen­ en volksverhalen hebben geconcentreerd. Door dichte begroeiing struikelen we ons in het pikkedonker bergopwaarts. Op de top blijkt zich een 19de-eeuws meetinstrument te bevinden dat behoort tot de Geodetische Boog van de Duitse landmeter en wetenschapper Friedrich von Struve. Die liet van de Noordkaap tot aan de Zwarte Zee honderden van zulke meetpunten plaatsen, om ermee te kromming van de aarde aan te tonen. Wat een expeditie moet dat zijn geweest.

We maken vuur, zetten weer koffie en wachten af. Nog voor we de koffie op hebben, verschijnt een zachtgroene streep aan de hemel, snel gevolgd door meer strepen, en hele patronen. De volledige­ hemel licht op, alsof er zacht wapperende gordijnen worden neergelaten vanuit een verdwijnpunt aan het zenit. De diepte van het keurenspel geeft je de illusie dat je er volledig in kunt verdwijnen, de beweeglijkheid maakt het tegelijkertijd ook ongrijpbaar. De hemel is als een theater waar zich voor onze ogen het mooiste schouwspel voltrekt dat ik ooit heb gezien. Inmiddels gaat het dal beneden bedekt onder een dikke laag mist. Karasjok is verdwenen; alleen de Halde steekt nog boven het wolkendek uit. De Samigoden zijn ons gunstig gezind. Ik prijs me gelukkig en realiseer me (het is inmiddels rond half drie in de nacht) dat ik deze nacht mijn bed nauwelijks zal zien. Tijdens noorderlicht wil je nooit meer slapen.

De volgende dag rijden we terug naar Alta. Thuis had ik de route uitgeprint. Even dacht ik dat er iets was misgegaan. Slechts één aanwijzing had Google Maps voor deze 193 kilometer: na negentig kilometer rechtsaf. Het bleek te kloppen.
In Alta eten we nog wat. De fotograaf kiest voor de lokale specialiteit walvis, ikzelf houd het op een stukje rundvlees. Op de rekening vinden we uiteindelijk zelfs de enigmatische professor terug. Het staat er echt: Hvall, Biff en twee biertjes.

Pancras Dijk, eindredacteur van National Geographic Magazine, en de Roemeense fotograaf Bogdan Croitoru reisden ook samen naar Roemenië (Traveler 4-2011).

TIPS

Auteur Pancras Dijk bracht Nooit meer slapen terug naar de plek waar het verhaal zich afspeelt. Ben jij ook wel eens een roman nagereisd? Deel je verhaal – liefst met foto – via Twitter op @NatGeoTravelNL.

Onderweg

De reisperiode: Voor een trektocht door Finnmark met kans op noorderlicht is september een goede periode. Vergeet niet de app Aurora Forecast op je telefoon­ te installeren: dan krijg je een waarschuwing wanneer de kans op noorderlicht het grootst is.
Vervoer: Alta is te bereiken met een rechtstreekse vlucht vanuit Oslo (duur: circa twee uur). Om je in Finnmark te kunnen verplaatsen is een huurauto wenselijk, maar er zijn ook accommodaties die hun gasten met liefde van het vliegveld komen ophalen.

Inspiratie

Hermans in Noorwegen: Willem Frederik Hermans (1921-1995) maakte in de zomer van 1961 een studiereis door Finnmark, voor onderzoek naar glaciale afzettingen en erosie. Met een aantal vakgenoten liep hij van Skoganvarre via Lievnasjaurre en de Vuorje vermoedelijk tot aan de Noordkaap. De volledig fictieve roman Nooit meer slapen stoffeerde Hermans met notities die hij tijdens deze expeditie moet hebben gemaakt. In een internetverkiezing van het beste Nederlandstalige boek in 2007 eindigde de in 1966 gepubliceerde roman op plaats 6.

Overnachten

Husky Lodge: De beste accommodatie rond de Sami-hoofdstad Karasjok iszonder meer de Engholm Husky Lodge. Eigenaar Sven Engholm heeft daar de afgelopen jaren een aantal houten en stenen chalets gebouwd die prachtig opgaan in het omliggende landschap, van alle gemakken voorzien. Bij logies zijn traditionele gerechten inbegrepen, van bruine­ kaas met bessensaus tot elandragout. Op de lodge leven 36 husky’s en wie geluk heeft, mag mee op een quad, getrokken door husky’s. Voor begeleide dagtochten of meerdaagse expedities is het bedrijf Turgleder een absolute aanrader. Kijk voor meer informatie hier.

Alta: Het stadje Alta vormt met zijn luchthaven de toegangspoort tot Finnmark. Check vooral de Noorderlicht­kathedraal: een architectonisch hoogstandje uit 2013, met een spiraalvormige toren die het noorderlicht verbeeldt. In de Altafjord kun je genieten van Unesco-wereld­erfgoed: prachtige, tot 6000 jaar oude rotstekeningen.

Souvenir:Knivsmed Strømeng in Karasjok maakt authentieke, oersterke Sami-messen. De Sami krijgen hun eerste mes rond hun 8ste verjaardag en ze doen er van alles mee: hakken, kloven, snijden, zelfs smeren. Het ontwerp is al honderden jaren lang onveranderd.