Zoektocht: mythen in de Dolomieten

Achter het ontstaan van de Italiaanse Dolomieten gaan verschillende sprookjesachtige overleveringen schuil. Schrijver Jelle de Bont gaat, gedreven door een persoonlijke missie, op onderzoek uit.

Door Jelle de Bont
Foto's Van Getty Images
Gepubliceerd 18 nov. 2020 15:38 CET
De Schlern, waar heksen zouden samenkomen om zware stormen te veroorzaken.

De Schlern, waar heksen zouden samenkomen om zware stormen te veroorzaken.

Foto van Getty Images

Dit artikel verscheen in National Geographic Traveler editie 4, 2020

‘Wil je echt geen e-mountainbike?’ Ik snap nu – te laat – waarom de fietsverhuurder me dit herhaaldelijk vroeg. Zwoegend verplaats ik me vanuit het groene dal met wijngaarden en appelbomen rond het dorpje Tiers via smalle, onverharde bosweggetjes naar boven. Al na een halfuur vervloek ik mijn overmoed en verlang ik naar een motortje in mijn fiets. Maar de uitzichten die me bij elke adempauze begroeten, helpen me omhoog. Hoe hoger ik klim, hoe meer ik te zien krijg van de grillige bergen die steil uit de groene heuvels omhoog schieten. 

De indrukwekkende Dolomieten die me aan alle kanten omringen, zijn versteende koraalriffen die miljoenen jaren geleden zijn ontstaan. Door de botsing van tektonische platen zijn ze omhooggestuwd en massieven gaan vormen, weten we nu. Maar eeuwen geleden werd er nog gegist naar verklaringen voor de oorsprong en het uiterlijk van deze mysterieuze rotsformaties. Daardoor ontstond een schat aan mythologische vertellingen over reuzen, heksen en tovenaars. Er zijn aanwijzingen dat sommige al sinds de Middeleeuwen worden verteld, maar een exacte tijdsaanduiding is er niet.

Ik ben persoonlijk vooral geïnteresseerd in één lokale legende: die van dwergenkoning Laurin. Niet toevallig is dit de naam van mijn zoon – een idee van mijn vrouw, die tijdens haar studie in Tirol kennismaakte met het verhaal van de dwergenkoning. Nu ben ik op reis naar het decor van deze mythe: de flanken van het Rosengartengebergte in de Italiaanse provincie  Zuid-Tirol. Hier zou koning Laurin ooit een gigantische rozentuin hebben gehad, die door een vloek alleen nog bij zonsondergang zichtbaar is.

Eeuwen geleden werd er nog gegist naar verklaringen voor de oorsprong en het uiterlijk van deze mysterieuze stenen formaties. Daardoor is er een schat aan mythen ontstaan.

Foto van Getty Images

Bozen

Ik begin mijn zoektocht naar de legendarische rozentuin in Bozen, of Bolzano, de hoofdstad van Zuid-Tirol. Midden in de stad, in de Laurinstraat, staat Parkhotel Laurin, een ‘grand hotel’ dat in 1910 zijn deuren opende. Het imposante, pastelgele gebouw doet me denken aan gebouwen zoals je die in Wenen ziet. Wellicht een overblijfsel uit de tijd dat deze  Italiaanse provincie bij Oostenrijk hoorde – ik kan me zo voorstellen dat leden van de  Habsburgse keizerlijke familie hier ruim een eeuw geleden met hun koffers op de stoep stonden. 

De bar van het hotel wordt ook door veel inwoners van Bozen bezocht, ’s ochtends om koffie te drinken en de krant te lezen, ’s avonds om met een cocktail in de hand naar live jazz muziek te luisteren. De muren zijn versierd met fresco’s uit 1911 die het verhaal van dwergenkoning Laurin uitbeelden. In een leren fauteuil neem ik plaats naast Armin Gregorich, onlinemarketing manager van het hotel. Hij vertelt me dat de straat is vernoemd naar het hotel en niet andersom. Dat ze onlangs ergens in een vergeten hoekje bestek uit de beginjaren van het hotel hebben gevonden en het na grondig schoonmaken weer willen gebruiken. Het zijn interessante details, maar ik wil vooral meer weten over koning Laurin: Hoe zit het met dat standbeeld aan de overkant van de straat? Armin snapt niet waarover ik het heb. We besluiten te gaan kijken. 

‘Je hebt gelijk, dat is koning Laurin!’ Armin is verrast. ‘Niet z’n fraaiste moment, want hij wordt net in de pan gehakt door Dietrich.’

Armin komt uit een dorp aan de rand van Zuid-Tirol. Voordat hij hier kwam werken, kende hij het verhaal van Laurin niet. ‘Bij ons thuis hadden we andere verhalen. Elk gebied heeft zo zijn eigen legenden. Rondom Bozen is die van Laurin bekend, omdat de Rosengarten – zijn berg – hier niet ver vandaan staat. Maar eigenlijk kent elke berg, elk meer zijn eigen verhalen.’

Bozen (Bolzano), de hoofdstad van Zuid-Tirol.

Foto van Getty Images

Heksen en stormen

De volgende dag loop ik over de Seiser Alm, ongeveer twintig kilometer ten noordoosten van Bozen. De uitgestrekte groene velden van de grootste Europese bergweide zijn omringd door de bergtoppen van de Dolomieten. Hier ontmoet ik Margareta Fuchs, een professioneel verhalenverteller. Ze komt uit deze regio en organiseert regelmatig wandelingen in de natuur, waarbij ze vertelt over eeuwenoude lokale legenden. Daarnaast publiceerde ze meerdere boeken over de vertellingen. 

We lopen door het hoge gras van de Seiser Alm. Margareta vertelt over de bergen om ons heen. Eén springt duidelijk in het oog; door de steile hellingen en platte top is het een soort tafelberg, met twee spitse punten aan de noordzijde. ‘Dat is de Schlern, een belangrijke ontmoetingsplaats van de gevreesde Schlern-heksen, die boven op de berg bijeenkomen om zware stormen in dit gebied te veroorzaken.’ Ze brengt het als een feit.

Na een paar uur op de alm neem ik afscheid van mijn gids en stap ik in de kabelbaan. Margareta gaat te voet naar beneden, op zoek naar een mysterieuze steen die hier volgens een legende in de buurt moet liggen. Daar is ze al lang naar op zoek, zegt ze.

In een boom in Natuurpark Schlern-Rosengarten is het gezicht van een berggeest gekerfd.

Foto van Getty Images

Het regenboogmeer en latemar

De Dolomieten strekken zich uit over drie Italiaanse regio’s: Zuid-Tirol, Trentino en Belluno. Ik beperk me op mijn reis tot het gebied rond Natuurpark Schlern-Rosengarten in Zuid-Tirol. Alleen al in dit kleine stukje Dolomieten ligt de oorsprong van veel legenden. En hoewel ik voornamelijk voor de rozentuin van Laurin ben gekomen, ben ik – zeker na mijn ontmoeting met Margareta – ook benieuwd naar andere mythen. Zoals die van de nabijgelegen Karersee, ook wel het Regenboogmeer genoemd. Ooit leefde hier een  aternimf. Een magiër bouwde een regenboog om haar te verleiden, maar de nimf moest daar niets van hebben en verdween. De magiër was zo teleurgesteld dat hij die hele regenboog het meer in slingerde. En daarom zijn nu alle kleuren ervan in het water zichtbaar. 

Ik loop om het smaragdgroene meer heen, en hoewel ik tinten van blauw, groen en geel waarneem, herken ik er geen regenboog in. Wel zie ik de weerspiegeling van de Latemar-bergtoppen. Daar hoor ik de volgende ochtend meer over. Dan neemt Isidor Trompedeller, een gepensioneerd ambtenaar uit Tiers die tegenwoordig als gids werkt, me mee voor een wandeling. We starten om 5.00 uur bij de Karerpass ( Costalungapas). Het is donker, maar ik zie op een bordje langs het pad nog net dat we route 517 volgen. Zodra het lichter wordt, doemen de massieve rotspartijen van de Latemar op. Isidor heeft direct een verhaal paraat, over poppen die door een toverspreuk versteend raken. ‘Als je goed naar de Latemar kijkt,’ zegt Isidor, ‘zie je soms nog de zijden kleertjes van de poppen glanzen in de zon. Daarom worden de rotsen ook wel de Latemarpoppen genoemd.’ 

Veertig minuten en een handvol verhalen later blijft Isidor plotseling staan: ‘Dit is een mooie plek om de zon te zien opkomen.’ We zijn door de bossen omhoog gelopen en staan op 1983 meter hoogte. ‘Malga Vallazza,’ zegt Isidor, ‘zo heet deze plek.’  Vanaf hier zien we onder meer de bergen Marmolada (met 3343 meter de hoogste van de Dolomieten), Picol Vernel, Gran Vernel, Sas Dal en Piz Boè. Waar is de Rosengarten? vraag ik terwijl de eerste zonnestralen langs de spitse bergtoppen schieten. Isidor wijst naar het noorden: ‘Je kunt de Rosengarten vanaf hier niet zien.’ Hij merkt mijn teleurstelling. ‘Zonsopkomst is niet het juiste moment om de rozentuin te zien verschijnen,’ legt hij uit. ‘Je hebt de zonsondergang nodig, aan de andere kant van de berg. En deze plek, waar we nu staan, is perfect voor de zonsopkomst.’ Hij pakt zijn verrekijker en tuurt in stilte voor zich uit. Ik besluit ook om maar eens om me heen te kijken. Isidor heeft niet gelogen: het is hier prachtig. Doodstil ook, in de verte hoor ik slechts de bellen van koeien.

De Rosengarten bij zonsondergang.

Foto van Getty Images

Zonsondergang bij de Rosengarten

Als ik ’s avonds net buiten Tiers bij Hotel Cyprianerhof sta, volgens Isidor de beste plek om de Rosengarten te bekijken, is de zon al achter de bergen verdwenen. Heb ik het moment gemist? Of moet ik nog wachten? Ik ga op een steen zitten en wacht in de aangename koelte van de schaduw. Alleen de rotsenpartij recht voor mij is door zijn hoogte nog gehuld in de oranje gloed van het laatste beetje zonlicht.

En dan zie ik het: hoe lager de zon achter de bergen aan de ene kant zakt, hoe roder de gloed op het bergmassief wordt. Een logisch natuurlijk verschijnsel rond zonsondergang, maar met de legenden die er in de loop der tijd bij zijn bedacht in mijn achterhoofd, krijgt het kleurenspektakel een extra dimensie.

Margareta Fuchs zei eerder op de Seiser Alm dat ze altijd op zoek gaat naar de plekken uit de verhalen die ze hoort en leest. Dan komen de mythen voor haar echt tot leven. Ik snap nu precies wat ze bedoelt. Dit gebergte heeft zijn opvallende vormen gekregen door erosie, en de kleuren zijn het gevolg van magnesiumhoudend dolomiet gesteente in combinatie met het aanwezige zonlicht. Maar eigenlijk wil ik op dit moment liever geloven dat de spleten in de wanden van de Rosengarten erop duiden dat hier ooit dwergen de berg betraden. Dat de glanzende rotsen van de Latemar zo zijn geworden door de versteende zijden kleertjes van speelgoedpoppen. En dat hier, recht voor mij, ooit een gigantische rozentuin in bloei stond, waarvan ik nu een glimp krijg te zien.

Jelle de Bont schreef eerder voor Traveler over fietsen en wijn drinken in Istrië. 

Lees meer