Nog ééntje dan. Ik duw mijn backpack opzij, buig naar voren en steek mijn hand in de papieren zak die me wordt aangereikt. Op de slaapbank tegenover me staren vier paar grote ogen me verwachtingsvol aan.
Een vijfde blik, die van het jongste broertje van de Mongolische familie, is afgedwaald. Door het raam van de stilstaande trein tuurt het mannetje de oneindig lijkende Gobiwoestijn in. Zijn gefronste wenkbrauwen verraden frustratie.
Koekjes en een volle coupé
Dat komt deels door het gebrek aan ruimte – hij zit muurvast tussen zijn grote zus en de wand van de coupé – maar vooral door wat er zich voor zijn neus afspeelt: waarom krijgt die onbekende slungel nog een koekje en hij niet?
Ik knik goedkeurend en zwaai mijn hand langs mijn wang: deze versnapering is net zo lekker als de vorige. En die daarvoor. Terwijl ik met veel handgebaren bedank en de kruimels van mijn net opgemaakte treinbed veeg, vraag ik me af hoe deze familie van vijf van plan is de nacht in de trein door te brengen. De rit naar Ulaanbaatar is lang, het enkele bed in de trein te klein.
Een afscheid op de valreep
Het antwoord komt met het conducteursfluitje. De snerpende toon blijkt het startschot van een haastig afscheidsritueel. In ijltempo worden de tassen verzameld en de kinderen in colonne opgesteld – alleen de vader en de koekjes blijven.
De jongste telg wordt aan de hand van zijn moeder door het smalle gangpad geduwd, op weg naar de uitgang. Pas wanneer de trein begint te rollen, zie ik door het raam dat het gezin veilig en wel op het perron is aangekomen. Dierbaren uitzwaaien gebeurt in Mongolië blijkbaar gewoon aan boord.
Gastvrijheid als stille traditie
De vriendelijkheid die hier nu zo vanzelfsprekend is – en in de trein vooral wordt uitgedragen in de vorm van versnaperingen – staat in schril contrast met de manier waarop de bekendste Mongoliër uit de geschiedenis te werk ging.
Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!
In de dertiende eeuw bouwde Dzjengis Khan samen met zijn vrouw Börte op brute wijze aan het grootste aaneengesloten imperium dat de wereld ooit heeft gekend: het Mongoolse Rijk. Die expansie verliep zelden zachtzinnig.
Van Sovjetbus naar de oude hoofdstad
Negentien conducteursfluitjes en een nacht bijslapen later reis ik met een oude Sovjetbus – een boechanka, Russisch voor ‘broodje’ – verder naar Karakorum. In een ger (een soort joert) aan de rand van het stadje word ik gastvrij ontvangen met traditionele keelzang en archi, een Mongolische yoghurtwodka (te zien op de afbeelding bovenaan).
Bij het zien van de maquette in het lokale museum is het lastig voor te stellen dat Karakorum ooit diende als hoofdstad van een rijk dat zich op het hoogtepunt uitstrekte van Oekraïne tot China.
Een reusachtig eerbetoon aan Dzjengis Khan
De imposantste herinnering aan de veroverdrift van Dzjengis bestaat dan ook niet uit beschilderde miniatuurhuisjes, maar wordt een paar honderd kilometer naar het oosten tentoongesteld op een sokkel.
Het ruiterbeeld van Dzjengis Khan is veertig meter hoog en indrukwekkend – al betwijfel ik of het panoramaplatform op het hoofd van het beeld op goedkeuring van de heerser zelf had kunnen rekenen.
Eenmaal beneden, na een afdaling via de trap over Dzjengis’ nek, stuit ik op twee leden van een motorclub die een potje armpjedrukken. Joelend worden ze aangemoedigd door hun clubgenoten. De prijs? Een goedgevulde zak met koekjes, uiteraard om te delen.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!















