Hoe archeologen de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog onderzoeken

Met behulp van laserstralen en luchtfotografie helpen archeologen de verborgen geheimen van de Eerste Wereldoorlog onthullen.dinsdag 31 december 2019

De Eerste wereldoorlog was de eerste wereldwijde en geïndustrialiseerde oorlog op de planeet, en het gebruik van nieuwe technologieën als vliegtuigen, gepantserde tanks, machinegeweren en gifgas leidde tot een verbijsterend aantal doden en ongekende verwoesting. Tussen 1914 en 1918 sneuvelden meer dan acht miljoen soldaten en vielen ruim zes miljoen burgerdoden. Maar de statistieken die archeoloog Birger Stichelbaut, vooral verbazen, laten zien hoezeer het landschap zelf in een deel van Europa werd veranderd: zo lag alleen al in een strook van zestig kilometer lengte in België – onderdeel van een 675 kilometer lange frontlinie – ruim 4800 kilometer aan loopgraven.

“Dat zijn enorme getallen,” zegt Birger Stichelbaut, die is verbonden aan de Universiteit Gent en tot een groepje archeologen behoort dat ruim een eeuw na dato onderzoek doet naar de fysieke littekens die de Grote Oorlog in het landschap heeft achtergelaten. Hoewel het conflict in duizenden rapporten en ooggetuigenverslagen, foto’s en filmopnames is vastgelegd en na de oorlog eindeloos is bestudeerd, weet de archeologie nog een nieuwe dimensie aan onze inzichten in een van de meest gewelddadige conflicten uit de wereldgeschiedenis toe te voegen.

“Alle mensen die de Eerste Wereldoorlog zelf hebben meegemaakt, zijn overleden,” zegt hij. “Het landschap van nu is de laatste ooggetuige.”

Vogelvluchtperspectief

Enkele van de zwaarste gevechten gedurende de Eerste Wereldoorlog vonden plaats aan het westfront in Vlaanderen, waar Geallieerde en Duitse troepen vanuit de loopgraven dodelijke aanvallen op elkaar uitvoerden. Tijdens de vier oorlogsjaren waarin het conflict zich voortsleepte, veranderde de hele regio in een maanlandschap, maar na de oorlog verliep de wederopbouw in het gebied snel. Toch bleven veel sporen van het conflict intact, zij het dat ze werden begraven onder een laagje aarde van soms minder dan dertig centimeter diep.

Om te begrijpen hoe dit oorlogslandschap werd gevormd en welke herkenningspunten nog bestaan, maken Stichelbaut en andere onderzoekers gebruik van luchtfotografie. In de Eerste Wereldoorlog werden luchtfoto’s voor het eerst gebruikt voor het verkennen van vijandelijke stellingen, en duizenden van deze historische luchtopnames vormen nu de oudste foto’s van het gebied die vanuit de lucht zijn gemaakt. Als ze aan elkaar worden geplakt, bieden ze een vogelvluchtperspectief op de loopgraven dat nog nauwkeuriger is dan de stafkaarten die destijds van de linies en andere militaire installaties werden vervaardigd. En ze laten ook zien hoe de stellingen in de loop van het conflict werden aangepast.

Als aanvulling op de historische foto’s doen archeologen ook een beroep op modern onderzoek vanuit de lucht. Gewasverkleuringen (cropmarks) die in droge perioden in de vegetatie op moderne akkers zijn te herkennen, kunnen verbluffend gedetailleerde ‘kaarten’ van de honderd jaar oude begraven stellingen en loopgraven opleveren, omdat op deze plekken het grondwater blijft staan. In de afgelopen tien jaar hebben archeologen ook gebruik gemaakt van LiDAR, een lasertechniek waarmee men door de vegetatie aan de oppervlakte heen kan ‘kijken’.

Uit LiDAR-onderzoeken blijkt hoezeer het landschap van West-Europa nog altijd wordt gemarkeerd door zigzaggende loopgraven, bomkraters en andere overblijfselen die op de grond niet eenvoudig zijn te herkennen. Zo onthullen de LiDAR-beelden van een strook langs het westfront tussen het Vlaamse Kemmel en Wervik dat veertien procent van het gebied – meer dan werd verwacht – nog zichtbaar is getekend door de oorlog, zoals wordt beschreven in het boek Traces of War, dat Stichelbaut samenstelde als catalogus bij een tentoonstelling in het museum InFlanders Fields te Ieper.

Door gebruik te maken van historische en moderne luchtfoto’s “krijg je plotseling een ander perspectief en zie je een totaalbeeld van de oorlog: je ziet patronen en plekken die je vandaag de dag niet als loopgraaf zou herkennen, ook al zou je er met je neus bovenop staan,” zegt Stichelbaut.

Loopgraaflaarzen en teddyberen

Luchtfoto’s kunnen als basis dienen voor opgravingen, en als archeologen inderdaad de grond in duiken ontdekken ze talloze vergeten aspecten van het alledaagse soldatenleven. “In de loopgraven zelf zijn niet veel foto’s genomen,” zegt Stichelbaut. “Dus de archeologie geeft ons een momentopname van het reële leven in de loopgraven.”

De slagveldarcheologie van de Eerste Wereldoorlog heeft onderzoekers meer inzicht gegeven in de wijze waarop soldaten de constructie van hun loopgraven probeerden te verbeteren om zo het hoofd te kunnen bieden aan de loodzware omstandigheden. “Je kunt zoveel officiële handleidingen over de aanleg van loopgraven lezen als je wilt, maar als je ze zelf opgraaft, stuit je ter plekke op de werkelijkheid van de loopgravenoorlog,” zegt Stichelbaut.

De drassige bodem van het gebied helpt om organische materialen uit de oorlogstijd, zoals hout en textiel, te conserveren – een geluk bij een ongeluk voor moderne archeologen. Maar ruim een eeuw geleden moesten de soldaten een dagelijks gevecht leveren tegen het grondwater en de modder. Veel loopgraven werden verkeerd aangelegd, namelijk onder de grondwaterspiegel. Wanneer het herfst werd en het begon te regenen, werd het leven in deze stellingen een hel voor de soldaten, ook als ze niet onder vuur lagen. De aandoening ‘loopgravenvoet’ werd veroorzaakt door de koude, vochtige en smerige omstandigheden in de loopgraven en was verantwoordelijk voor de dood van 75.000 Britse soldaten.

Een Britse soldaat die enige tijd diende in een netwerk van tunnels dat bekendstond als de ‘Hades Dugout’, onder het dorp Wieltje bij Ieper, beschreef hoe hij meer dan dertig glibberige treden naar beneden moest volgen om een schuilkelder te bereiken, waar hij in een “zwarte en slijmerige rivier stond, die in het licht van een paar aftandse elektrische lampen traag voorbij stroomde en in het duister verdween.” “Is dit de Styx, zou je je afvragen? Hoe dan ook, hij stinkt,” schreef de soldaat in een verslag dat in het boek Traces of War is opgenomen.

In Wieltje vonden archeologen meer rubberen laarzen dan de gebruikelijke soldatenkistjes. Uit opgravingen van andere netwerken in België bleek dat de soldaten stro, puin, dakpannen en deuren gebruikten om te voorkomen dat ze met hun voeten in de modder wegzakten.

Deze subtiele details dragen bij aan een beter beeld van de alledaagse ervaringen van de soldaten. Voor Stichelbaut behoren kunstwerkjes, die in de loopgraven zijn aangetroffen tot de meest ontroerende archeologische ontdekkingen: etsen, crucifixen die van granaathulzen zijn gemaakt en andere voorwerpen die laten zien hoe de troepen de angstige dagen onder de grond doorbrachten.

Een ontdekking die archeoloog Simon Verdegem is bijgebleven, is een Duitse rugzak met daarin een teddybeer, die tijdens de aanleg van een gasleiding in de buurt van het Belgische dorp Langemark werd gevonden. “Je ontdekt veel voorwerpen die persoonlijke verhalen van soldaten vertellen, verhalen die anders nooit aan het licht zouden zijn gekomen en getuigen van de menselijkheid van deze soldaten,” zegt hij.

Verdegem is gespecialiseerd in de Eerste Wereldoorlog en werkt voor Ruben Willaert, een commercieel archeologisch bedrijf in België. Tijdens een archeologisch onderzoeksproject met de naam ‘Dig Hill 80’ was hij onlangs in de gelegenheid om onderzoek te doen naar het uitgestrekte loopgravenstelsel bij Wijtschate, een dorp op de ‘Messines Ridge’ bij Ieper. 

Tijdens de opgravingen, die in 2018 plaatsvonden en waarvan de resultaten nog steeds worden geanalyseerd, kwamen met aarde toegedekte loopgraven aan het licht, en ook overblijfselen van boerderijen die tijdens de oorlog werden verlaten. Verdegem was naar eigen zeggen verrast door het feit dat de meeste archeologische resten die bij Wijtschate werden ontdekt, in verband stonden met een tamelijk onbekende schermutseling in 1914, in plaats van de grote veldslag die hier in 1917 plaatsvond, toen Geallieerde troepen een verrassingsaanval op Wijtschate openden om een versterkte positie van de Duitsers in te nemen.

Het team van Dig Hill 80 ontdekte bij Wijtschate ook de stoffelijke resten van ruim 130 soldaten van verschillende nationaliteiten. De archeologie van de Eerste Wereldoorlog verschilt nog het meest met die van voorgaande perioden doordat families in het hier en nu nog betrokken zijn bij de ontdekkingen die in de loopgraven worden gedaan. “In meerdere landen zijn er hele generaties die zich nog altijd afvragen wat er tijdens de Grote Oorlog met hun voorouders is gebeurd,” zegt Verdegem. “Af en toe kunnen we deze mensen een antwoord geven, dus dat is iets heel bijzonders.”

Helaas zijn dat soort antwoorden juist het moeilijkst te vinden. Verdegem schat dat hij persoonlijk de resten van zo’n tweehonderd soldaten heeft opgegraven. Van hen zijn slechts drie geïdentificeerd.

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com