Milieu

Jakarta’s nieuwe zeewering

De Indonesische hoofdstad zinkt weg, waardoor miljoenen inwoners worden bedreigd. Nederlandse ingenieurs adviseren bij de aanleg van een grote watermuur die de stad droog moet houden. vrijdag, 25 januari 2019

Door Ariel Shepherd en Cynthia Boll

Cynthia Boll won dit jaar de Canon Zilveren Camera 2018 met de serie ‘Sinking Cities, Jakarta’. Ook National Geographic publiceerde beelden uit de serie in deze reportage over bodemverzakking in Jakarta, die verscheen in de november 2015 editie van National Geographic Magazine.

‘Sinking Cities’ nomineren voor de Zilveren Camera publieksprijs? Dit kan tot 24 maart 2019 via www.zilverencamera.nl/publieksprijs

“Om de twee jaar moet ik de vloer verhogen om te voorkomen dat mijn huis onder water komt te staan”, vertelt Lukman, terwijl hij en zijn vrouw Rifka de vloer uit hun woning slopen. De nieuwe ligt straks een meter hoger, gelijk aan het zeewaterpeil bij hoogtij. “Als ik niet genoeg heb aan het hout van de oude vloer, haal ik wat extra uit verlaten huizen en boten. Veel eigenaars hier waren het zat en hebben de baai verlaten.”

Lukman (41) is een van de laatste vissers in de baai van Jakarta. Met zijn vrouw en vier kinderen woont hij in een zelfgebouwde paalwoning die rust op kleigrond, net buiten de zeedijk van de Pluitpolder in het noorden van de stad. De polder, in 1981 drooggelegd als onderdeel van een grootschalig landwinningsproject, is de oudste van Indonesië en heeft een opvangbekken voor overtollig water, Waduk Pluit, en een drainagepomp.

“In 2013 hadden we al een grote overstroming”, zegt Ibu Sarmini. “Nu staat de hoofdstraat bij elke stortbui blank en loopt het verkeer vast.” Sarmini (38), die met haar man en vier kinderen in een nederzetting aan de rand van Waduk Pluit woont, weet er alles van. Tweemaal per dag rijdt ze op haar motor naar vaste locaties in de stad om er haar zelfgemaakte jamu te verkopen, een traditionele cocktail van geneeskrachtige Javaanse kruiden. “Vóór 2007 hadden we nooit last van zulke zware overstromingen.”

De tien miljoen inwoners van de metropool zijn wel wat gewend in het regenseizoen (van november tot april). Door het water uit de bergen overstromen de rivieren, een probleem dat nog wordt vergroot door verstoppingen als gevolg van geloosd plastic en ander huishoudelijk afval. Maar door klimaatverandering neemt de neerslag de laatste tijd toe. Grote overstro- mingen worden een steeds ernstiger, jaarlijks terugkerend fenomeen.

In 2007, een El Niñojaar, sloeg in Jakarta bij hoogtij het water over de smalle betonnen zeewering en stond het anderhalf tot zelfs zeven meter hoog in de straten. 2,6 miljoen mensen werden getroffen, van wie er 340.000 hun huis ontvluchtten. Er vielen zeventig doden, tweehonderdduizend mensen werden ziek door de slechte hygiëne. De Wereldbank schatte de economische schade op achthonderd miljoen euro. “Het water kwam tot hier”, wijst Sarmini naar een vuile lijn op de muur van haar woonkamer, anderhalve meter boven de vloer.

De overstroming bevestigde waarvoor onderzoekers al langere tijd waarschuwden. Groot-Jakarta, met dertig miljoen inwoners een van de dichtstbevolkte conglomeraties ter wereld, zinkt weg. En snel ook.

Door de onstuimige economische ontwikkeling en de bevolkingsgroei en door gebrek aan regelgeving wordt er in Jakarta te veel water aan de ondergrond onttrokken. Daardoor klinkt de bodem in en zakt de stad onder de zeespiegel – in een tempo van gemiddeld 7,5 centimeter per jaar. In het dicht bij zee gelegen noorden, waar Lukman en Sarmini wonen, werd onlangs zelfs 25 centimeter gemeten.

“Als er niets gebeurt, ligt Noord-Jakarta in 2025 misschien vijf meter lager dan in 2008”, zegt Jan Jaap Brinkman in zijn kantoor in het hart van de stad. De ingenieur van Deltares, een Nederlands instituut gespecialiseerd in waterbeheer, woont en werkt al twintig jaar in de Indonesische hoofdstad. “Ja, de zeespiegel stijgt als gevolg van klimaatverandering ”, zegt hij. “Maar het grootste probleem in Jakarta is dat de stad wegzakt.” Volgens de autoriteiten ligt 40 procent van de stad onder zeeniveau.

De springvloed in 2007 kwam voor de inwoners volslagen onverwacht. Brinkman werkte destijds voor een Nederlands consortium dat kort voor de ramp was ingehuurd door de Indonesische overheid om een oplossing te bedenken voor het probleem met de waterwegen. Brinkman en collega’s concludeerden dat de extreme overstromingen vanuit zee exact konden worden voorspeld aan de hand van de stand van de maan en dat ze zich voltrekken in een cyclus van achttien tot negentien jaar – de volgende wordt verwacht in 2025.

Niet alleen onderhoud aan de bestaande kanalen en rivieren was noodzakelijk, stelden de adviseurs, maar als de bodem in hetzelfde tempo zou blijven dalen, moest het gebied snel beter worden beschermd tegen overstroming. Anders zou er voor 2025 een nog grotere ramp in het verschiet liggen. Na de springvloed van 2007 vroegen de Indonesische autoriteiten de Nederlandse regering met een strategie en een concreet plan te komen om Indonesië en in het bijzonder Jakarta tegen het gevaar te beschermen.

In 2011 werd onder aanvoering van de Nederlandse overheid een consortium opgericht van Nederlandse ingenieursadviesbureaus en onderzoeksinstituut Deltares. Zij kwamen met een allesomvattend plan voor de grootschalige ontwikkeling en het overstromingsbestendig maken van de kustlijn: National Capital Integrated Coastal Development (NCICD). De bedoeling is dat er grote stukken land worden drooggelegd en dat er over dertig tot veertig jaar een 36 kilometer lange nieuwe zeewering ligt, bijgenaamd ‘de grote zeewering’.

Het hele project zal naar verwachting zo’n dertig miljard euro gaan kosten. Om de financiering mogelijk te maken, zal er een nieuwe stad van kunstmatige eilanden voor de kust worden aangelegd in de vorm van de Garoeda, een mythologische combinatie van een mens en een adelaar, en het nationale symbool van Indonesië. Dit jaar werd bekend dat de Nederlandse baggeraars Boskalis en Van Oord in elk geval één eiland zullen aanleggen, een order waarmee 350 miljoen euro is gemoeid.

In de eerste fase, die nu wordt uitgevoerd, wordt Jakarta beschermd tegen overstroming vanuit zee door het versterken van de bedijking langs de bestaande kustlijn en het verhogen van de waterafvoercapaciteit van de stad, en worden de afvalwaterzuivering en watervoorziening verbeterd. In de tweede en de derde fase (2018-’25) wordt zo’n tien kilometer buiten de bestaande kustlijn de ‘grote zeewering ’ gebouwd, die Jakarta tegen overstroming bij springvloed moet beschermen.

Het project voorziet ook in een grote opslagcapaciteit voor overtollig rivierwater en zal de stad ongezuiverd water leveren, dat weer als basis dient voor drinkwater. Uiterlijk in 2030 moet ten slotte worden begonnen met de aanleg van een enorm zoetwaterbekken voor Noord-Jakarta, zodat de rivieren niet op land worden vertraagd door bodemdaling en de rivieren op zwaartekracht in zee kunnen uitstromen.

In 1619 maakten de Nederlanders het huidige Indonesië tot kolonie en stichtte Jan Pieterszoon Coen Batavia. Via het reeds bestaande, wijdvertakte kanalenstelsel in het deltagebied werd het water vanuit de Ciliwungrivier naar zee afgevoerd. Het estuarium bij Batavia, lang geprezen om zijn smaragdgroene kanalen en grachten, begon in de achttiende eeuw te verzanden; vrachtschepen konden niet meer de landinwaarts gelegen scheepswerven en pakhuizen bereiken doordat de kanalen te ondiep waren geworden. De volksgezondheid ging snel achteruit, ook al omdat lijken, huishoudelijk afval en uitwerpselen in het water werden gegooid. De overheid legde landinwaarts een nieuw centrum aan, en nadat het buiten de oude stad gelegen platteland veilig was verklaard, trok de bovenklasse zuidwaarts.

Mettertijd maakte een groot deel van het oude Batavia plaats voor scheepswerven. Om het voortdurende dichtslibben van de baai van Jakarta, waarin de Ciliwung uitmondt, een halt toe te roepen, werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw in de rivier een sluis gebouwd.

“Daar is de zee”, wijst de twaalfjarige scholiere Alda naar het puntje van een scheepsmast in de verte. Met haar moeder en stiefvader woont ze in een zelfgebouwde triplex kamer in het historische hoofdgebouw van Pasar Ikan (Oude Vismarkt), oorspronkelijk een eiland gelegen tussen de oude stadsmuren van Batavia en de haven Sunda Kelapa. Hier bewaakten de Nederlanders de toegang tot de stad vanaf de Ciliwung. Mettertijd schoof de kustlijn echter steeds verder op en werd Pasar Ikan een vismarkt.

“En daar is de rivier”, zegt Alda tijdens een wandeling over het terrein waar het rivierslib zich heeft opgehoopt. “Dit is een van mijn favoriete speelplekjes.” Maar zwemmen in het omringende water doet ze hier liever niet, zegt ze met een gezicht vol walging. “Het water is te smerig. Ik krijg er jeuk van, en uitslag.”

Niet ver van Pasar Ikan ligt het Fatahillahplein, midden in Kota Tua, het oude stadshart van het vroegere Batavia. De meeste koloniale gebouwen zijn nu ruïnes, de oorspronkelijke grachten zijn op één na gedempt. Sumari (49) werkt er als een gids voor toeristen. Vanuit Jepara, een stadje in Midden-Java, verhuisde hij twintig jaar geleden naar Jakarta op zoek naar werk “met alleen een fiets en een koffer”, vertelt hij. “Ik werkte eerst op een fietstaxi. Maar nadat het erfgoed rond het Fatahillahplein was opgeknapt en verkeersvrij was gemaakt, kwamen er veel meer toeristen en ben ik begonnen als gids.”

Sumari vormde uiteindelijk met zijn vrienden een toergidsbedrijfje met Nederlandse fietsen. Sinds hij ermee is begonnen, heeft hij in zijn vrije tijd zijn historische kennis van Batavia bijgespijkerd door het lezen van geschiedenisboeken. “Mensen willen verhalen over het verleden horen en een beeld krijgen van hoe het leven hier vroeger was”, zegt hij. Sumari geneert zich voor de staat waarin de oude stad verkeert, maar ziet wel degelijk mogelijkheden om de schoonheid ervan te laten zien. “Moet je kijken”, wijst Sumari vanaf zijn fiets naar het troebele Kali Besar (‘grote kanaal’). “Hier kwamen mensen graag samen, het was een grootse boulevard. Die kan weer worden als vroeger, maar er hangt nu een vreselijke stank door het stilstaand water.”

Sumari rijdt verder langs de rivier naar Sunda Kelapa. Langs Pasar Ikan, het huis van Alda. Langs een plek waar Ibu Sarmini geregeld ’s avonds haar jamu verkoopt. Het is moeilijk voorstelbaar hoe al in deze vervallen gebouwen ooit specerijen werden opgeslagen. Sumari snuift. “Ruik eens, dit is kretek.” Hij lacht. Twee uur later staat het Fatahillahplein vol mensen. Het is een van de weinige autovrije plaatsen in Jakarta en tegelijk een populaire verzamelplek onder jongeren, met veel straatartiesten en venters. In de omliggende straten staan schitterend gerestaureerde panden, zoals het oude Gouverneursgebouw waarin nu een museum is gevestigd, het beroemde café Batavia en het Wayangmuseum met de grafsteen van Jan Pieterszoon Coen.

Sumari is verguld met de hernieuwde aandacht voor de oude stad. Hij droomt ervan dat het gebied met zijn kanalen en bruggen ooit zijn oude functie terugkrijgt, en dat de stad weer ademt zoals in de tijd van het oude Batavia. Hij oogt tevreden. Zoals de meeste inwoners van Jakarta, beseft hij niet hoe ernstig het verzakken van zijn stad is. Zijn geliefde Kota Tua kan dertig jaar verder zomaar door het water zijn verzwolgen.

Dat ligt anders bij Sarmini en haar familie bij Waduk Pluit. Al sinds de koloniale tijd voert het stelsel van kanalen en dijken niet alleen water af, maar ook grote hoeveelheden afval. “We kunnen niet anders dan het in het opvangbekken gooien”, zucht Sarmini, zoals goed is te zien in het kanaal op loopafstand van haar huis. In Jakarta wordt het huishoudelijk afval in de rijkere buurten door particuliere bedrijven opgehaald, in de armere wordt het afval gestort in leegstaande gebouwen – of dus in kanalen of rivieren, die in het regenseizoen dienstdoen als afvalverwerker. Het afval hoopt zich vervolgens stroomafwaarts op, waardoor de afvoerkanalen en drainagepompen verstopt raken.

De paalwoning van Lukman staat te midden van andere huizen pal boven het zeewater in een hoek van de baai van Jakarta, vlak bij de oude waterkering. Zijn vissersboot ligt op twee minuten lopen via steigers. Tweemaal per dag controleert hij zijn vaste netten naast de laatste mangroven in het gebied. “Vroeger was het een en al mangrovebos”, zegt hij. Lukman wijst naar een schiereiland vol flatgebouwen met luxeappartementen. “De mensen waren bang om hier te wonen vanwege de bandieten en de apen die in de waterbossen zaten.” Nu vindt hij in zijn netten geen vis, maar plastic afval, vaak met een dikke laag smurrie erop. 

Lukman vaart naar de overkant van de baai, waar een paar obscure visverwerkingsbedrijven staan. “Ik ben lid geworden van de visserijvereniging uit protest tegen de chemische troep die de bedrijven in de baai lozen”, zegt hij. Even verderop langs de zeewering bevindt zich de Pluitpomp, waarmee het water vanuit het Waduk Pluitbekken in de baai wordt geloosd. “Regent het, dan is het nog veel erger. Dan draait die pomp overuren om al het afvalwater uit Jakarta de baai in te krijgen”, zegt Lukman. “De mensen zijn zo hebzuchtig. Ze oogsten uit zee alsof het om hun eigen stuk land gaat, maar ondertussen verdwijnt óns land in zee.”

Lukman moet steeds verder op zee gaan vissen vanwege de slechte waterkwaliteit in de baai. Maar zijn boot is niet bestand tegen de ruwe oceaan, en hij is dan ook blij wanneer hij zijn vriend soms kan bijstaan op diens boot. Veel van zijn vrienden, ook vissers, gebruiken hun boot nu om toeristen rond te varen door de baai. Zelf zegt hij er niet aan te moeten denken: zijn vrijheid is hem meer waard dan het geld.

De smalle betonstrook die de zeewering is, moet de stad nu behoeden voor de stijgende zeespiegel. “Jakarta is te vergelijken met een omgekeerd aquarium: buiten zit water, erin zit lucht”, zegt Victor Coenen, projectmanager voor het NCICD. “Noord-Jakarta verzakt tot een kom, en wij bouwen nu muren eromheen om te voorkomen dat het water erin stroomt. Een kom met vier miljoen mensen van wie wij de veiligheid moeten garanderen. Een hele opgave.”

Een kustverdedigingslinie van spaarbekkens, afvoerpompen en waterkeringen is de enige optie in Jakarta, aldus Coenen. “De vraag is dan: wil je die verdediging op zee of op land? Wij denken op zee, omdat je dan geen rekening hoeft te houden met de stedelijke omgeving. Je kunt bouwen waar je wilt, en je hebt meer tijd om mensen te evacueren als er iets misgaat.”

De vraag blijft hoe je ervoor kunt zorgen dat het afvalwater dat uit de stad wordt afgevoerd en in de baai terechtkomt, schoon genoeg zal zijn.

Basuki Tjahaja Prunama, de gouverneur van Jakarta, is bezorgd. Als voorbeeld noemt hij de 33 kilometer lange Saemangeum-kering in Zuid-Korea. “Zelfs de Koreanen worstelen ermee, terwijl het bij hen maar om twee rivieren gaat. Jakarta heeft er dertien, die zwaar verontreinigd zijn.”

Niet alleen de gouverneur maakt zich zorgen om de waterkwaliteit. Vanwege de voorgenomen afsluiting van de baai, heet het NCICD in de volksmond al ‘de grote septic tank’. Coenen erkent het probleem. “Als we nu niets doen, hebben we straks óf overal overstromingsbekkens op het vasteland die zwart zien van de rotzooi, of één groot vervuild reservoir voor de kust. De waterkwaliteit moet hoe dan ook worden verbeterd, want opslagbekkens zijn een cruciaal onderdeel van elke variant van het plan.”

Op een steenworp afstand van het huis van Sarmini is te zien hoe baggermachines een vijf meter dikke laag afval en slib uit het Waduk Pluitbekken afvoeren. Het was een berg geworden, want het bekken zelf is maar twee meter diep, terwijl dat zeker vijf meter moet zijn, aldus Coenen. Toen Sarmini haar huis liet bouwen, zestien jaar geleden, woonden er nog maar weinig mensen in het gebied, maar nu de beschikbare bouwgrond steeds schaarser wordt, is de bevolkingsdruk langs Waduk Pluit en langs de rivieren en kanalen erg groot geworden. Om de functie van het opvangbekken te herstellen en het overstromingsrisico in het gebied te beperken, heeft de regering een begin gemaakt met het uitbaggeren van de rand van het bekken en worden op grote schaal woningen ontruimd om plaats te maken voor het water.

Even verderop staan een splinternieuw winkelcentrum en het evenementencomplex Jokowipark (vernoemd naar de toenmalig gouverneur van Jakarta, Joko Widodo, de huidige Indonesische president). Twee jaar geleden was het nog een gemeenschap met huizen zoals die van haar, zegt Sarmini. “We weten niet waar al die mensen naartoe zijn gegaan, alleen dat sommigen ver buiten de stad terecht zijn gekomen.” Hoewel Sarmini op korte termijn niet vreest voor haar eigen huis, is ze sceptisch. “Prachtig dat de regering de overstromingen tegengaat, maar als woningen moeten wijken voor winkelcentra om zogenaamd onze veiligheid te garanderen, dan ben ik ertegen.”

Volgens Sarmini is het gevaar van overstromingen eenvoudig te beteugelen: gooi er geen afval meer in en houdt de groene gebieden schoon. In de overheid is ze teleurgesteld. “Die zou er beter aan doen ons te helpen met het verwijderen van ons afval en met gezond drinkwater. Zo kunnen we samen van Waduk Pluit iets moois maken, zoals vroeger.”

De kampung (gemeenschap) die grenst aan de buurt van Alda heeft zichzelf de bijnaam ‘kampung aquarium’ gegeven, omdat de huizen er in een heel laaggelegen gebied staan, langs de haven Sunda Kalepa die wordt omgeven door een zeewering. Als je langs de huizen loopt, kijk je naar binnen door de ramen op de eerste etage. Even verderop is te zien hoe de overheid beton laat storten om de belangrijkste toegangsweg een halve meter op te hogen. Het is duidelijk waar de beter gesitueerden wonen: wie het kan betalen, laat zijn huis mee ophogen tot op straatniveau. De huizen van de minder bedeelden lopen bij een storm vol water, te beginnen bij die aan de straatkant, en dan verder het ‘aquarium’ in.

Nu gebruikt 60 procent van de inwoners van Jakarta opgepompt grondwater voor huishoudelijk gebruik. “Als de verzakking in de komende jaren sterk kan worden teruggebracht, is de aanleg van de grote zeewering eigenlijk niet nodig. Maar daarvoor moet het oppompen van grondwater wel ophouden”, zegt waterspecialist Jan Jaap Brinkman van Deltares. “Het probleem is dat er geen plan ligt voor overstromingen voor heel Groot-Jakarta en dat de regering en de regionale overheid nog moeten besluiten welke maatregelen van het NCICD ze willen uitvoeren.”

Deskundigen van onder meer Deltares, Indonesische wetenschappers en de regering in Jakarta zijn het over één ding eens: de stad heeft geen tijd meer te verliezen. Met goed grondwaterbeheer, zeggen zij, kan de bodemverzakking in vijf tot tien jaar tijd worden beteugeld – maar daarvoor zijn politieke wil en daadkracht nodig. Op basis van het advies van de experts heeft het stadsbestuur van Jakarta inmiddels besloten de belasting op het gebruik van grond- en oppervlaktewater in de stad te verhogen, opdat er minder van het water wordt verbruikt.

In Noord-Jakarta is te zien hoe de bouw van een versterkingswal buiten de bestaande betonnen zeewering het huis van Lukman is genaderd. Het is de eerste fase van het NCICD, en Lukman en de andere buurtbewoners lijken spoedig te moeten verkassen. Maar de bouw ligt al enige tijd stil: voor de complete aanleg van de versterking is de begroting nog niet rond.

De aanleg van de grote zeewering mag dan zijn bekritiseerd omdat het project vissers in hun bestaan bedreigt, het is duidelijk dat het water vele kilometers uit de kust zwart ziet van de vervuiling als gevolg van de grote hoeveelheden afval die Jakarta direct in de oceaan loost.

“Wil er voor de kust weer helderblauw water zijn te zien, dan denk ik dat een project als de grote zeewering de enige optie is”, zegt Victor Coenen van het NCICD. “Het drijvend afval en het vervuilde water moeten worden opgevangen en gezuiverd voordat alles in de oceaan verdwijnt.”

“Als mijn huis inderdaad moet wijken, neem ik mijn intrek in een drijvende woning op zee. Alleen!” zegt Lukman. Een ander leven dan als visser kan hij zich niet voorstellen, zegt hij: zijn vader was visser, zijn grootvader ook. “Het zit me in het bloed. Ik ben begonnen in de bouw, maar kwam uiteindelijk toch weer in de visserij terecht.” Dat hij straks noodgedwongen alleen nog in zoet water kan vissen, lijkt hem weinig te deren.

Wat weet Lukman eigenlijk van de grote zeewering? “Ik heb ervan gehoord, ja”, zegt hij. “Iets met een vogel of zo. Ik las het in de krant waarin mijn eten verpakt zat.”

Dit verhaal van fotograaf Cynthia Boll maakt deel uit van een project over het wegzinken van Jakarta en de gevolgen voor de inwoners. Lees hun verhalen en meer over oorzaken en mogelijke oplossingen op www.thepeoplebehindtheseawall.com

Waarom is Cynthia Boll juist naar Jakarta gegaan? “Ik woon zelf in een dijkhuis vier meter beneden de zeespiegel. Elke dag weer ben ik mij ervan bewust dat zonder de maatregelen waarmee Nederland zich heeft beschermd tegen het water, mijn leven in gevaar zou zijn. In Jakarta is die dreiging nu de dagelijkse realiteit.”

Dit verhaal verscheen in de november 2015 editie van National Geographic Magazine.

‘Sinking Cities’ nomineren voor de Zilveren Camera publieksprijs? Dit kan tot 24 maart 2019 via: www.zilverencamera.nl/publieksprijs

Lees meer