Genieten in Vorarlberg

Hoffelijk Wenen

Hoewel het vooral bekendstaat om zijn keizerlijke grandeur, zijn het de levendige volkswijken die de Oostenrijkse hoofdstad zo charmant maken. donderdag, 9 november

Door Andrew McCarthy

Ook al draagt ze makkelijke schoenen, haar granieten grimas verraadt dat ze voortdurend net iets boven haar macht werkt. Ze moet dik in de 50 zijn, misschien zelfs al in de 60. Haar armen buigen door onder de last van het dienblad – alsof elke bestelling die ze rondbrengt de laatste kan zijn. Maar als er een zeldzame lach op haar gezicht verschijnt, dan straalt ze ook echt. Ze heet Annelies, en voor mij is Annelies – en niet Mozart, Beethoven of voor mijn part keizerin Sisi – de verpersoonlijking van Wenen.

Annelies is serveerster bij Café Sperl, aan de Gumpendorfer Strasse. Sperl is mijn huiskamer geworden, en Annelies is mijn gastvrouw.

Ik ben naar Wenen gekomen met een eenvoudig plan: om net te doen alsof ik hier woon. Ik wil de beroemde keizersstad niet verkennen vanuit de comfortzone van een gerieflijk hotel met knipmessend personeel, maar een appartementje huren waar ik mijn eigen gang kan gaan. En niet in het centrum tussen alle toeristen, maar in een gewone Weense volksbuurt. Hoe meer ik in mijn omgeving opga, zo weet ik inmiddels, hoe bijzonderder mijn ervaringen zijn. Want ik wil wel wat anders dan een Mozart-tour en een ritje met paard-en-wagen rond het Hofburgpaleis. Maar eerst moet de koelkast gevuld.

Ik bega de prettige vergissing om boodschappen te doen met een lege maag, en daarvoor is de Naschmarkt met zijn honderden stalletjes de ideale plek. Verse vis, worst, warme broodjes, vleeswaren, kaas, versgeperst sap en ontelbaar veel soorten gevulde olijven, met knoflook, kaas of piment – alles lacht me even verleidelijk toe. Turkse kebabverkopers snijden reepjes lamsvlees van het spit, en de terrassen zitten vol pratende, bier drinkende en oesters slurpende mensen. De markt is wel anderhalve kilometer lang en bruist van het leven – het Weense leven.

‘Hier doen we altijd onze boodschappen,’ zegt Daniela Bammer. ‘Het is net een dorpje; iedereen komt elkaar tegen.’ Daniela en haar man Erwin hebben een kraam met meer dan zestig soorten azijn uitgestald, die Erwin zelf maakt. ‘Erwins opa is er al in 1929 mee begonnen; wij zijn een van de oudste families hier op de markt.’ Met behulp van een druppelaar laat Daniela me de ene na de andere azijnsoort proeven, afgepast met chirurgische precisie. ‘Ze hebben allemaal drie tot vijf jaar gerijpt. Azijn is Erwins passie. Zijn lust en zijn leven.’ Ik knik. Zo heb ik azijn nog nooit bekeken.

Even verderop, naast een patékraam, zwicht ik voor de charmes van de zuurkoolkoning. Leo Strmiska, een forse vent met een vriendelijk gezicht, begon al als jochie van 6 voor zijn opa te werken, ‘toen je nog heel strenge winters had’. Geposteerd tussen twee grote houten vaten met gistende kool vertelt hij me alles wat er over zuurkool te vertellen valt. Terwijl hij het oude familierecept prijsgeeft (‘Even fruiten met een uitje in olijfolie, beetje spek erbij, en dan laten sudderen tot het glazig is...’), beginnen mijn gedachten af te dwalen. ‘Wel bij de les blijven, hoor,’ waarschuwt hij. ‘Alles opschrijven!’

Uiteindelijk overhandigt hij me een plastic zakje met een pond zuurkool, waarmee ik koers zet naar tram 1. Met een handige combinatie van tram 1 en 2 kun je hetzelfde ritje makenover de Ringstrasse – de ringweg van Wenen – als met de Ring Tram, een attractie waarin speciaal voor de toeristen Weense walsen worden gedraaid.

De rood-witte stadstram deed in 1865 zijn intrede in het Weense straatbeeld, toen nog door paarden voortgetrokken, en beweegt zich inmiddels elektrisch langs een wijdvertakt netwerk door deze stad met twee miljoen inwoners. Vanaf een houten bankje kijk ik uit over de brede Ringstrasse, die langs tal van bezienswaardigheden uit het keizerlijk verleden voert. Ik werp mijn eerste blikken op het fameuze gebouw van de Weense Staatsopera en op de majestueuze gevels en tuinen van het Hofburgpaleis en het Parlementsgebouw. Als de rondrit erop zit, stap ik uit bij het Volkstheater; dit wordt voortaan ‘mijn’ halte als ik de stad in ga. Ik neem tram 49, die me zes minuten later keurig voor mijn voordeur afzet.

Wenen telt 23 districten die uitwaaieren vanuit het stadshart. Ik wilde naar district zeven, Spittelberg, een voormalige fabriekswijk waar de afgelopen decennia tientallen winkeltjes, restaurantjes, galerieën en ateliers zijn gekomen. De wijk combineert de drukte van de stad met de gemoedelijkheid van een dorp – exact wat me thuis voor ogen stond. Mijn home away from home heeft houten vloeren, grote ramen en hoge plafonds in een oude zijdefabriek. Als ik mijn sleutel in het slot steek, merk ik dat ik al aardig aan mijn nieuwe leven gewend raak. Je voelt je snel thuis als je onder één dak leeft met buren die komen en gaan in het ritme van het gewone leven in plaats van het gehaaste staccato van een toerist. In een appartement mis je de zachte landing van een chic hotel, maar je bent meteen ingeburgerd en je kunt doen wat je wilt – en dat is precies de bedoeling.

Ik leg mijn boodschappen op het aanrecht en ga weer de deur uit. Om sneller mijn draai te vinden, zoek ik naar overeenkomsten met andere steden waar ik ben geweest. De bloemist van twee huizen verder doet me denken aan een zaak in Parijs, de bakker op de hoek aan een adresje in Praag. Maar het heiige schemerlicht aan het eind van de dag lijkt me een exclusief Weens fenomeen. Na een paar dagen begin ik mensen bij mij in de straat te herkennen. Zoals Gaby, die er vanachter de toonbank lustig op los babbelt als ik ’s ochtends theedrink bij patisserie Tullnerfelder. De man met bruine knickerbocker, blauwe kniekousen en vilten hoedje die ik elke dag de bank zie binnengaan. En het oude dametje dat haar hondje uitlaat, dat net zo’n lavendelblauw sjaaltje omheeft als zij.

Zulke alledaagse, banale details zetten zich vast in mijn hoofd; ze maken mijn verblijf memorabel en vertrouwd tegelijk. Het banaalst van alles is wel dat mijn voordeur zo zwaar is. Ik moet hem steeds met een klap dichtslaan, anders valt hij niet in het slot. Maar dit kleine ongerief geeft mijn tijdelijk onderkomen, en mijn leven in Wenen, de aardse realiteit die het zou missen in de geoliede anonimiteit van een hotel.

Nu voel ik me honkvast genoeg om het stadshart te bestormen. Ik begin met het keizerlijke Wenen van de Habsburgers, die van 1273 tot 1918 grote delen van Europa regeerden vanuit de Hofburg, een stad op zichzelf. Ik slenter over weidse binnenpleinen, langs monumenten van keizer Franz en Jozef II en rijtuigen die klaarstaan voor toeristen, naar een deur vlak bij de imposante hoofdingang van het paleis aan de Michaelerplatz. Hier ga ik naar binnen, om in een hal met kristallen kroonluchters, korinthische zuilen en muziek van Strauss, Mozart en Chopin de beroemde Lipizzaner hengsten van de Spanische Hofreitschule hun dressuurpassen te zien oefenen. Het elegante dansen en springen, waaraan in 430 jaar tijd nauwelijks iets is veranderd, is een fraai staaltje klassieke grandeur waarin Wenen nog altijd grossiert. De shows zijn vaak ver van tevoren uitverkocht, maar ik had van een winkelier gehoord dat de ochtendtrainingen vrij toegankelijk zijn. Ik kijk toe terwijl de ruiters hun onberispelijk geroskamde dieren toefluisteren en elk beweginkje blijven herhalen totdat het perfect gaat. De training is letterlijk een oefening in geduld en precisie.

‘De bloedlijn van deze paarden gaat terug tot de 18de eeuw,’ zegt Alena Skrabanek, die al zeven jaar voor de school werkt.

In de stallen aan de overkant van de straat zie ik hoe deze supersterren in de watten worden gelegd. De hengsten hebben hun eigen privéstal met koperen smeedwerk, ze drinken uit marmeren fonteinen, eten volgens een uitgebalanceerd dieet en worden met infrarood licht behandeld ter ontspanning van de spieren. En ze vieren drie maanden per jaar vakantie buiten de stad. ‘Het is belangrijk dat de paarden het naar hun zin hebben,’ legt Alena uit. Me dunkt.

Vanaf de stallen voeren nauwe voetgangersstraatjes naar de Stephansdom, een gothisch meesterwerk met een toren van 137 meter die fier boven de binnenstad uit steekt. Ooit woonde Mozart in deze drukke buurt, in een gezellig klinkerstraatje. In het huis waar hij Le nozze di Figaro schreef, zijn parafernalia te zien als zijn snuifdoos en een aderlaatmesje. Niet ver daar vandaan, in de Seilerstätte, is het statige Haus der Musik te vinden, een speels, interactief museum. Hier steek ik op dat Beethoven tijdens zijn 35 jaar in Wenen 68 adressen heeft versleten, en ervaar ik hoe het is om langzaam stokdoof te worden. Met een elektronisch dobbelspel componeer ik eigenhandig een wals. In de virtuele dirigentenkamer bestijg ik het podium en laat ik met een computergestuurd stokje een virtueel Wiener Philharmoniker een muziekwerk van Mozart aanheffen. Mijn onbeholpen gezwaai brengt het orkest op het beeldscherm voor me aarzelend in beweging. Al na een paar maten geven de muzikanten er de brui aan; een trombonist op de achterste rij staat op van zijn stoel. ‘We kunnen veel hebben,’ zegt hij vanaf het beeldscherm, ‘maar dit gaat zelfs ons te ver.’ Het orkest begint instemmend te mompelen en met strijkstokken op muziekstandaarden te roffelen. Beschaamd stap ik van het podium en geef mijn stokje door aan het 12-jarige meisje dat wacht op haar beurt. Ze klautert het podium op en laat een perfect stukje kamermuziek weerklinken. Ze krijgt een staande ovatie van het virtuele orkest.

‘Ik heb ze vast laten warmdraaien,’ zeg ik tegen het meisje. Ze glimlacht flauwtjes.

Tijd voor een shot chocola. Gelukkig bevind ik me niet ver van Hotel Sacher, dat wereldberoemd is om zijn gelijknamige taart. Het recept is een zorgvuldig bewaard familiegeheim dat tot in de rechtszaal toe bevochten is. Logisch, want het is big business: er worden 360.000 stuks per jaar verkocht en naar alle uithoeken van de aardbol verscheept. Terwijl ik in de Rote Bar met kleine hapjes van mijn bitterzoete traktatie geniet, met een kop sterke Weense koffie erbij, vergaap ik me aan het uitzicht op het roemruchte operagebouw aan de overkant. Veel dichter bij het keizerlijke Wenen kan ik niet komen.

De sfeer in de binnenstad is zo bedwelmend dat ik word bevangen door de buitenwijk-blues. Maar dat gevoel wordt bij elk bezoek minder, tot ik in het centrum juist terugverlang naar mijn ‘eigen’ buurtje. Natuurlijk zijn er schitterende dingen te bezichtigen – de fascinerende zelfportretten van Egon Schiele in het Leopold Museum, de overweldigende Beethovenfries van Gustav Klimt in het Secessionsgebouw – maar hoe langer ik in Wenen ben, hoe minder haast ik heb om de greatest hits te zien. Ik richt mijn vizier steeds vaker buiten het centrum. Aan de overkant van de Lerchenfelder Gürtel, een deel van de buitenring, ontdek ik Brunnenviertel, een snel hipper wordende volksbuurt in het zestiende district. Aan een tafeltje in het steriel ogende Café Mis aan de Yppenplatz zitten een paar koffiedrinkende Turken somber naar buiten te turen. In Café An-Do, een blits pand van glas en beton pal om de hoek, doet de artistieke incrowd zich tegoed aan Griekse salades met witte wijn.

‘In deze buurt vind je een mix van Turkse immigranten en kunstenaars,’ zegt Birgit Schweidl, een studente die een hapje eet bij An-Do. ‘Een paar jaar geleden was hier niks, maar nu...’ Ze maakt een weids gebaar met haar handen. ‘Bezienswaardigheden heb je hier niet; het gaat puur om de mensen. Kijk,’ zegt ze, en ze wijst naar het straatvoetbal aan de andere kant van de glazen pui. ‘Turkse jochies en rijke kunstenaarszoontjes die samen voetballen: dát is Brunnenviertel. Natuurlijk ga ik ook naar het centrum, dat is vlakbij. Maar in zekere zin is het ook ver weg. Ik kom er wel, maar mijn leven is hier.’

Het Wenen dat ik leer kennen blijkt uit eilandjes te bestaan – en de beste plek om die ontdekken is het traditionele Kaffeehaus. Koffie speelt al sinds de 17de eeuw een hoofdrol in de Weense cultuur. In 1900 telde de stad meer dan 600 koffiehuizen, en ze zijn nog altijd niet weg te denken uit het Weense leven: iemands favoriete koffiehuis zegt veel over zijn of haar karakter. Doordat het er meestal druk is, word je gedwongen gas terug te nemen. De bediening kan charmant of chagrijnig zijn. De koffie is lekker sterk en er is een ruime keus aan zoetigheid. Al gauw duik ik elke dag een paar koffiehuizen in. In de binnenstad strijk ik neer in het alternatieve Café Alt Wien en wentel ik me in de luxe van het deftige Café Diglas. Ik peil mijn gemoed in Café Korb, de vaste stek van Sigmund Freud, en kijk mijn ogen uit aan de vorstelijke taarten in Café Demel, ‘Kaiserliche und Königliche Hofzuckerbäcker’.

Maar pas in Café Sperl, dat in 1880 zijn deuren opende en een pleisterplaats werd van de Jugenstilbeweging, heb ik het gevoel dat ik in Wenen mijn plek heb gevonden. De lambriseringen en pluchen bankjes zijn nog origineel. Op het oude biljart liggen kranten in allerlei talen en de reusachtige ramen zijn ideaal om de Weense mensen te bestuderen. Een man in een krijtstreepkostuum met overdadige make-up en oorbellen zie ik twee keer voorbijlopen. En een type op een eenwieler komt om de haverklap langs, die woont vast in de buurt.

Dit is de plek waar Annelies, de kranige serveerster, zich uiteindelijk over me ontfermt. Aanvankelijk groet ze me met een nonchalante onverschilligheid, maar na een paar dagen begint ze te ontdooien. Hoe minder ik doe, gewoon maar wat voor me uit staar met een kopje thee, hoe meer ze me lijkt te waarderen. Als ik haar op een keer vraag hoe lang ze al bij Sperl werkt, reageert ze beduusd; kennelijk is zo’n persoonlijke vraag in strijd met het protocol. Maar dan lacht ze en raakt even mijn schouder aan. ‘Ik werk hier al dertig jaar,’ zegt ze. ‘Te lang.’

‘Er zijn slechtere plekken om “te lang” te zijn.’

Daar denkt Annelies even over na. Dan knikt ze: ‘Wie weet.’ Ze haalt haar schouders op en loopt terug naar de keuken.

Ik heb sprakeloos naar de schatten uit het grootse Weense verleden gekeken en me prima geamuseerd met de eigenaardigheden van sommige mensen in de stad, Maar als ik in Café Sperl de middag laat verglijden, met een bijgevuld kopje thee in de hand, hoef ik even niets te bewonderen en met niemand te praten. Ik heb de tijd aan mezelf. Alsof ik hier woon.