Klimaatrampen kosten steeds meer geld. Wie moet dat betalen?

Op de jaarlijkse klimaattop van de VN wordt er eindelijk gesproken over een rechtvaardige verdeling van de klimaatkosten. En nieuw wetenschappelijk onderzoek maakt duidelijk hoe ‘klimaatrechtvaardigheid’ eruit zou moeten zien.

Door Alejandra Borunda
Gepubliceerd 16 nov. 2022 13:10 CET
pakistan-flood

Aanhoudende moessonregens die door de klimaatverandering nog intenser waren dan normaal, zorgden in de zomer van 2022 in heel Pakistan voor zware overstromingen. Maanden later staan veel gebieden in het land nog altijd onder water. 

Foto door Photo by Abdul Majeed, AFP, Getty Images

Eerst werd Pakistan getroffen door een ongekende hittegolf die tussen maart en mei een maandlang aanhield en alle records brak, daarna volgden nog eens maanden van verwoestende regenval, die leidden tot overstromingen in een derde van het land. De economische kosten van de wateroverlast worden berekend op veertig miljard dollar, oftewel ruim tien procent van het bbp van Pakistan.

Maar dit zijn geen ‘gewone’ natuurrampen. Enkele weken na het begin van deze reeks rampen in 2022 wezen wetenschappers een duidelijke boosdoener aan: de door menselijke activiteiten veroorzaakte klimaatverandering, die leidt tot een toename van soms wel 75 procent in de hoeveelheid regen en die de kans op hittegolven dertigmaal hoger maakt.

Voor de politieke leiders van Pakistan belichten deze bevindingen een probleem dat al veel langer sluimert. ‘Wij zijn verantwoordelijk voor minder dan één procent van de uitstoot die de klimaatverandering veroorzaakt,’ zegt de Pakistaanse minister van Milieu M. Tariq Irfan in een vraaggesprek met National Geographic, ‘maar we ondergaan een hele reeks rampen die er het gevolg van zijn.’ Het is volgens deze leiders een voorbeeld van ‘klimaatonrechtvaardigheid’, van het idee dat degenen die het minst verantwoordelijk zijn voor de klimaatverandering de zwaarste lasten van die verandering moeten dragen. En ze hebben er genoeg van.

Na de klimaattop van dit jaar in Egypte, COP27, roepen Pakistan en een groep andere, gefrustreerde ontwikkelingslanden de wereld op om geld opzij te zetten voor een algehele ‘schadevergoeding’. Het moet dan gaan om een fonds dat wordt opgezet en bekostigd door landen die verantwoordelijk zijn voor de meeste CO2-uitstoot, waarna het geld ten goede zou moeten komen aan landen die maar weinig aan die uitstoot hebben bijgedragen. In zijn eentje is de VS tot nu toe verantwoordelijk geweest voor de uitstoot van twintig procent van alle broeikasgassen, waaronder CO2 en methaan.

De roep om schadevergoeding wordt ondersteund door de snelle opkomst van de ‘toeschrijvingswetenschap’, een nieuwe soort natuurwetenschappelijke analyse die vooral op computermodellen berust. Daarmee kan precies worden aangegeven hoe de klimaatverandering leidt tot natuurrampen als hittegolven, extreme neerslag en zeespiegelstijging. Volgens Saleemel Huq, directeur van het International Center for Climate Change and Development in Dhaka, Bangladesh, en al jaren klimaatonderhandelaar namens de regering van zijn land, zijn dit soort rampen vaak de druppel die de emmer doet overlopen en bijzonder veel schade aan mensen en ecosystemen aanricht. ‘De gevolgen die zich voor onze ogen afspelen, gaan verder dan waarop we ons kunnen voorbereiden. We zijn in een tijdperk beland waarin het om verlies en schade draait,’ zegt hij.

Voor hem en talloze anderen in de ontwikkelingslanden, waar al tientallen jaren tevergeefs om klimaatrechtvaardigheid wordt gevraagd, kan met behulp van de nieuwe toeschrijvingsmodellen de morele ongelijkheid tussen oorzaak en gevolg worden aangepakt. ‘Het kan niet langer worden ontkend,’ zegt hij.

In het afgelopen jaar hebben Schotland, Denemarken en de deelstaatregering van Wallonië een paar miljoen dollar bijgedragen aan een klimaatfonds ten behoeve van ontwikkelingslanden. En na jaren van uitstel wordt er in de VS en andere rijke landen nu voorzichtig gepraat over schadevergoeding: de VS ‘streeft naar een constructieve bijdrage,’ aldus een woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Maar als er op de COP27 van dit jaar niet concreter en openlijker over klimaatrechtvaardigheid wordt gepraat, ‘zullen we deze top vanaf het begin als een mislukking beschouwen,’ zegt Huq.

Uitgestelde ‘klimaatrechtvaardigheid’

In de vroege jaren negentig kwamen vertegenwoordigers van een groep eilandstaatjes, waaronder Vanuatu en Barbados, bijeen voor een van de eerste internationale klimaatcongressen. Naar eigen zeggen liepen hun kleine staatjes het risico om door de stijgende zeespiegel te worden verzwolgen, en dat terwijl deze groep landen verantwoordelijk was voor minder dan één procent van de wereldwijde uitstoot van alle broeikasgassen in de wereld.

Op de COP26 van vorig jaar riep de premier van de Bahama’s, Philip Edward Davis, de rijkere landen op om zich in te zetten voor ‘klimaatrechtvaardigheid’. 

Foto door Daniel Leal, AFP, Getty Images

Om die scheve verhouding recht te zetten stelden ze voor dat de rijkere landen een internationale verzekeringspot in het leven zouden roepen en al naar gelang hun bijdrage aan de klimaatverandering geld in deze pot zouden storten. Hoe meer een land in heden en verleden aan de totale uitstoot van broeikasgassen had bijgedragen, des te meer geld dat land aan het verzekeringsfonds zou moeten bijdragen.

Het voorstel werd meteen afgewezen door de rijkere landen, die wél wilden praten over het terugdringen van hun uitstoot en zelfs over het financieren van maatregelen van ontwikkelingslanden om zich aan de klimaatverandering aan te passen. Maar ze gingen niet mee in het idee dat rijke landen financieel verantwoordelijk zijn voor hun bijdrage aan de uitstoot in het verleden en voor de gevolgen van die uitstoot schadevergoeding zouden moeten betalen.

‘De ontwikkelde landen erkennen weliswaar hun verantwoordelijkheid, maar niet in financiële zin’ zegt Doreen Stabinsky, expert in milieubeleid aan het College of the Atlantic in Maine.

De groep eilandstaatjes liet het daar niet bij zitten. Ze wisten meer bondgenoten te vinden, die elk werden geconfronteerd met de gevolgen van de klimaatverandering, van de stijgende zeespiegel tot extreem weer. De groep landen bleef de kwestie aankaarten, maar het was pas in 2013, ruim twintig jaar later, dat het idee officieel werd opgenomen in internationale klimaatakkoorden. Op de COP19 in Polen werd het concept van ‘schadevergoeding’ voor het eerst concreet omschreven als compensatie voor de economische en sociale kosten van de klimaatverandering waaraan landen zich niet (meer) konden aanpassen.

Na jaren van intensieve onderhandelingen werd er in het baanbrekende Klimaatakkoord van Parijs in 2015 een hele paragraaf aan het idee van schadevergoeding gewijd, maar dan alleen in de vorm van een toezegging dat er verder over gepraat zou worden. Op de COP26 in het Schotse Glasgow vroegen onderhandelaars specifiek om het in leven roepen van een schadevergoedingsfonds. Opnieuw werd de top afgesloten met de belofte om er verder over te praten.

‘Al geruime tijd worden ontwikkelingslanden op deze klimaattoppen aan het lijntje gehouden,’ zegt Adelle Thomas, expert in klimaatbeleid aan de University of the Bahamas. ‘Ze krijgen te horen dat er geen sprake is van specifieke schade of dat die schade niet het gevolg is van de klimaatverandering enzovoort. Maar de bewijzen zijn inmiddels overweldigend,’ zegt zij. ‘Het staat nu onomstotelijk vast dat er schade wordt aangericht.’

Morele en wetenschappelijke argumenten

Nadat bij een zware hittegolf in 2003 alleen al in Groot-Brittannië meer dan tweeduizend mensen waren gestorven, vroeg een groep Britse natuurwetenschappers zich het volgende af: kunnen we vaststellen of deze ramp is toe te schrijven aan klimatologische veranderingen die het gevolg zijn van de uitstoot van broeikasgassen? En als dat het geval is, kunnen mensen dan schadevergoeding eisen van diegenen die verantwoordelijk zijn voor die uitstoot? Na een zorgvuldige analyse kwamen ze met een antwoord op de eerste vraag, en dat antwoord luidde bevestigend. Voor het eerst konden specifieke weersgebeurtenissen worden toegeschreven aan de invloed van de mens.

Wetenschappers wisten al tientallen jaren lang dat de klimaatverandering waarschijnlijk invloed had op weerspatronen, maar ze konden niet precies vaststellen welke specifieke weersgebeurtenis te wijten was aan de opwarming van de aarde: de computermodellen die het wereldwijde klimaat nabootsten, waren nog niet nauwkeurig genoeg om afzonderlijke weersgebeurtenissen te voorspellen. Maar sinds het Britse onderzoek van 2003 is dat veranderd. Dankzij krachtiger klimaatmodellen en wetenschappelijke vooruitgang kunnen wereldwijde klimaatpatronen nu in verband worden gebracht met specifieke weersgebeurtenissen.

Veel extreme weersgebeurtenissen kunnen in verband worden gebracht met de klimaatverandering; wetenschappers kunnen aantonen hoe vaak zulke gebeurtenissen zich zouden voordoen of hoe intens ze zouden zijn in een wereld zonder CO2-uitstoot als gevolg van menselijke activiteiten en deze gegevens dan vergelijken met de werkelijke situatie. Volgens armere landen betekent dit dat landen die verantwoordelijk zijn voor de opwarming van de aarde deze landen schadeloos zouden moeten stellen voor de natuurrampen die de klimaatverandering met zich meebrengt.

Foto door Rijasolo, AFP, Getty Images

Heel eenvoudig uitgedrukt vergelijken toeschrijvingswetenschappers de kans dat een weersgebeurtenis – bijvoorbeeld een storm, een hittegolf of een overstroming door smeltend gletsjerwater – optreedt of een bepaalde intensiteit bereikt met de kans of intensiteit van diezelfde gebeurtenis in een nagebootste wereld waarin de uitstoot van broeikasgassen door menselijke activiteiten is weggelaten. Het verschil tussen de beide uitkomsten is de ‘toeschrijvingswaarde’ waarmee de directe invloed van de klimaatverandering kan worden uitgedrukt. Dit soort modellen zijn inmiddels dusdanig nauwkeurig dat ze zelfs de invloed van de tragere gevolgen van de klimaatverandering, zoals de stijging van de zeespiegel en het verlies aan agrarische opbrengsten door warm weer, kunnen voorspellen.

‘De duidelijkheid waarmee we nu kunnen vaststellen hoe de klimaatverandering de omgeving beïnvloedt, is enorm verbeterd,’ zegt Rupert Stuart-Smith, expert in klimaatrecht aan de Oxford University. Zo hebben wetenschappers kunnen vaststellen dat de heetste dagen tijdens de hittegolf in het Pacifische Noordwesten van de VS, in 2021, ruim twee graden Celsius warmer waren dan eenzelfde hittegolf in een wereld zonder uitstoot, en dat de orkaan Harvey vijftien procent méér regen op de stad Houston dumpte dan in een hypothetische wereld zonder klimaatverandering.

Maar deze toeschrijvingsmodellen hebben hun grenzen, en vaak worden die beperkingen bepaald door historische ongelijkheden. De techniek vereist namelijk weers- en klimaatgegevens op plaatselijke en regionale schaal, en die gegevens berusten weer op solide historische metingen. Volgens Mariam Zachariah, een klimaatwetenschapper van het World Weather Attribution Program die de analyses van dit jaar voor Pakistan heeft uitgevoerd, zijn zulke gegevens van oudsher vooral op het noordelijk halfrond verzameld, waardoor het vaak moeilijk is om toeschrijvingswetenschap te verrichten voor regio’s waar die weersgegevens onbetrouwbaar zijn.

Toch kan deze ‘wetenschap zeer zeker een gesprek’ over onrechtvaardigheid op gang brengen, bijvoorbeeld in het geval van Pakistan. Na de overstromingen daar riep de secretaris-generaal van de VN op tot ‘grootschalige financiële steun om deze crisis het hoofd te bieden,’ waarbij hij eraan toevoegde dat het daarbij ‘niet alleen om vrijgevigheid maar ook om gerechtigheid’ ging.

Actieve toeschrijving

Hoewel in de toeschrijvingswetenschap veel vooruitgang is geboekt, is het gebruik van deze methode omstreden. Eenvoudig uitgedrukt kan met behulp van toeschrijvingen worden aangetoond dat de neerslag in Pakistan de afgelopen zomer 75 procent hoger lag dan wat ze had moeten zijn en dat de schade door al dat overtollige water betaald zou moeten worden door de verantwoordelijke landen, dat wil zeggen de ontwikkelde landen. Zo heeft de VS sinds het begin van de Industriële Revolutie, halverwege de negentiende eeuw, ongeveer een kwart van alle broeikasgassen in de wereld uitgestoten en zou dus verantwoordelijk zijn voor zo’n 25 procent van de kosten. Grote oliemaatschappijen in de VS, waaronder Chevron en Exxon zouden elk verantwoordelijk zijn voor drie procent van de wereldwijde historische uitstoot.

Maar in de praktijk is het toeschrijven van het verschil tussen de feitelijke situatie en die in een wereld zonder klimaatverandering een buitengewoon complexe zaak. Landen of bedrijven die veel CO2 uitstoten, menen dat hun bijdrage aan de klimaatverandering niet betekent dat ze ook verantwoordelijk zijn voor de oplossing van het probleem. En volgens Rachel James, klimaatexpert aan de Britse University of Bristol, blijkt uit sociaalwetenschappelijk onderzoek dat deze landen en bedrijven het niet eens zijn met het gelijkstellen van schuld en toeschrijving, waardoor ze waarschijnlijk niet geneigd zijn om over zo’n oplossing te praten.

Veel landen en bedrijven die verantwoordelijk zijn voor een grote uitstoot menen bovendien dat het onmogelijk is om een direct verband te leggen tussen de uitstoot waarvoor zij verantwoordelijk zijn en de specifieke gevolgen van de klimaatverandering, omdat broeikasgassen als CO2 zich snel door de hele atmosfeer verspreiden en de herkomst ervan niet meer kan worden achterhaald.

Maar recente analyses druisen steeds vaker tegen dat argument in. In augustus slaagde een team van de Dartmouth University erin om een verband te leggen tussen historische emissies van een land en de economische schade die daardoor elders werd aangericht. Ze berekenden dat de uitstoot van de VS vanaf het jaar 1990 – twee jaar nadat klimaatwetenschapper James Hansen als getuige voor het Amerikaanse Congres had verklaard dat er inderdaad sprake was van een door menselijke activiteiten veroorzaakte klimaatverandering – de rest van de wereld zo’n 1800 miljard dollar aan schade had berokkend. En dat is waarschijnlijk een lage schatting.

‘Grote uitstoters kunnen zich niet langer verschuilen achter een sluier van onbewijsbaarheid,’ zegt Christopher Callahan, klimaatonderzoeker aan de Dartmouth University en hoofdauteur van die studie. ‘Afzonderlijke uitstoters kunnen met specifieke bedragen verantwoordelijk worden gehouden voor de schade die ze hebben veroorzaakt.’

Volgens Thomas van de University of the Bahamas ‘hebben we al tientallen jaren het wetenschappelijk bewijs in huis om aan te tonen dat het om de gevolgen van menselijk handelen gaat. En de voornaamste boosdoeners zijn welbekend. De vraag is nu of het om een ethisch, sociaal of politiek probleem gaat en hoe we ermee omgaan.’

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op nationalgeographic.com

Lees meer

Dit vindt u misschien ook interessant

Milieu
Methaan is een belangrijke aanjager van klimaatverandering. In de Verenigde Staten is een nieuw plan om de uitstoot van het gas in te dammen.
Milieu
De klimaattop in Glasgow – wat staat er op het spel?
Milieu
Vijf mogelijke klimaten in de toekomst – van optimistisch tot heel vreemd
Milieu
Een fotoverslag van de voedselcrisis in de Hoorn van Afrika
Milieu
Oesters maken een comeback op menu’s en in zee – voorlopig

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2021 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.