De wind blaast de ochtend door de vallei van Dørålseter. Ergens klappert een luik. Een vroeg zonnetje strijkt over het bibberende gras. De bodem van de vallei is begroeid met springerige berkjes, de rivier de Atna stroomt er onstuimig tussendoor. ‘Turitshytte met god atmosfaere’ staat er op het welkomstbord van onze hut.

Links Berghond Scott wacht op zijn baasje Chris Rechts Silje Havstein werkzaam in de Rondvassbuhut maakt een kanotocht
Jonathan Andrew
Links: Berghond Scott wacht op zijn baasje Chris. Rechts: Silje Havstein, werkzaam in de Rondvassbuhut, maakt een kanotocht.

Gisteravond zijn we in het gehucht Dørålseter aangekomen. Zou je de stroom van de Atna terug volgen door het Bergedal, dan kom je uit bij de Rondvassbuhut, die via een gravelpad is verbonden met de weg naar Ålesund, 280 kilometer rijden naar het westen. In die kustplaats begon vijf dagen geleden onze reis. De kofferbak gevuld met rugzakken, kampeerspullen en camera’s, mijn hoofd met teksten als ‘adembenemende landschappen,’ ‘wonderschone bergpaden,’ ‘duizelingwekkende orden’. Zullen we het zo ervaren? De weg verbindt vier nationale parken – Rondane, Breheimen, Reinheimen en Jotunheimen – en als je houdt van steile bergwegen, vol haarspeldbochten en met loodrechte afgronden, dan móet je afslag Trollstigen even nemen. De Trollenweg is uitgehouwen in een klif, dat alleen al. Watervallen storten in diepe orden, waarvan de Geiranger de bekendste is, een Unesco-genoteerd monument met diepblauw water en omgeven door met sneeuw bedekte bergen. De fjord is niet alleen onderdeel van de Hurtigruten, maar ook een mekka voor wandelaars, kajakkers, vissers, fietsers en rafters, juichen de folders. ‘Voor ons dus,’ zegt reispartner en fotograaf Jonathan Andrew, die de afslag passeert en grijnzend de weg vervolgt naar Jotunheimen en Rondane, de twee nationale parken die het doel zijn van óns Noors avontuur.