Reizen

Noorwegen: Ruig en ongerept

Wie de natuur van Noorwegen wilt ontdekken, bezoekt de nationale parken Rondane en JotunheimenThursday, November 9, 2017

Door Nanda Raaphorst
Foto's Van Jonathan Andrew
Een bezoeker neemt het uitzicht in zich op aan de top van de Trolltindan.

De wind blaast de ochtend door de vallei van Dørålseter. Ergens klappert een luik. Een vroeg zonnetje strijkt over het bibberende gras. De bodem van de vallei is begroeid met springerige berkjes, de rivier de Atna stroomt er onstuimig tussendoor. ‘Turitshytte met god atmosfaere’ staat er op het welkomstbord van onze hut. 

Links: Berghond Scott wacht op zijn baasje Chris. Rechts: Silje Havstein, werkzaam in de Rondvassbuhut, maakt een kanotocht.

Gisteravond zijn we in het gehucht Dørålseter aangekomen. Zou je de stroom van de Atna terug volgen door het Bergedal, dan kom je uit bij de Rondvassbuhut, die via een gravelpad is verbonden met de weg naar Ålesund, 280 kilometer rijden naar het westen. In die kustplaats begon vijf dagen geleden onze reis. De kofferbak gevuld met rugzakken, kampeerspullen en camera’s, mijn hoofd met teksten als ‘adembenemende landschappen,’ ‘wonderschone bergpaden,’ ‘duizelingwekkende orden’. Zullen we het zo ervaren? De weg verbindt vier nationale parken – Rondane, Breheimen, Reinheimen en Jotunheimen – en als je houdt van steile bergwegen, vol haarspeldbochten en met loodrechte afgronden, dan móet je afslag Trollstigen even nemen. De Trollenweg is uitgehouwen in een klif, dat alleen al. Watervallen storten in diepe orden, waarvan de Geiranger de bekendste is, een Unesco-genoteerd monument met diepblauw water en omgeven door met sneeuw bedekte bergen. De fjord is niet alleen onderdeel van de Hurtigruten, maar ook een mekka voor wandelaars, kajakkers, vissers, fietsers en rafters, juichen de folders. ‘Voor ons dus,’ zegt reispartner en fotograaf Jonathan Andrew, die de afslag passeert en grijnzend de weg vervolgt naar Jotunheimen en Rondane, de twee nationale parken die het doel zijn van óns Noors avontuur.

Stenen bedekt met korstmos in Rondane.

De steden Lom en Vågåmo zijn toegangsplaatsen tot de klaver vier aan nationale parken. Een bergweggetje voert vanaf Lom richting de gletsjer van Galdhøppigen (2469 m). Het is de hoogste berg van Noorwegen en de eyecatcher van Nasjonalpark Jotunheimen, een park dat bekendstaat om z’n hoge toppen, de drie hoogste van Noorwegen en nog met gletsjers bedekt ook. Hier leeft Dag, een vriendelijke Noor die zeven jaar geleden Klimapark2469 oprichtte. Klima bestaat uit zestig meter diepe tunnels die werden uitgegraven in een oeroud ijsveld dat door opwarming slinkt. ‘Tachtig meter tussen 2009 en nu,’ vertelt Dag. Hij neemt ons mee de tunnels in, die kunstig zijn uitgehakt in het ijs en gestut worden door Yggdrausil, de Levensboom die de negen werelden uit de Noorse kosmologie met elkaar verbindt. Ingevroren in de wanden zien we voorwerpen die uit het smeltende ijs naar boven zijn gekomen. Een 3400 jaar oude leren schoen, pijlpunten, een rendierpoot, en nog zo'n 700 andere attributen, vooral van de jacht. ‘De omgeving was een killing field voor jagers,’ legt Dag uit. Bij duizenden scharrelden rendieren hier over de vlakte. Een eenvoudige prooi voor jagers dus.’ 

Tien minuten later zien we hoe een enorm brok ijs losbreekt van een gletsjer vlak bij de ijstunnels. Dag kijkt ons aan. ‘Er is iets aan de hand met het klimaat,’ zegt hij – precies wat hij wil aantonen met zijn Klimapark. 

Berggids Chris kijkt uit over het Gjendemeer.

Er staat een lange rij Gore-tex en Vibram bij de boot over het Gjendemeer. Aan de overkant ligt Besseggen, Noorwegens populairste wandelroute met 30.000 wandelaars per jaar. Eén ervan is de knappe Christopher, onze gids vandaag, die de halve wereld heeft rondgereisd en ook elke uithoek van Noorwegen heeft gezien. ‘Op Besseggen na dan,’ bekent hij, daar kan hij niet mee aankomen bij zijn vrienden. ‘Gletsjerhiken, dát is eigenlijk wat je doet in Jotunheimen, niet deze easy going hill.’ Oké, maar nu we hier toch zijn, polonaisen we graag met de stoet mee omhoog. Want het decor bestaat uit fluweelgroene bergen, de toppen bedekt met verse poedersneeuw, de voeten in het blauwgroene Gjendevatn. We volgen de steenmannetjes langs twee blinkende meertjes, eerst het smaragdgroene Russvatn, dan het diepblauwe Bessvatn. Het ligt op 1374 meter hoogte en is de oplaadplek voor iedereen die nog moet beginnen aan de 400 meter steile klim naar de Besseggen-top. We zien heel veel Noren tegelijk zwoegen, omhoog en omlaag. ‘Ja, híer wel,’ zegt Christopher die ons best wil bijpraten over ‘de Noor anno nu’. Harde werkers zijn het niet meer sinds er olie is gevonden, vindt hij. Er worden zelfs Nepalezen overgevlogen om het werk te doen waarvoor Noren zich niet meer lenen. Paden aanleggen, stenen sjouwen, tochten gidsen. 

De top van Besseggen bestaat uit een richel vol rotsblokken waar twee stromen wandelaars elkaar moeten passeren. Dag- toeristen in spijkerbroek glijden op hun kont van de rotsblokken. De zon straalt. Er moeten selfies worden gemaakt. Besseggen is de berg met de meeste helikopterreddingen in Noorwegen, begrijp ik. Maar eenmaal voorbij de top kijk je uit over een kalme zee van roestbruine bergen. Zelfs Christopher kijkt gelukkig. ‘Het was toch best leuk,’ zegt hij bij het afscheid. ‘Indrukwekkend,’ noteer ik in de auto onderweg naar onze volgende halte, nationaal park Rondane.

Links: De alpenberendruif kleurt rood in de herfst. Rechts: Veters vast en door naar de volgende hut.

Rondane telt tien tweeduizenders, maar de meeste toppen zijn afgerond en de beklimmingen zijn niet al te moeilijk, zo had Christopher het park samengevat. Uitvalsbasis voor veel wandelingen is de Rondvassbuhut, een sfeervolle hut met sympathiek personeel, dat via een zes kilometer lang gravelpad is verbonden met de ‘bewoonde wereld’: een grote parkeerplaats annex fietsenstalling in the middle of nowhere. Je pakt er een fiets, doet je rugzak om en volgt een gitzwart meanderend riviertje dat tussen adembenemend mooie bergen, mosgroen en okergeel begroeid, uitmondt in het Rondvassbumeer. De hut hangt met een lijstje erom mooi te zijn in de ontbijtzaal van het Hoyellshotel, gelegen aan de rand van Rondane.

Ellinor (3) is de jongste bezoeker in de Rondvassbuhut.

Vlak bij Hoy ells ligt het Furusjøen, een fraai meertje, voor driekwart omzoomd door bossen en met een gemarkeerd fietsrondje van 25 kilometer. ‘Een heerlijk ritje voor de zondagochtend,’ aldus Sunny, een sportieve Noorse met helblauwe ogen, die met ons mee fietst. Achterop alleen een lunchpakketje, want het gaat om de picknickplekjes in de wildernis: hoe dromeriger, hoe mooier. Zoals Frylisaetra. 

We hebben er dan vijftien kilometer op zitten – fraaie bospaadjes, een steile asfaltklim, een jaagpad bijna dóór het water. Frylisaetra bestaat uit een aanlegsteiger, één hutje en een XXL-tuin met een berg als schutting. Sunny vraagt of we een stuk chocola willen. De reep heet Kvikk-lunsj, want de Noorse pauze is een kwikke. ‘Zo snel mogelijk aan het bier,’ lacht Sunny, ‘zo doet de Noorse fietser of wandelaar dat.’ De laatste tien kilometer wordt het lieflijke oeverpaadje steeds ruiger totdat we staand op de pedalen door kuilen beuken en over stronken stoempen. Zondagsritje? Geloof een Noorse nooit op haar blauwe ogen.

De beroemde Geirangerfjord heeft een bezoekerscentrum waar geen lange wandeling voor nodig is.

De ogen van Subash zijn niet blauw maar bruin als kastanjes. Hij is dan ook geen Noor, maar een Nepalees die ons naar de 2018 meter hoge top van Trolltindan gidst. Een tocht die minder rondane blijkt dan verwacht. Hij duurt negen uur, daar begint het mee. Direct achter de Rondvassbuhut kunnen we hem oppikken, eerst door een veld vol ruige blokken, dan dwars over een breed gletsjerdal vol stenen en rotsklompen voordat de klim naar de top van Trolltindan begint. ‘Een griezelige heuvel,’ vindt ook Subash. We zijn met z’n vijven, Subash voorop. Je kunt vier gegidste tochten maken vanaf de Rondvassbuhut en Trolltindan is de zwaarste ‘We willen graag laten zien dat je ook in Rondane pittige tochten kunt maken,’ legt Oystein uit, de sympathieke huttenwaard die mee wandelt. Goed plan, nu nog de praktijk. 

We balanceren op een stenige richel, links en rechts afgronden. De beloofde top blijkt pas de voortop. ‘Gaat het, mevrouw?’ Subash grijnst. Ik kijk rondom, zie niets dan rotswanden met elkaar verbonden via morenen van vlijmscherpe stenen. In de diepte twee groenig spiegelende meertjes, alles overkoepeld door een knalblauwe lucht. Een 10 is het, zo mooi. Meer uitzicht hoeft voor mij niet eens. Maar de tocht zit er nog niet op. Er volgt een zware afdaling en dan nog twee uur klimmen naar de top. De beloning, later in de hut waar de schalen soep en pullen bier rondgaan, zijn talloze bewonderende blikken. Door de raampjes zien we de zon zakken. De lucht wordt inktblauw, het meer spiegelglad, de oevers zijn een heuse droomplek voor kampeerders.

Rondom het meer Furusjøen ligt een fietspad van 25 kilometer. De laatste tien worden steeds ruiger, met kuilen, stronken en stroompjes.

Grijs is het. Voor ons, achter ons, naast ons. We zijn op weg naar Dørålseter, aan de andere kant van de vallei. Dat is zeventien kilometer wandelen, of twaalf kilometer als je de boot haalt die je over het vijf kilometer lange meer vervoert. Die boot hebben we gemist, omdat we wilden vissen vanmorgen. Aan de overzijde van het meer, waar een fraaie waterval van hoog het water in klettert, is de ideale plek. Zou je er omhoog klauteren, dan kom je op het pad waarover we nu lopen. Het voert over een flauw opbollende berg waaraan geen einde lijkt te komen. Het mist, miezert, plenst en toch is het geweldig. We volgen de steenmannetjes, het Bergedalen in. We laveren om glibberige rotsblokken, komen terecht in wat lijkt op een slagveld van monsters en trollen – ja, die heb je in Rondane. De kleuren die hier en daar tussen het grauwe grijs opdoemen zijn fluorescerend groen (mos), bloedrood (bessenstruikjes) en goudgeel (beukenblaadjes). Aan de capuchon van Jonathan bungelen grote regendruppels, daarachter een brede grijns. 

Heel even piept de zon tussen de wolken door en precies dan duiken er twee wandelaars op. De vrouwen komen uit Oslo en maken hun jaarlijkse vriendinnentocht. Vanavond slapen ze in Nedre Dørålseterhut, net als wij. ‘God atmosfaere’ in die hut, zeggen ze, oergezellig met een open haard, een zolder vol spelletjes en grote borden verse groenten en dampende aardappels. We zijn er bijna. 

In Klimapark 2469 staat een ijssculptuur van Yggdrasil, een boom uit de Noorse mythologie.

Eerst nog de laatste kilometers. Ze voeren langs de rivier de Atna, die zich 
woest door een kloof van rotsblokken wringt. Het pad bovenlangs deint op en neer, alsof we lopen over gestolde golven. Verderop vloeit de Atna uit over een brede vallei. ‘Daar!’ wijst Jonathan. In de verte twee hutjes, Nedre en Obre Døralseter, op de flanken van Styggholm. Paarse wolken jagen over mosgroene bergen, Høgronden, Digerronden, Midtronden – kolossen zijn het die het dal omarmen. Heel even zitten en kijken, de aardappels wachten wel. Al zou ik nooit meer slapen, dit schouwspel wil ik niet missen. 

Het is adembenemend midden tussen dit natuurgeweld te staan. Je klein te voelen terwijl je longen bijna barsten van de zuurstof. ‘De folders hadden gelijk,’ noteer ik die nacht in mijn hutje. Ergens klappert een luik. Miljoenen sterren houden me uit mijn slaap. 

Dit is de eerste reportage voor Traveler van outdoorjournalist Nanda Raaphorst. Fotograaf Jonathan Andrew maakte ook een rondreis door Noord-Engeland. Samen maakten ze ook het artikel over Ålesund. 

Nanda Raaphorst is freelance reisjournalist. Vaak is ze buiten, op zoek naar mooie routes, bijzondere plekken en mensen met een verhaal. Lees haar tips voor Noorwegen. 

Accommodaties 
De meeste hutten zijn geopend van half juni tot half september; buiten
de seizoenen zijn de hutten wel open, maar dan hebben ze zelfbediening. Bezoek voor alle hutten. Lekker eten deden wij bij Lemonsjø Fjellstue & Hyttegrond in Vågå. Het hotel heeft een aantal sfeervolle hutten, ligt vlak bij een ski-lift en verhuurt wintersportmateriaal. Nordre Ekre is een sfeervol, modern boerderijhotel met uitstekende lokale keuken en heerlijke wijn. Aanrader als je van rust houdt en wilt wandelen in Gudbrandsdalen. 

Diner in Nordre Ekre.

Erg interessant (en koud) zijn de ijstunnels van Klimapark2469. In 2,5 uur een lesje Jotunheimen, geschiedenis, klimaatkunde, rendierweetjes. Gids Dag spreekt perfect Engels. klimapark2469.no 

Overnachten en Huttentocht 
Wij sliepen in verschillende soorten onderkomens, van een comfortabele houten cabin op camping Sjodalen Hyttetun in Tessanden (vlak bij boot over Gjendemeer voor Besseggenwandeling) en een nacht in het Høy ellhotel tot de sfeervolle (DNT) Rondvassbuhut. De laatste overnachting was in Nedre Døralseter, een (privé)hut op locatie om van te watertanden. Døralseter ligt aan een 11 km lange landweg die uitkomt op wegnummer 27/29 en uitkomt bij Hjerkinn waar je afslaat de E6 op naar Ålesund. Net voor Andelsnes is de afslag naar Trollstigen/Geirangerfjord.

De eetzaal van Nedre Døralseter.

Vlucht 
Wij maakten deze reis begin september, zo’n beetje de laatste week waarin de weersomstandigheden aangenaam (kunnen) zijn en de hutten bemand. We vlogen met KLM in 2 uur rechtstreeks vanuit Schiphol op Ålesund Airport (Vigra), prijzen vanaf € 225. 

Route 
Van de kustplaats Ålesund naar Lom (Klimapark 2469, Juvasshut, Galdhøppigen) is 245 km; naar Spranget (Rondvassbuhut) 280 km. Van Rondvassbuhut naar Nedre Dørålseterhut is 17 (of 12 km) te voet of 140 km (!) per auto. De twee hutten plus de Bjørnholliahut zijn standplaatsen op een driedaagse huttentocht. De Rondvassbuhut ligt centraal voor bijna alle tweeduizenders in Rondane, waarvan er vier ook als gegidste tocht worden aangeboden. 

Meer info 
Bereid je voor met een bezoek aan visitnorway.nl, de uitgebreide en zeer informatieve site van het Noors verkeersbureau. 

Lees meer