Op zoek naar de laatste wilde tijgers

Naar schatting driehonderd tijgers leven er nog op Sumatra. Veerle Witte reisde voor Traveler naar het Indonesische eiland, waar ze doordong tot het moeilijk toegankelijke regenwoud om bij te dragen tot de berscherming van de soort.

dinsdag, 23 oktober 2018,
Door Veerle Witte
Foto's Van Frits Meyst
Auteur Veerle Witte op de Subayangrivier in het wildreservaat Rimbang Baling op Sumatra, een belangrijk leefgebied ...
Auteur Veerle Witte op de Subayangrivier in het wildreservaat Rimbang Baling op Sumatra, een belangrijk leefgebied van de tijger op het Indonesische eiland.

Dit verhaal verscheen in National Geographic Traveler editie 4, 2018

Wat te doen als je een tijger tegenkomt? ‘Loop langzaam achteruit en blaas hard op de noodhoorn,’ fluistert Febri Widodo, onze expeditieleider. ‘Tijgers vallen van achteren aan, dus draai je nooit om.’

Febri is coördinator van het tijgeronderzoeksprogramma van WNF Indonesië, en hij gaat ons voor wanneer we ons een weg banen door het mensonvriendelijke oerwoud. Bloedzuigers hangen in bosjes aan mijn enkels, mijn voeten soppen in de modderige stroompjes. Febri wijst naar een dikke boom, met daarop klauwsporen van een honingbeer die zijn nagels heeft gescherpt. We noteren het op onze datasheet. Andere zaken die we opschrijven: het roepen van oenka’s, een gibbonsoort, en het gesnerp van een kettingzaag, een geluid dat we de komende dagen nog vaak zullen horen.

Samen met fotograaf Frits Meyst, twee expeditieleiders en twaalf vrijwilligers ben ik in Rimbang Baling, het afgelegen groene hart van het Indonesische eiland Sumatra. Onze uitvalsbasis is een simpele houten hut aan de rivier Sabayang, waar ik slaap in een koepeltentje van gaas op de veranda. Douchen kan buiten onder een afgeknipte waterslang in een geïmproviseerde cabine van afdekzeil, stroom is er enkel tussen zes en tien uur ’s avonds. Ik kijk op mijn telefoonscherm: geen service. De komende dagen leven we volledig afgezonderd van de rest van de wereld.

In het dichte regenwoud is het uitkijken voor giftige slangen, spinnen en schorpioenen. Bloedzuigers kun je maar beter je enkels aanbieden, anders gaan ze in je nek zitten.

Dagelijks trekken we met twee teams het dichte regenwoud in om gebieden van twee bij twee kilometer uit te kammen. Biosphere Expeditions en het Wereld Natuur Fonds (WNF) hebben een onderzoeksexpeditie op touw gezet naar de kritiek bedreigde Sumatraanse tijger. Toeristen kunnen een bijdrage leveren door het verzamelen van gegevens. ‘Dit jaar richten we ons op de bufferzone,’ legt Febri uit. ‘Het is een kwetsbaar gebied langs de rivier met veel illegale outkap. Hier ligt het grootste informatiegat en is hulp het hardst nodig.’

Het regenwoud maakt hier in hoog tempo plaats voor palmplantages (vandaar de kettingzagen). Op de dertiendaagse expeditie trekken deelnemers – variërend van een gepensioneerd stel uit Californië tot een advocate uit Duitsland – dagelijks eropuit om cameravallen te plaatsen en sporen vast te leggen van Sumatraanse tijgers en hun prooidieren, maar ook van stroperij en ontbossing.

‘Het lijkt een druppel op een gloeiende plaat,’ zegt de Australische ondernemer Martyn wanneer we wat afkoeling vinden in een heldergroene rivier. ‘Toch zijn er regelmatig diersoorten gered die net zo gedecimeerd waren. Ik hoop hiermee mijn steentje bij te dragen.’

Ik leun achterover in het water. Bootjes met inwoners van de verderop gelegen dorpjes varen voorbij. Ik zwaai, de gesluierde meisjes glimlachen verlegen. Auto’s, fietsen of wegen kennen ze hier niet. De Sabayang is de snelweg van Rimbang Baling, de aorta van het oerwoud.

Om half zeven ’s ochtends varen we, zoals elke ochtend, de jungle in. Met langwerpige houten boten glijden we over het bruine water. Mijn rugzak zit vol met een gifextractor, gps­tracker, eerstehulpkit, veldgids met pootafdrukken, logboeken, kaarten en de noodhoorn. De kans dat we daadwerkelijk oog in oog komen te staan met een tijger is uiterst gering. Zelfs Febri heeft er in al zijn jaren als ranger nog nooit een in het wild gezien. ‘Het is de kleinste en schuwste tijgersoort ter wereld,’ vertelt hij. ‘Het is eerder uitkijken voor giftige slangen, spinnen en schorpioenen.’ Ik trek mijn bloedzuigerssokken nog wat hoger over mijn knieën. Aan weerszijden torent het oerwoud als een hoge muur omhoog. ‘Tijgers gaan menselijke activiteit uit de weg. Als ze uitgehongerd zijn, eten ze misschien een keer een buffel, maar ze zullen zich niet snel laten zien.'

Sumatra is de laatste plek in Indonesië waar nog tijgers in het wild leven. ‘De gegevens die wij gedurende deze tweejaarlijkse expeditie verzamelen, vormen het laatste puzzelstukje in het onderzoek naar hun leefgebied,’ aldus Febri. Zelf brengt hij samen met zijn team weken achter elkaar door in diepgelegen delen van de jungle, om cameravallen te plaatsen. ‘Met de resultaten stellen we samen met de overheid een plan op om dit laatste toevluchtsoord te beschermen.’

Geluiden en sporen worden op een datasheet genoteerd.

In 2010 heeft het WNF zich tot doel gesteld de tijgerpopulatie wereldwijd in twaalf jaar te laten verdubbelen. ‘De populatie in Sumatra neemt nog altijd af,’ zegt de WNF­ranger somber. ‘Er leven naar schatting nog driehonderd tijgers op het eiland, waarvan zo’n twintig in Rimbang Baling. De soort is nog een stap verwijderd van uitsterving.’

Waterbuffels nemen een bad langs de oevers, wilde zwijnen rennen voorbij en kinderen uit de dorpjes aan de rivier zwaaien vrolijk. Ik stap uit op een modderige oever, in een wolk van tientallen geel­witte vlindertjes. Elke dag verkennen we een of meerdere afgekaderde gebieden van vier vierkante kilometer. Ons hoofddoel: het plaatsen van cameravallen op strategische plekken, om zo inzicht te krijgen in hoe de tijgers zich verspreiden in het reservaat.

‘Zo weten we welke delen moeten worden beschermd,’ legt Febri uit. ‘Daarnaast bestuderen we de prooidieren die hier leven, zoals dwergherten, baardzwijnen en gordeldieren. Deze informatie is nodig om conflicten met de lokale inwoners te voorkomen. Wanneer er te weinig prooidieren over zijn, richten de tijgers zich op hun vee. Of erger: op de plantagewerkers.’

Met een kompas in mijn ene hand en een kaart in mijn andere, probeer ik een logische route te vinden door het dichtbegroeide terrein aan de hand van de hoogtelijnen. Zien we iets relevants onderweg, zoals een pootafdruk van een tijger of tekenen van illegale houtkap, dan noteren we de coördinaten. Soms loopt er een smal pad, bijgehouden door arbeiders op de rubberplantages. Vaker niet. Dan hakken we ons een weg door het stekelige regenwoud vol hongerige bloedzuigers. Terwijl ik me vastgrijp aan lianen en uitstekende boomwortels, bewonder ik knalrode libellen en vleesetende planten. Het is een machtig gevoel om me door het leefgebied van de Sumatraanse tijger te begeven, maar vooral om een bijdrage te leveren aan zijn voortbestaan.

Cameraval op een strategische plek.

‘Dit is een uitgelezen plek om een cameraval te plaatsen,’ zegt Febri, die wat takjes en blaadjes wegveegt rondom een grote boomstam met uitzicht op een open plek. ‘Dieren gebruiken graag menselijke paden, dus hier hebben we een grote kans om iets vast te leggen.’ Ik druk het gecamoufleerde kastje met camera erin stevig tegen de stam, terwijl Febri de gespen aantrekt en het kettingslot stevig rond de boom wikkelt. De infraroodcamera met detectiemeter gaat af zodra hij beweging waarneemt. ‘We gebruiken de beelden om tijgers te identificeren aan de hand van hun strepen,’ vertelt Febri. ‘Een tijger wordt pas geteld als hij twee keer is vastgelegd. Zo maken we een schatting van de populatie.’

Ik sla de exacte plaatsingslocatie op in de gps­tracker, zodat de camera over een aantal weken kan worden opgehaald door het volgende team. ‘We registreren ook andere bedreigde diersoorten die hier leven,’ vervolgt Febri, ‘zoals nevelpanters, Maleise honingberen, de Aziatische goudkat en de Indische tapir.’

Na enkele dagen training en betrekkelijk gemakkelijke patrouilles vertrekken we met een klein team naar een diepergelegen cel, op ruim twee uur varen van ons basiskamp. De wind speelt met mijn vlecht. We passeren zandstranden met waterbuffels en hun kalfjes. Palmen, varens en cassavebomen tekenen de dichtbegroeide kant. ‘Varens zijn eigenlijk geen goed teken,’ zegt Febri. ‘Dat duidt op gekapt regenwoud.’ We meren aan bij een muur aan jungle en klimmen driehonderd meter recht omhoog door wildbegroeid terrein. ‘Kijk uit voor de rotanlianen,’ waarschuwt Febri. ‘Die hebben gemeen scherpe stekels.’ Ook moet je goed opletten dat je geen dode tak vastgrijpt en niet op verrotte boomwortels gaat staan. De warme, vochtige lucht grijpt naar mijn keel. Ik kruip omhoog met handen en voeten, het zweet loopt in straaltjes langs mijn lichaam.

Klauwsporen van een honingbeer die zijn nagels heeft gescherpt.

Om de zoveel minuten hoor ik achter me een harde plof, gevolgd door gevloek. Het is de arme Martyn, die met zijn enorme sandalen (maat vijftig) amper grip vindt in het glibberige regenwoud. Dorstige bloedzuigers hebben zich vastgezet op mijn enkels en voeten. Ik pluk er zelfs een van mijn buik. De speciale sokken draag ik niet meer: aangezien we veel door beekjes en zompige modder navigeren, soms tot aan ons kruis, zou je uren met natte sokken in je schoenen lopen. ‘Je kunt ze sowieso maar beter je enkels aanbieden,’ lacht Febri. ‘Anders zitten ze zomaar ineens in je nek. Bloedzuigers zoeken net zo lang tot ze een stukje huid vinden.'

We slapen vannacht in het oerwoud, zodat we morgen nog een cameraval kunnen plaatsen in dit afgelegen gebied. Uitgeput stappen we op de boot om even verderop ons kamp op te zetten bij een strand van grove stenen aan de rivier. Ik duik direct het water in om de bruine modder en het opgedroogde bloed van mijn lichaam te wassen. Mijn sandalen houd ik aan: twee dagen geleden is een van de expeditieleden het topje van zijn kleine teen verloren aan een rivierschildpad. De jungle die oprijst uit de groene rivier komt tegen het einde van de avond tot leven: neushoornvogels roepen, lampongapen springen van tak naar tak, zwaluwen vissen laag boven het water. Wij zijn hier helemaal alleen. Buiten de tientallen minibijtjes die mijn oren proberen binnen te vliegen, wordt het niet veel idyllischer dan dit.

Auto's, fietsen of wegen kennen ze hier niet, de rivier Sabayang is de snelweg van Rimbang Baling, de aorta van het oerwoud.

In de achterliggende jungle zoek ik twee geschikte bomen om mijn hangmat aan vast te knopen. We maken vuur en grillen vers gevangen vis met chilipepers. Febri vertelt dat het naastgelegen nationale park, Tesso Nilo, ooit de dichtste tijgerpopulatie in Sumatra had, maar dat er in 2013 bij de laatste telling nog maar één over was.

‘Sumatra heeft 23 tijgerpopulaties, waarvan een in Rimbang Baling. In de omliggende gebieden nemen de aantallen af, hier blijven ze toenemen,’ aldus Febri. ‘Daarom is de prioriteit verlegd. Onlangs is er nog een moeder met twee spelende welpjes gezien op een van de camera’s. Dat is een goed teken. In de toekomst willen we werken aan verbindingen tussen de leefgebieden, zodat de tijgers makkelijk kunnen oversteken. Voor nu richten we ons op het plaatsen van camera’s en het opleiden van de lokale bevolking. We proberen stropers een alternatief te bieden en conflicten tussen dorpelingen en tijgers te reduceren.’

De lokale bevolking wordt opgeleid om tijgers te beschermen in plaats van te stropen.

Die nacht denk ik aan de documentaire die we te zien kregen op de trainingsdagen, terwijl ik zachtjes in mijn hangmat heen en weer schommel op het gezang van padden en cicaden. Een van de cameravallen heeft een tijger vastgelegd. Een paar dagen later passeert ze opnieuw, maar ligt het hele bos rond de camera in puin. Haar huis is verwoest, maar waar kan ze heen?

Leefgebieden van dieren over de hele wereld worden almaar kleiner, en als het zo doorgaat, duurt het niet lang meer voor het afgelopen is met de Sumatraanse tijger. Toch geeft het hoop dat zo veel mensen zich inzetten voor zijn voortbestaan. En ik kan me geen betere manier bedenken dan een expeditie als deze. Een expeditie die niet draait om het zien van de tijger, maar om het beschermen van zijn leefgebied. Een waar je met handen en voeten door de modder moet, waar je bloedzuigers van je buik plukt en zwemt onder watervallen. Een waar je in een hangmat in slaap valt in regenwoud waar nooit eerder een toerist is geweest.

Journalist Veerle Witte maakte eerder voor Traveler reportages over onder meer haar reizen naar Sicilië en Formentera. Ze richt zich graag op duurzaam toerisme.

Dit verhaal verscheen in National Geographic Traveler editie 4, 2018.

Bekijk ook: Zeldzame tijgerwelpen hoopvol teken voor bedreigde diersoort

 

Lees meer