De wereldwijde verspreiding van het coronavirus hindert reizigers. Blijf op de hoogte van de wetenschap achter de uitbraak>>

Fotoverslag: op zoek naar vlees in Congo

Hoe kan Congo in de vraag naar vlees blijven voorzien nu de bevolking explosief groeit? Op zoek naar antwoorden reisde fotograaf Kris Pannecoucke door zijn uitgestrekte geboorteland.

Foto's Van Kris Pannecoucke
Gepubliceerd 18 nov. 2020 15:10 CET
Bij het openbare slachthuis in Goma, in het oosten van de Democratische Republiek Congo, verkoopt een ...

Bij het openbare slachthuis in Goma, in het oosten van de Democratische Republiek Congo, verkoopt een jongen  koeienkoppen. De gemiddelde prijs voor een kop is 4500 Congolese frank (twee euro). Vlees dat in het Westen  tot separator vlees wordt verwerkt, staat in Congo soms op het menu als delicatesse.

Foto van Kris Pannecoucke

Dit verhaal verscheen in de november 2020 editie van National Geographic Magazine

Congo is mijn land. Ik ben er geboren, en een groot deel van mijn leven heb ik er gewoond en gewerkt als fotograaf. Ik ga er nog altijd heen zo vaak als ik kan. Al de reizen die ik er in de loop der jaren heb gemaakt, hebben mijn nieuwsgierigheid alleen maar verder gevoed. Er is dan ook nog genoeg te ontdekken: Congo is gigantisch, ruim vier keer Frankrijk. Geen regio is hetzelfde, van de savannes in het zuiden tot de grazige weiden in het oosten. Congo is rijk, in veel opzichten. Het herbergt een schat aan grondstoffen, zoals koper, goud en diamant, en het heeft een enorme biodiversiteit. Dat geldt in het bijzonder voor het bekken van de machtige Congorivier, met het op één na grootste regenwoudgebied op aarde. 

Hoe rijk en divers Congo ook is, westerse journalisten schrijven vrijwel alleen over oorlog, corruptie en instabiliteit. Dat frustreert me weleens. Verder zijn veel van de grote ngo’s die in Congo actief zijn, erbij gebaat het slechte imago van het land in stand te houden: dat levert hun fondsen op, maar tegelijk schrikken ze adverteerders af, zowel buitenlandse als binnenlandse. Het beeld dat overheerst, is dat van een arm, chaotisch land dat niet op eigen benen kan staan.

Dat is maar een deel van het verhaal. Ik heb door heel Congo gereisd per bus, op de motor en met een prauw over de Congorivier. In veel gebieden waar ik kwam, voelde ik me veiliger dan in eender welke buitenwijk van Brussel of Parijs. En wat me allang duidelijk is: het land heeft een geweldig, zij het nog onderbenut potentieel. 

Op een grote veeboerderij buiten Lubumbashi in Zuidoost-Congo wordt een kalf met diarree een wormdodend middel  toegediend. ‘Het  vee loopt hier het hele jaar door buiten en krijgt mals gras te eten,’ zegt fotograaf Kris  Pannecoucke. ‘Het vlees is dan ook van een betere kwaliteit dan dat van Europese koeien die ’s winters op stal staan.’ 

Foto van Kris Pannecoucke

Lang kon de bevolking van de Democratische Republiek Congo (of Congo-Kinshasa) goed in haar eigen levensonderhoud voorzien – dankzij de Congorivier, grootleverancier van zoetwatervis, door de teelt van diverse gewassen en door de traditionele jacht op de talrijke wilde dieren. Congolezen zijn dol op vlees. Van apen en duikers tot  krokodillen en  slangen: alles wordt gegeten. Voor jager-verzamelaars als de Mbuti- pygmeeën bijvoorbeeld, die leven in en van het Ituri-regenwoud in het noordoosten, is het oogsten van bushmeat de normaalste zaak van de wereld. Niet toevallig gebruikt men in Congo voor ‘vlees’ en ‘dier’ hetzelfde woord: nyama. 

De laatste decennia lijkt het evenwicht tussen mens en natuur evenwel verstoord – en is nyama een luxeproduct geworden. Overal ter wereld groeit de bevolking en daalt het aantal diersoorten, maar in Congo lijkt dit proces zich in versneld tempo te voltrekken. Ten tijde van de onafhankelijkheid in 1960 had Congo-Kinshasa ruim vijftien miljoen  inwoners, nu zijn dat er al zo’n honderd miljoen, en tegen 2100 zijn het er naar verwachting driehonderd miljoen. Al die mensen hebben behoefte aan dierlijke eiwitten, wat de natuurlijke bronnen weer onder grote druk zet. 

Inheemse Mbuti jagen op wild in het Ituri- regenwoud in Noordoost-Congo. Door de voortgaande ontbossing is de buitenwereld, inclusief alcohol, radio en andere moderne verworvenheden, onherroepelijk hun leefgebied binnengedrongen. 

Foto van Kris Pannecoucke

Neem het Congobekken. Elk jaar wordt hier naar schatting bijna een miljoen van de 370 miljoen hectare bos weggekapt. Veel hout wordt geëxporteerd of tot houtskool gemaakt; andere bomen moeten wijken voor mijnbouw. In het regenwoud worden nieuwe paden, zelfs hele dorpen aangelegd. Hoe meer infrastructuur, hoe dieper ook de jagers en stropers het bos binnendringen en hoe meer wilde dieren er verdwijnen. Jaarlijks wordt naar schatting drie miljoen ton bushmeat verhandeld, vaak illegaal. Die handel heeft ook nog een ander risico: zoönosen als ebola, apenpokken en nu ook COVID-19 vinden hun oorsprong bij het slachten of het eten van besmette dieren. Hoe meer regenwoud er verdwijnt, hoe meer dieren elders een habitat moeten zoeken, wat de kans op een volgende uitbraak verder vergroot. 

Terwijl het land zijn inkomsten de afgelopen decennia steeds meer is gaan zoeken in de mijnbouw, is de ontwikkeling van de infrastructuur en de veeteelt decennialang verwaarloosd. Congo telt nog geen twee miljoen koeien. Ter vergelijking: Nederland, 56 maal zo klein, heeft er vier miljoen. Het is een paradoxale situatie, want er is in Congo genoeg landbouwgrond om het hele continent mee te voeden. 

In een land vier keer  zo groot als Frankrijk, met een slecht ontwikkeld wegennet, vormen rivieren levensaders. Hier in Mushie, op de noord oever van de Kasai, een zijtak  van de Congorivier in  West-Congo, wordt  een boot geladen met  183  N’Dama-runderen.  De eindbestemming is een slachthuis in 
 Kinshasa, een tocht  van enkele dagen.

Foto van Kris Pannecoucke

Anno 2020 is Congo wat voedsel betreft allesbehalve zelfvoorzienend en is een groot deel van de bevolking ondervoed. Terwijl twee derde van de Congolezen wel gewassen teelt, zijn er maar verbluffend weinigen die vee houden. Her en der zie je pluimvee rond hutjes scharrelen of geiten en varkens langs het spoor lopen – maar die worden niet verzorgd. Dat heeft een reden: in Congo, waar veel gezinnen nog altijd geen toegang hebben tot het  bancaire systeem, vormen de dieren eigenlijk hun spaartegoed: ze worden verkocht als er bijvoorbeeld een bruidsschat of een ziekenhuisrekening moet worden betaald. 

Hoewel het weinige vlees dat er lokaal wordt geproduceerd soms van verrassend goede kwaliteit is, is het ook duur en alleen betaalbaar voor de elite. Als mensen op de markt vlees kopen, doen ze dat daarom in steeds kleiner gesneden porties. Kata-kata (‘snijden’) heet dat in de Bantoetaal Lingala. Het idee is dat je met dezelfde vijfhonderd Congolese frank toch nog een stukje eiwitten kunt kopen. In Kinshasa, een stad die in zestig jaar tijd is gegroeid van 450.000 naar zo’n vijftien miljoen inwoners, werd in 1990 elk jaar nog gemiddeld twintig kilo vlees per persoon gegeten; nu is dat nog maar vijf kilo. 

Inmiddels wordt veel goedkoop vlees geïmporteerd uit onder meer de VS, Brazilië en China. En uit Europa: vooral uit België, Polen, Duitsland en Nederland. Vlees dat is gesubsidieerd in het land van herkomst, waardoor Congolese producenten er niet mee kunnen concurreren. De meeste voorraden worden per schip gelost in Matadi, aan de Congorivier, en wordt dan via slechte wegen per vrachtauto vervoerd naar Kinshasa, op minimaal zes uur rijden. Op de markten van Kinshasa, Goma en Lubumbashi is naar schatting tachtig tot negentig procent geïmporteerd. Vaak gaat het daarbij om uitgeputte legkippen of separatorvlees: staarten, nekken, botten en karkassen die zijn vermalen tot blokken. Soms hebben mensen alleen geld voor dierlijke vellen afkomstig van Congolese slachthuizen, waarmee ze hun maaltijd op smaak brengen. 

‘We doen alsof we vlees eten,’ zei een vrouw die ik tegenkwam op een van de markten. 

Met die andere traditionele eiwitbron, vis, is het niet beter gesteld. De Congorivier is op veel plaatsen inmiddels overbevist. Vissers in Kisangani vertelden me dat de rivier niets meer oplevert en dat hun niets anders rest dan naar diamant te gaan zoeken. Ze pakken hun rugzak op en gaan het bos in.

Op een markt in Kinshasa koopt een  restaurantmedewerker makokolo, de larven van een rode palmkever. Geheel linksboven in de rode bak liggen mpose, larven van een palmmot. Insecten staan in Congo vanouds op het menu. Dat geldt eens te meer nu vlees als belangrijkste eiwitbron steeds schaarser en duurder wordt.
 

Foto van Kris Pannecoucke

Eind vorig jaar pakte ik zelf mijn rugzak. Ik reisde drie maanden door het land, met als doel in beeld te brengen welke rol vlees speelt in het leven van de Congolezen. Tot welke soorten vlees hebben ze toegang, waar komt het vandaan, hoe groeien de dieren op en hoe worden ze geslacht? 

Ik bezocht de grootste veeboerderijen van het land, bij Lubumbashi in het zuidoosten, waar ook oud-president Joseph Kabila tienduizenden stuks vee hield. Het gaat om slechts een stuk of twaalf ranches – ruimschoots onvoldoende om Congo te voorzien in de vraag naar vlees. Ik ontmoette de Mbuti- pygmeeën, die vandaag de dag hun vlees blijken te verkopen aan illegale goud zoekers die naar hun leefgebied zijn verhuisd. Ik sprak met ondernemers die elke maand tonnen vlees naar de miljoenenstad Kinshasa rijden. In het noorden van het land zag ik hoe nomadische Mbororo-veehouders en hun kudden vanuit naburige landen bezit hebben genomen van de graslanden, omdat hun eigen gebieden te droog zijn geworden. Ik bezocht de zeer vruchtbare oostelijke regio Masisi, niet voor niets vaak  ‘Congolees Zwitserland’ genoemd: hier grazen watusirunderen op grazige alpenweiden die ooit ontstonden nadat onder Belgisch koloniaal bestuur hele bossen op de hellingen waren gekapt. Ik volgde mensen die veeboerderijtjes in of rond steden hebben opgezet om hun eigen buurt van voedsel te voorzien. En ik bezocht onhygiënische abattoirs in de grote steden Goma, Isiro en Kinshasa. Soms zaten ze zonder water en elektriciteit.

In Bomaneh, een dorp aan een zijtak van de Congorivier in Noord-Congo, staan kinderen rond een vers gevangen,  nog levende breedvoorhoofdkrokodil.

Foto van Kris Pannecoucke

Ik trof een land dat een transitie in zijn voedselvoorziening doormaakt. Als het gaat om vlees, blijkt het traditionele model van jacht op bushmeat en de handel over lange  afstanden niet langer houdbaar; het systeem is op zoek naar een nieuw evenwicht. Onderweg merkte ik een groeiend bewustzijn van de noodzaak tot meer  plaatselijke productie. 

In Kinshasa bleek er een vereniging te zijn van tienduizend boeren die onderling informatie delen over hoe ze het best kippen, varkens of eenden op hun perceel kunnen houden. Ik was verrast door deze blijk van ondernemingszin en lokaal initiatief. In plattelandsgebieden hebben boeren kleine veehouderijen opgezet die een alternatief kunnen vormen voor de verwoestende brandcultuur in de regenwouden; met de mest kan het land vruchtbaar worden gemaakt voor telers en kan het elk jaar worden gebruikt. Zulke kleinschalige boerderijen kunnen de megalomane industriële projecten vervangen. Die zijn door slecht beheer en corruptie feitelijk mislukt. 

‘Vee moet wilde eiwitbronnen gaan vervangen,’ vindt Alain Huart, adviseur plattelandsontwikkeling van het World Wild Fund for Nature (WWF), die ik onderweg sprak. Als mensen gemakkelijker toegang hebben tot vlees, is er minder noodzaak om op jacht of uit vissen te gaan. ‘Het land heeft nog maar tien procent van zijn veeteeltcapaciteit gebruikt, er kunnen zeker nog tien tot vijftien miljoen koeien bijkomen zonder dat de ecosystemen worden getroffen,’ aldus Huart. 

In de noordelijke  provincie Bas-Uele heeft deze vrouw tachtig kilometer per fiets afgelegd om onder meer deze aap te kopen op een wekelijkse bushmeatmarkt in het regenwoud. Ze zal het dier met winst doorverkopen in haar geboorteplaats Aketi.
 

Foto van Kris Pannecoucke

Als de veeteelt van de grond komt,  geldt deze als duurzaam vanwege het verwachte gunstige effect op de biodiversiteit. Maar er zijn ook echt duurzame alternatieven. Een ervan is een volledig vegetarisch dieet – noodgedwongen zijn veel Congolezen hier al op overgeschakeld. Maar ook de consumptie van insecten maakt vanouds deel uit van het dieet in Congo-Kinshasa. In het land komen maar liefst twee- tot driehonderd soorten eetbare insecten voor, vooral sprinkhanen, keverwormen en rupsen. Net als vlees zijn ze zeer geliefd onder grote delen van de bevolking, maar deze bron van dierlijk eiwit wordt nog onderbenut.

Het oogsten en kweken van insecten op industriële schaal zou in Congo banen en inkomsten kunnen opleveren, terwijl de voedselzekerheid wordt verbeterd. De wereldmarkt voor eetbare insecten zal tegen 2024 waarschijnlijk al ruim zeshonderd miljoen euro belopen. Door te investeren in de domesticatie van eetbare insecten zou Congo een wereldmarkt kunnen bedienen, terwijl het de eigen bevolking voedt en veel banen creëert. Hier ligt volgens mij een grote kans voor Congo. Het is mijn overtuiging dat landen zich pas echt ontwikkelen door ondernemerschap en de groei van een middenklasse. In de toekomst kan hier een groot deel van de wereldvoedselproductie plaatsvinden. Ik wil daar graag getuige van zijn. 

Het boek Nyama van de Vlaamse fotograaf en filmmaker Kris Pannecoucke (Kinshasa, 1969) verscheen in september dit jaar. In 2017 publiceerde hij al Fleuve Congo River, over hoe de Congolezen leven aan, met en dankzij de rivier. Pannecoucke fotografeerde eerder voor National Geographic verhalen over onder meer Sri Lanka, Frans-Vlaanderen en geldtransporten in Congo-Kinshasa.

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.