De wereldwijde verspreiding van het coronavirus hindert reizigers. Blijf op de hoogte van de wetenschap achter de uitbraak>>

Vergeet alles wat je weet van Tenerife

De volle stranden, kale vlakten, slaapfabrieken en all-you-can-eat-restaurants. De andere kant van het eiland is groen en stil.

Gepubliceerd 18 mrt. 2021 09:41 CET
Het dorp Almáciga ligt tussen het Anagamassief en de Altlantische oceaan.

Het dorp Almáciga ligt tussen het Anagamassief en de Altlantische oceaan.

Foto van Hans Avontuur

Dit artikel verscheen in National Geographic Traveler 2/2021.

Met welke verwachtingen ben ik naar het noorden van Tenerife gekomen? Helemaal onbekend is dit deel van het eiland niet voor me, maar toch. Een paar mooie dagen in het dorp Garachico, enkele jaren geleden, vormen geen garantie voor de reis die ik nu voor ogen heb. Er komen jaarlijks 4,5 miljoen mensen naar het Canarische eiland. Maar ik wil onaangetaste natuur, stille stranden, authentieke dorpen en een vleug avontuur...

Op weg naar het Tenomassief vraag ik me af of mijn wensenlijst wel realistisch is. De route belooft gelukkig veel goeds. Het asfalt kruipt omhoog over haarspeldbochten, de ene lus na de andere. Het decor doet in niets denken aan de resorts in het zuiden van het eiland, gebouwd om het de gasten zo comfortabel mogelijk te maken. Waar ik rijd, is het smal, hoog, diep en allesbehalve gemakkelijk.

De aanloop eindigt in het verstilde gehucht Teno Alto, op ongeveer achthonderd meter hoogte. Ik parkeer de auto bij een kapel en wandel weg van de witte huisjes met hun oude ovens en dorsvloeren. Het pad voert door velden en groene akkers en verder over een bergrug en volgt daarna – vol in de wind – een richel boven zee. Een paar meter verderop stort de helling bijna loodrecht in de Atlantische Oceaan, zeshonderd meter omlaag.

De resorts van Playa de las Americas liggen hemelsbreed maar dertig kilometer verderop, maar het voelt als de andere kant van de wereld. Het uitzicht is spectaculair. Links de steile rotskust, rechts de vruchtbare valleien, beneden de vuurtoren van Punto de Teno en boven de top van de Teide, met 3718 meter de hoogste berg van Spanje. Ik ga op een rotsblok zitten en staar over het water en de laaghangende zeemist. Aan de horizon pieken de contouren van buureiland La Palma er voorzichtig doorheen.

Op de hele tocht kom ik niet één andere wandelaar tegen. Niemand van de 4,5 miljoen bezoekers – het is augustus 2020 en op dat moment geel gebied – heeft de moeite genomen om vandaag deze plek te ontdekken. De dagjesmensen beperken zich tot de landschappen die bekend en beroemd zijn: Nationaal Park El Teide en de barranco van Masca, een diep ravijn dat zich een weg door het vulkaanlandschap heeft gevreten. Bezoekers worden met een bus naar het vertrekpunt gebracht, wandelen bergafwaarts en gaan met de boot terug naar het zuiden.

Vruchtbare vallei in het Tenogebergte.

Foto van Hans Avontuur

Eeuwige lente

Ik rijd in tegengestelde richting naar mijn standplaats Garachico, een dorp aan zee met stenen straten en nobele huizen in koloniale sfeer. De afdaling vanuit het Tenogebergte is adembenemend. Ooit was Garachico de belangrijkste handelsplaats van het eiland, tot een lavastroom in 1706 de natuurlijke haven vernietigde en de schepen voortaan naar Puerto de la Cruz zeilden.

Vanaf het dakterras van mijn appartement in een van de smalle straatjes, kijk ik uit over de huizen van mijn tijdelijke buren en kan ik zowel de bergen als de zee zien. Ik word er omringd door het gewone dorpsleven. Terwijl ik geniet van een knaloranje zonsondergang haalt mijn overbuurvrouw de was af, waaien er geuren van Spaanse gerechten voorbij en klinkt er uit het open raam aan de andere kant van de straat het opgewonden commentaar van een voetbalwedstrijd: ‘Vamos!’

Het dorp heeft stadse allure en is geliefd bij de Spanjaarden van het eiland zelf, die er in het weekend vis eten bij een van de restaurants aan de kade. Zo’n familielunch duurt uren en de kinderen steken op blote voeten de kustweg over om aan de overkant te zwemmen in de natuurlijke baden tussen de lavastenen.

Surfers maken gebruik van het laatste daglicht, Almaciga.

Foto van Hans Avontuur

Aan het eind van de dag mengen bewoners en bezoekers zich op het Plaza de la Libertad. Bij de kiosk wordt de dag gevierd met wijn en barraquito, een glaasje koffie met likeur.

Kinderen rennen, fietsen en voetballen onder de palmbomen. Het animatieteam wordt er niet gevormd door jongeren met een vakantiebaantje, zoals in de all-inclusives aan de ander kant van het eiland, maar door opa, oma en een drukke tante.

Hoewel meer dan tachtig procent van de bezoekers tegenwoordig in het zuiden van Tenerife verblijft, was het in de 19de eeuw juist het noorden waar het toerisme begon. Nadat Engelse doktoren het klimaat officieel als ‘gezond’ hadden verklaard, reisde de upper class in luxeschepen naar Puerto de la Cruz om maanden door te brengen op het eiland van de eeuwige lente. Ze vermaakten zich in comfortabele hotels, chique theehuizen en weelderige tuinen.

Nieuw leven op de lavavelden van de Teide.

Foto van Hans Avontuur

Logisch dat Puerto de la Cruz aanvankelijk ook het centrum was van het moderne toerisme, toen dat rond 1960 een vlucht nam. Toch verplaatste de reisindustrie zich al snel naar het zuiden met zijn ruimte, zandstranden en overdadige zon. De wolken die vanaf zee tegen de centraal gelegen bergen aanbotsen, zorgen in het noorden vaker voor mist en regen. Het is er niet voor niets zo prachtig groen.

Vanuit Garachico rijd ik langs de kust naar het westen. Het landschap wordt bepaald door bananenplantages – soms nog met een prachtig landhuis – en eenvoudige dorpen die eerder Noord-Afrikaans dan Spaans aandoen. Logisch misschien; de Marokkaanse kust ligt aanzienlijk dichterbij. Ik drink koffie op een terras boven het strand van Las Arenas en zwem tussen de lavarotsen van Los Silos in een van de natuurlijke bassins, charcos.

Aan de bassins bij het dorp ligt een handvol mensen. Ik loop nog een stuk verder door, op zoek naar een plek voor mij alleen. Het poeltje dat ik vind, deel ik met wat visjes en twee krabben. Zonder noemenswaardige inspanning drijf ik in het zoute water. Af en toe slaat er een golf over de rand en spat het schuim hoog op in de blauwe hemel.

Garachico, ooit de belangrijkste handelsplaats van Tenerife.

Foto van Hans Avontuur

Woest en desolaat

Als ik na een paar dagen Garachico verlaat, kies ik voor een omweg via de vruchtbare vallei van El Palmar. Ik maak er een wandeling door half verlaten boomgaarden vol perziken, pruimen en vijgen om daarna met de auto verder te klimmen naar de hoogvlakte rond de Pico del Teide. Het landschap in het nationaal park laat zich eenvoudig bewonderen: vulkanen, kraters, gestolde lava, bomen die groeien op de onmogelijkste plekken.

Vanaf de hoogvlakte zak ik langzaam af naar San Cristóbal de la Laguna, de voormalige hoofdstad. Het staat op de Unesco-werelderfgoedlijst vanwege de kerken, kloosters en stadspaleizen.

Voor mij is het vooral de poort naar het Anagagebergte, dat het noordelijkste puntje van het Tenerife vormt en nog woester, desolater en steiler is dan het Tenomassief.

Het gebied maakt die reputatie al snel waar. Hoe hoger ik kom, hoe smaller en bochtiger de weg. De tema peratuur gaat omlaag en wolken jagen horizontaal voorbij. Soms kan ik door de nevel geen tien meter voor me uit kijken, dan weer opent de hemel zich en zie ik links en rechts een afgrond die honderden meters lager eindigt in de zee. Het voelt alsof ik geblinddoekt over een evenwichtsbalk rijd.

Woeste golven op het rotsstrand van Tachero.

Foto van Hans Avontuur

Het doel is Taganana, een van de spectaculairst gelegen dorpen van Tenerife. De witte huizen balanceren op de hogergelegen rotskammen in een doolhof van ravijnen. Mijn gerenoveerde dorpswoning staat in de eeuwena oude Camino Portugal, genoemd naar de Portugese immigranten die hier in de 16de eeuw suikerriet kwamen vera bouwen en dat te voet naar de andere kant van het eiland brachten, dwars door de ruige bergen. Je kunt hun route nog altijd volgen.

Ik zet mijn auto boven aan het supersteile straatje en loop met mijn reistas naar het huisje, dat ongeveer halverwege staat. In de woonkamer open ik de houten luiken voor een droomuitzicht op de zee, het dorpsplein, de rotsen, palmbomen, een ravijn én de voormalige pastorie die tot 1997 door meneer pastoor werd gebruikt. Het pand is in een schilderachtige staat van verval. Een eeuwenoude drakenboom herinnert aan betere tijden.

Zonsondergang op een dakterras in Garachico.

Foto van Hans Avontuur

Slowmotion

‘Pedrooooooo!’

‘Antoniooooo!’

‘Pedrooooooo!’

‘Antoniooooo!’

Ik word gewekt door mijn bejaarde buurman die een gesprek voert met een vriend aan de overkant van het ravijn. Dat gebeurt naar goed gebruik roepend. Met een speciaal klankgeluid en korte krachtige woorden die opgewassen zijn tegen de passaatwind. Net als de dorpelingen doe ik boodschappen bij Casa Mary, het dorpswinkeltje met een wonderbaarlijk groot assortiment. Van pannen en gasflessen tot koffie en vers fruit. ‘Bananen? Die zijn op. De boer komt vanmiddag nieuwe brengen.’

In Taganana heeft haast weinig zin. De straatjes zijn te steil voor een snelle pas. Binnen twintig meter zijn je benen verzuurd. Ik neem een voorbeeld aan de bewoners, die in slowmotion lopen. Het geeft me tijd om de omgeving goed in me op te nemen. Dit is het soort dorp waar mensen elkaar vriendelijk begroeten, de honden en kippen nog over de weg scharrelen en niemand zijn deur op slot doet.

Ik geef me over aan het ritme van hier. ’s Ochtends neem ik tijd voor het ontbijt en het uitzicht, daarna ga ik zwemmen bij het lavastrand van Almáciga en sluit ik af met een late lange lunch bij Casa Picar, een bescheiden bar met guachinche, een mini-restaurant met enkel regionale specialiteiten. Een menukaart is er niet. Op een bord staat wat de pot schaft. Vandaag is dat papas arrugas, kleine ronde aardappeltjes met pittige en milde saus, gebakken geitenkaas met kruiden en knoflook en natuurlijk verse vis.

Drakenboom bij de vervallen pastorie van Taganana.

Foto van Hans Avontuur

Het zijn heerlijke dagen in Taganana. Met luie uren op het strand en stevige tochten door het Anaga-massief. Een van de hoogtepunten is de route vanuit het geïsoleerd gelegen dorp Chamorga. De hike gaat door tunnels van groene bomen die vol hangen met lange slierten draadmos. Op die manier absorbeert het bos vocht uit de lucht.

Vanaf de top zou ik bij mooi weer kilometers ver kunnen kijken, nu zie ik enkel het pad en de stenen muura tjes. Eenmaal onder de wolken komen de ravijnen, wilde drakenbomen en herdershuisjes tevoorschijn. Er klinken bellen van een kudde geiten.

Terug naar Taganana. Stoel op het terras. Glas wijn van het eiland bij de hand. Ik zou hier dagenlang kunnen zitten en kijken naar de wereld om me heen. Maar voor de zon ondergaat en ik morgen verder reis, wil ik nog een afscheidsduik nemen in Benijo, een gehucht dat volgens velen het mooiste strand van het eiland heeft.

De zon staat laag als ik over een lange houten trap afdaal naar het bijna lege strand. De meeste dagjesmensen uit de hoofdstad Santa Cruz zijn verdwenen. Eenmaal beneden loop ik naar de branding. Het geluid van de brekende golven overstemt alles. Het water komt en gaat met een vaste regelmaat. Ik adem in, adem uit. Als ik mijn ogen sluit, voel ik de hartslag van het eiland.

Hans Avontuur levert regelmatig bijdragen aan Traveler. Zijn avonturen deelt hij ook op Instagram via @hansavontuur.

Dit artikel verscheen in National Geographic Traveler 2/2021.

Vers visgerecht bij een guachinche. Ze zijn typisch voor het noorden van Tenerife: kleine restaurantjes die geen restaurant mogen heten. Een echte guachinche is eenvoudig en je kunt er alleen lokale gerechten eten. Groente, vis of wijn komt vaak (deels) van de eigenaar zelf. Officiële openingstijden zijn er zelden en ze mogen ook niet het hele jaar geopend zijn. Soms bestaat een guachinche slechts uit een paar stoelen en tafels onder een golfplaten dak, soms zijn ze niet of nauwelijks van een gezellig restaurant te onderscheiden.

Foto van Hans Avontuur

Wandelen

Voor de mooiste hikes op Tenerife moet je in het Teno- of Anagagebergte zijn. Ook in Nationaal Park El Teide zijn prachtige tochten te maken, maar die zijn wel drukker door dagjesmensen uit het zuiden. In Teno of Anaga kom je nauwelijks anderen tegen. Vergis je niet in het terrein, dat ongeschikt is voor mensen met hoogtevrees. Bovendien gaat het soms serieus bergop en -af. Er zijn handige gidsjes van Sunflower en Rother, maar ook online vind je een grote keus aan wandelroutes op Wikiloc.

Zo kom je er 

Tal van luchtvaartmaatschappijen vliegen naar de luchthaven van Tenerife in het zuiden. De luchthaven in het noorden wordt nauwelijks gebruikt voor internationale vluchten. Ticketprijzen variëren enorm, maar reken op retourtickets vanaf € 250. Voor het ontdekken van het noorden heb je aansluitend een huurauto nodig. Openbaar vervoer kan wel, maar je bereikt er niet alle mooie plekken mee.

Beste reistijd

Je kunt het hele jaar door naar Tenerife, dat een aangenaam mild klimaat heeft. Dus geen verzengend hete zomers of gure winters. Van november tot en met februari valt in het noorden de meeste neerslag.

Dit artikel verscheen in National Geographic Traveler 2/2021.

Lees meer

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacyverklaring
  • Cookiebeleid
Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2017 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.