Er leven 105 bedreigde diersoorten op Palawan, waarvan 42 nergens anders ter wereld voorkomen. De Filipijnse provincie staat bekend als de last ecological frontier vanwege haar enorme diversiteit in flora, fauna, ecosystemen en schilderachtige landschappen. Het hoofdeiland is meermaals uitgeroepen tot ’s werelds mooiste eiland. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.
Zo veel ongeëvenaarde schoonheid trekt natuurlijk toeristen aan. ‘El Nido, de toegangspoort tot de Bacuitbaai, was een klein dorp, maar het ontwikkelt zich snel,’ vertelt gids Zandy Mahinay, roepnaam Andy. ‘Hotels schieten als paddenstoelen uit de grond, maar dan nog kan het dorp de grote toeristenstroom bijna niet aan.’
Stilte voor de storm in de Big Lagoon
Het is zes uur ’s ochtends. Gids Andy en ik kajakken de beroemde – maar nu nog doodstille – Big Lagoon in. Dit is de enige manier waarop je de kristalheldere lagune, omlijst door met groen begroeide kalkstenen kliffen, kunt betreden. Druppels vallen van mijn peddel in mijn schoot. Ik doe mijn ogen dicht en geniet van de stilte. Alleen gasten van het resort waar ik met mijn gezin verblijf, op het naastgelegen Miniloc Island, hebben voor half negen toegang tot de Big Lagoon. En iedereen die de lagune bezoekt, heeft een vergunning nodig.
Andy vist een verfrommeld plastic flesje uit het water. Alle gidsen van El Nido Resorts zijn getraind de natuur op te ruimen, overal waar ze komen. ‘Zag je die grote rij oranje en gele kajaks bij de ingang?’ vraagt Andy. ‘Vanmiddag ligt de hele lagune er vol mee. Wanneer ze op zijn, zul je moeten wachten tot er een vrijkomt. Zo wil de overheid het aantal toeristen reguleren.’
Een archipel vol leven
Ik kijk over de rand van mijn kajak het water in. We glijden over grazende zee-egels, die op steile rotswanden vol koraal zitten, en zien een picassotrekkervis die zijn territorium bewaakt. Ook passeert er een grote school kardinaalvissen. ‘Daar voeden jonge haaien zich mee,’ zegt Andy. ‘De Big Lagoon is een broedplaats voor zeeleven.’
Vanaf Miniloc Island, onze uitvalsbasis, hoppen we van het ene naar het andere eiland in de Bacuitarchipel. We wandelen naar het hoogste punt van Pangulasianeiland, waar grote varanen rondlopen, en kijken uit over de andere eilanden in de baai, die goud kleuren in het licht van de ondergaande zon.
We snorkelen met een school gigantische zwarte paardmakrelen, met nieuwsgierige anemoonvissen en papegaaivissen turkoois van kleur. We spotten een giftige zwart-gele mangroveslang tijdens een boottocht en ondergaan gigantische tropische regenbuien. We begeven ons op drooggevallen zandbanken, midden in de zee. We zijn hier bijna overal alleen.
De Filipijnen als vogelspotparadijs
Ik lig op mijn rug in het ondiepe water, met mijn anderhalve jaar oude zoontje Miles op mijn buik, zijn blote billetjes in mijn handen. ‘Iesje!’ gilt hij terwijl hij met z’n vinger naar het water wijst. Een maskerwimpelvis zwemt voorbij. Het is een van de woordjes die hij geleerd heeft op deze reis. Net als krab, haai, turtle en bye bye. Buulbuuls, een zeearend en ijsvogels vliegen over.
Denise Ann Samson, een andere duurzaamheidscoördinator van El Nido Resorts, kijkt de vogels glunderend na. ‘Ik wil graag meer vogelaars verleiden naar Palawan te komen,’ zegt ze. ‘De archipel kent 299 vogelsoorten, waarvan 24 enkel hier voorkomen.’ Ze heeft een fonds opgericht om geld in te zamelen voor verrekijkers, waarmee ze lokale kinderen warm wil maken voor het vogelspotten. ‘De benodigdheden zijn duur. Op deze manier wil ik het toegankelijk maken voor iedereen. Wellicht dat een aantal van deze kinderen een passie ontwikkelt voor vogels en zich later inzet voor hun bescherming. Zij zijn onze toekomst.’
Je las net deel twee van een vierluik over de Filipijnse provincie Palawan. Verder lezen? Bekijk de andere drie delen hieronder, of lees het hele verhaal in National Geographic Traveler 4-2023.











