Slapen onder een tentdoek – of vooruit: in een caravan of camper – is voor veel vakantiegangers het recept om de drukte van alledag te vergeten. Toch is recreatief kamperen nog geen tweehonderd jaar oud. Hoe ontstond deze manier van vakantie vieren?
Van noodzaak naar vakantie: hoe kamperen ontstond
Kamperen was lange tijd voorbehouden aan nomadische volken en legers, maar ook pelgrims, jagers en handelaren sliepen tijdens hun reizen vaak in tenten. Kamperen is op dat moment echter allesbehalve een recreatieve bezigheid, maar simpelweg een manier om te overleven.
Dat verandert wanneer de stedelijke elite halverwege de negentiende eeuw steeds meer de natuur intrekt. Onder invloed van boeken zoals Walden (1854), van de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau, wordt de wildernis niet langer gezien als een gevaarlijke plek, maar juist als een bestemming om tot rust te komen.
Het boek dat een kampeerhype veroorzaakte
Het is echter de Amerikaanse dominee William Henry Harrison Murray die in 1869 een ware rage ontketent met zijn boek Adventures in the wilderness; or, camp-life in the Adirondacks. Murray heeft dan al meerdere vakanties in de Adirondack Mountains in de staat New York doorgebracht en vult zijn dagen daar met vissen, jagen en kanoën.
Hij heeft het over de helende kracht van de natuur en beschrijft kamperen als een gezonde en avontuurlijke vrijetijdsbesteding. Zo schrijft hij: ‘Menig nacht heb ik op mijn bed van balsemtakken gelegen en ben ik in slaap gesust door het gemurmel van het water en de zachte, zuchtende melodie van de dennen, terwijl de lucht gevuld was met de gemengde geur van ceder, balsem en waterlelie.’ De zomer daarna reizen duizenden Amerikanen naar de Adirondack Mountains in New York.
Hoe een kleermaker de moderne tent uitvond
Ook in Europa, waar de steden steeds groter en voller worden als gevolg van de Industriële Revolutie, verlangen steeds meer mensen naar frisse lucht. Een van hen is de Britse kleermaker Thomas Hiram Holding, die in zijn jeugd tijdens vakanties naar de Verenigde Staten kennismaakt met kamperen in de vrije natuur.
Als fervent fietser ontwerpt Holding in de zomer van 1897 een compacte, lichtgewicht tent die hij makkelijk mee kan nemen. Samen met zijn zoon en twee vrienden gaat hij erop uit en schrijft daar het boek Cycle & Camp over.
Sindsdien wordt Holding gezien als de vader van de kampeervakantie. Hij schreef de eerste editie van The Camper's Handbook in 1908 en richtte de voorloper van de Camping and Caravanning Club op, de Britse equivalent van de ANWB.
Hoe Nederland een echt kampeerland werd
Rond 1900 slaat het kampeervirus over op Nederland. Studenten, padvinders en fietsers zetten hun tent neer op boerenland, strand, heide en in de bossen. Het Algemeen Handelsblad maakt op 25 augustus 1899 melding van een succesvolle eerste editie van een jongenskamp in de buurt van Hattem. ‘Er waren een 10tal tenten geplaatst en een hoofdofficierstent, terwijl een ruimte tent als kantine was ingericht.’
Op Nederlandse bodem geldt de Amsterdamse kleermaker Carl Denig Jr. als de pionier op het gebied van kamperen. In 1912 volgt Denig in Engeland een opleiding tot kleermaker en raakt in de ban van het fenomeen kamperen. Tijdens een kampeertrip naar het eiland Wight, voor de zuidkust van Engeland, wordt Denig echter samen met een paar kompanen opgepakt op verdenking van spionage.
De Nederlandse kranten doen er gretig verslag van. Zo schrijft De Nederlander: De jonge Denig […] was een groot liefhebber van leven in de open lucht. […] Met een kleine tent, die zijn eigendom was, had hij o.a. reeds te Brighton en in de omstreken van Londen gekampeerd.’
Als Denig drie dagen later wordt vrijgelaten reist hij terug naar Nederland en kort daarna richt hij de Nederlandse Toeristen Kampeer Club (NTKC) op. De contributie bedraagt twee gulden vijftig per jaar en de club is in staat om ‘alles te leveren wat op kampeer-gebied noodig is’.
De eerste Nederlandse campings
In 1914 mogen kampeerders hun tenten opzetten op een landgoed in het bos bij Castricum. Het blijkt de voorloper van kampeerterrein Bakkum, dat in 1928 officieel wordt geopend en naar eigen zeggen de oudste camping van Nederland is.
Ook op de Veluwe wordt in de jaren twintig lustig gekampeerd. Tussen Vierhouten en Nunspeet wordt in 1925 kampeercentrum Saxenheim geopend. Op het heideterrein zijn tal van mooie plekjes waar tenten kunnen worden neergezet, er is een kantine waar eenvoudige maaltijden worden bereid en er bestaat ‘gelegenheid om een kuip of een douchebad te nemen’. De prijs voor een overnachting? Vijftien cent.
Waarom kampeerders vroeger een vergunning nodig hadden
Tegen het einde van de jaren dertig gaat een kwart van de Nederlandse vakantiegangers op pad met een tent, waardoor gemeenten worden gedwongen om het kamperen aan banden te leggen.
Er worden speciale kampeerterreinen aangewezen en in 1936 wordt de zogenoemde kampeerkaart ingevoerd. De maatregel moet ervoor zorgen dat uitsluitend verantwoordelijke kampeerders op pad gaan, want in de praktijk betekent het dat er alleen kampeervergunningen worden verstrekt aan houders van kampeerkaarten. Komen er klachten of meldingen van misdragingen binnen? Dan wordt de kaart ingevorderd.
Invoering van het kampeerpaspoort
Na de Tweede Wereldoorlog gaat men zelfs een stapje verder met de invoering van het kampeerpaspoort. In het Zutphensch Dagblad valt te lezen: ‘Zij die grotere vrijheid wensen, die ’s morgens vertrekkend niet weten waar ’s avonds hun tentje zal staan, dienen eerst te hebben getoond, dat zij die vrijheid waard zijn.’
Wil je niets missen? Volg National Geographic op Google Discover en voeg National Geographic toe als voorkeursbron om onze verhalen vaker te zien in je Google-feed!
Om dit felbegeerde document te verkrijgen moeten kampeerders eerst een proef afleggen, waarbij gelet wordt op kampeertechniek, maar ook op eerbied voor de natuur en de houding ten opzichte van medekampeerders. Rond die tijd organiseert de ANWB ook speciale oefenkampen, waar onervaren kampeerders leren hoe ze een tent moeten opzetten.
Van avontuur naar volksvakantie
Vanaf de jaren vijftig en zestig wordt kamperen onder Nederlanders de populairste manier van vakantievieren. De caravan, vouwwagen en bungalowtent doen hun intrede en de kampeeruitrusting wordt steeds comfortabeler. Ook het kampeerpaspoort, waarvoor kampeerders eerst moesten aantonen dat zij verantwoord met die vrijheid konden omgaan, verdwijnt uiteindelijk.
Het idee waarmee de eerste recreatieve kampeerders anderhalve eeuw geleden al op pad gingen is daarentegen wel universeel: een paar dagen in de buitenlucht biedt avontuur, rust en vrijheid, en is een welkome ontsnapping aan de drukte van alledag.
Of, in de woorden van Thomas Hiram Holding: ‘Kamperen is bijna altijd heerlijk, in ieder geval voor een vakantie, en als het goed wordt georganiseerd is het aangenaam en gezond, en bovendien goedkoop, voor een langere periode. […] Kamperen biedt dit: Beweging zonder vermoeidheid; frisse lucht dag en nacht, en voldoende opwinding om interesse te wekken.’
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!
Stéphanie is freelance (reis)journalist en fotograaf. Ze schrijft voor National Geographic het liefst over onderwerpen waar ze ook in het dagelijks leven niet over uitgepraat raakt. Met ruim vijftig landen op de teller is reizen een van haar grote hobby's, maar eerlijk is eerlijk: in haar volkstuintje is ze minstens zo gelukkig als ver weg.
















