Geschiedenis en Cultuur

Deze 19e eeuwse dandy zorgde voor een stijlrevolutie

George ‘Beau’ Brummell werd begin 19de eeuw beroemd als de best geklede man van Engeland. Tegenwoordig staat hij bekend als de eerste dandy in de geschiedenis. vrijdag 20 september 2019

Door Ignacio Peyró
George Brummell wordt beschouwd als de vader van het dandyisme, een rage die voortkwam uit de vroege romantiek en die in de loop van de 19de eeuw illustere coryfeeën kende, zoals Robert de Montesquiou, Boni de Castellane, Jules Barbey d’Aurevilly en natuurlijk Oscar Wilde. De dandy’s wilden niet zozeer elegant zijn als wel uniek, reden waarom ze zich niet simpelweg chic kleedden, maar hun uitdossing een rebels en origineel karakter gaven in een wereld die steeds uniformer werd.

Dit artikel verscheen in de derde editie van National Geographic Historia 2019.

In het Londen van 1815 waren er twee zaken die de aandacht van het publiek trokken: de overwinning op Napole­on in de Slag bij Waterloo en de excen­trieke foulards van George Brummell. Zoals Virginia Woolf schreef: keizer­rijken kwamen op en gingen onder, ter­wijl ‘Beau’ Brummell verschillende ma­nieren uitprobeerde om zijn foulards om te knopen, of zich het hoofd brak over de snit van zijn overjassen. Kort voor hij berooid in ballingschap over­leed, verklaarde Brummell zelf dat zijn zogenaamde frivoliteit haar waarde had bewezen, want daardoor was hij onsterfelijk geworden. Hij had geen ongelijk, want uiteindelijk hebben wij het aan hem te danken dat mannen donkere col­berts, witte overhemden en lange broe­ken dragen, in plaats van lange kousen. 

Zijn invloed op de manier waarop we ons kleden staat buiten kijf, maar hij leeft ook in de literatuur voort, en dat terwijl hij niet één boek heeft geschreven – het was voldoende dat hij, toen het erop aankwam, als eerste de uitda­gende levensstijl aannam die volgens Albert Camus het wezen is van het dandyisme. Daarom is hij de patroonheilige geworden van alle dandy’s die ooit hebben geleefd en daarom hebben ze allemaal geprobeerd zijn voorbeeld te volgen, van de Engelse dichter Lord Byron tot de Franse auteur Barbey d’Aurevilly. 

De Queen’s Bazar te Londen in de winter van 1833-’34, met flanerende leden van de beau monde.

Het kledingsritueel

De excentriciteiten van Beau Brummell zijn genoegzaam bekend. Zo poetste hij zijn laarzen met champagne en gebruikte hij een zilveren kwispedoor omdat hij niet in staat was om net als iedereen op de grond te spugen. Wassen en aankle­den nam een groot deel van de ochtend in beslag. Hij besteedde uren aan het knopen van zijn foulard op een zoda­nige manier dat het leek of hij het in grote haast had gedaan. George IV van Engeland, die een tijdlang Brummells beschermheer was en zelf ook een hang had naar élégance, nam van tijd tot tijd deel aan dit ochtendlijk ritueel. 

Brummell zei ooit dat een man die een eenvoudig leven zonder luxe leidt toch minimaal achthonderd pond per jaar moet hebben om zich te kleden, wat tegenwoordig neerkomt op zo’n 150.000 euro. Dat was nodig om maat­ pakken te kopen van topkleermakers op Savile Row, de Londense haute­-couture­straat. Door trouw te blijven aan zijn credo liep hij hoge schulden op. Eerder had hij in korte tijd zijn erfenis erdoor gejaagd die hem in staat had gesteld opleidingen te volgen in Eton en Oxford. Op Eton onderscheidde hij zich door de witte foulard die alle leerlingen droegen, te tooien met een gouden gesp. 

Elegantie ten top

Maar pas jaren later zou Brummell echt bekend worden. Met zijn broze figuur, altijd wars van lichamelijke inspanning, nam hij dienst in het regiment huzaren, dat onder bevel stond van de Prince of Wales, de latere koning George IV. Daar begon zijn carrière als modefat. De prins raakte gefascineerd door Brummell en liet hem promotie maken, in het leger, maar vooral op de sociale ladder. Daar straalde zijn ster van 1798 tot 1816 op onaantastbare hoogte. Zijn stempel op de wereld van ijdel vertoon was zo dwingend dat Chateaubriand, schrij­vend over de kledingetiquette in Lon­den, verklaarde dat hij ‘honderdmaal liever galeislaaf was’. 

Wat was Brummells geheim? Hoe slaagde hij erin, als man met naar ver­luidt een doorsnee uiterlijk, om zó de aandacht te trekken? Brummell gaf zelf min of meer het antwoord met zijn opmerking: ‘Als iemand je op straat aan­gaapt, dan ga je vast niet goed gekleed.’ De grote dandy keerde het kleurrijk vertoon van het ancien régime de rug toe en hulde zich in gedektere en discre­tere tinten, in overeenstemming met een ander dictum van hem: ‘Laat het meest luxueuze ten dienste staan van het minst opzichtige.’ Elegantie diende meer te spreken uit de snit dan uit de kleur en de kwaliteit van de stof. De combinatie hiervan diende een authen­tieke mannelijkheid uit te stralen. Brummell zelf zei trots dat hij geen par­fum nodig had omdat hij, in de woor­den van een andere illustere dandy, Lord Byron, er toch al fris en schoongewassen uitzag. Maar zo ingetogen als hij was in zijn kleurgebruik, zo veel eisen stelde hij aan de snit van zijn kleren. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Savile Row uitgroeide tot het mekka van de kleermakerswereld.

George, Prince of Wales. Camee van James Tassie, rond 1790.

Tuk op exentriciteit

Brummell leek zich dan wel bescheiden te kleden, in het vertoon van zijn élé­gance was hij soms uitgesproken onge­past. Om zijn bestudeerde uitdossing niet te verstoren weigerde hij bijvoor­beeld op straat bij het groeten zijn hoed af te nemen. Het is de dandy eigen dat hij altijd eerder wil schitteren dan beha­gen. Er werd over Brummell gezegd dat zijn manier van kleden pure poëzie was, maar dat uiterlijk ging gepaard met bru­taliteit en kieskeurigheid. Hij onderbrak een feest om zich erover te beklagen dat er geen warm water in de badkamer was en vroeg de gastheer om cider omdat zijn champagne hem niet beviel. Ook beweerde hij een keer dat hij kou had gevat omdat hij in één kamer had moe­ten slapen met iemand wiens kleren nat waren geworden. 

Door dit mondaine aplomb groeide Brummell uit tot een cultfiguur in de Londense society. Daar oefende hij met zijn hedonistische levenswijze een haast tirannieke invloed uit. Maar uiteindelijk werd dezelfde vrijpostigheid die zijn ster deed rijzen hem fataal. Volgens de overlevering ging hij tegenover zijn beschermheer George IV zijn boekje te buiten in de tijd dat de laatste nog niet tot koning was gekroond. Toen hij bij de prins op visite was zei hij tegen hem: ‘Bel eens om nog wat meer champagne.’ De prins belde, maar om opdracht te geven een rijtuig gereed te maken voor het vertrek van de heer Brummell. Ook het feit dat hij slecht viel bij de gemalin van de prins zal niet hebben geholpen.

Einde van een legende

Maar Brummell zou wraak nemen op een manier die de toekomstige koning pijnlijk raakte. Op een middag maakte hij samen met een vriend een wande­ling, toen ze de prins tegenkwamen, die Brummell negeerde. Na het afscheid vroeg de laatste aan zijn metgezel, op een toon die luid genoeg was om de prinselijke oren te bereiken: ‘Die kennis van jou, die dikzak, wie is dat?’ 

In overeenstemming met de woorden van Barbey d’Aurevilly, die zei dat gelukkige dandy’s niet bestaan, sleet Brummell zijn laatste dagen in diepe ellende. Op de vlucht voor schuldeisers trok hij naar Caen, in Noord­-Frankrijk, waar hij een betrekking als consul kreeg. Daar hield hij zich bezig met het schrijven van bedelbrieven aan zijn oude vrienden. Hoewel hij de sociale status van zijn vroegere leven nooit meer herwon, slaagde hij er nog steeds in de mensen in zijn omgeving te choqueren. In Caen wond hij de Britse reizigers die zijn consulaat bezochten zodanig om de vinger dat ze zich haast dankbaar voelden hem een aalmoes te mogen geven. 

Ver van zijn mondaine habitat werd hij in zijn laatste dagen overvallen door vlagen van waanzin. De man die bier drinken het laagste van het laagste vond, proefde het verschil niet meer tussen dit verachte brouwsel en cham­pagne. Het meest pathetische was nog wel dat hij illusionaire feesten gaf voor niet minder illusionaire gasten: herto­gen, graven en andere edelen. Na afloop daarvan kondigde zijn lijfknecht aan dat de ingebeelde rijtuigen gereed­ stonden, waarna Brummell zich in zijn slaapvertrek kon terugtrekken. 

Hij raakte al snel zijn baan als consul kwijt en verloor daarmee ook zijn diplo­matieke onschendbaarheid. De Fransen veroordeelden hem wegens wanbeta­ling onmiddellijk tot gevangenisstraf. Brummell zou in een armencel sterven, maar tegen die tijd wist hij al dat zijn gave – weten hoe je te kleden – hem onsterfelijk zou maken. Het is daarom terecht dat in Jermyn Street een stand­beeld voor hem staat – aan de ingang van de Piccadilly Arcade, waar de beau monde van Londen pleegt te flaneren. 

Lees verder

Rembrandt: het wonder van zijn tijd

Rembrandt: het wonder van zijn tijd

Het is dit jaar 350 jaar geleden dat Nederlands grootste kunstschilder overleed. Daarom is 2019 uitgeroepen tot Rembrandtjaar. Wie was deze man, die werd geroemd als ‘het wonder van onze tijd’?
Heeft Bach zijn grootsheid te danken aan zijn anatomie?

Heeft Bach zijn grootsheid te danken aan zijn anatomie?

Een Duitse anatomist berekende de handreikwijdte van Bach door een foto van het skelet van de componist te bestuderen.
De middeleeuwse tuin als verbeelding van het paradijs

De middeleeuwse tuin als verbeelding van het paradijs

Voor middeleeuwers in Oost en West had de tuin een goddelijke inspiratie, veilig afgesloten van de buitenwereld.