Geschiedenis en Cultuur

Verbluffend fossiel blijkt nieuwe dinosauriërsoort

In de nieuwe studie over het fossiel wordt ook de omstreden hypothese opgeworpen dat de gepantserde dinosauriër camouflagekleuren had om roofdieren te ontwijken. donderdag, 9 november 2017

Door Michael Greshko

Zo’n 110 miljoen jaar geleden kwam een dinosauriër – die leek op een reusachtige ananas en ruim 1250 kilo woog – aan zijn einde in een rivier, in wat tegenwoordig de provincie Alberta in Canada is.

Nu is het reptiel een van de best bewaard gebleven fossielen die ooit zijn gevonden – en heeft het eindelijk een naam.

We stellen u voor aan Borealopelta markmitchelli, een gepantserde planteneter van het geslacht nodosaurus die in het Krijt leefde. Na de dood van de dinosauriër zonk het kadaver naar de modderige bodem van een oeroude zeestraat, waar het in drie dimensies en ongelooflijke details voor de eeuwigheid bewaard bleef.

Het fossiel werd in 2011 bij toeval blootgelegd en in mei 2017 tentoongesteld in het Royal Tyrrell Museum in Alberta. De versteende beenderen bieden de wereld een ongekend kijkje in de anatomie en levenswijze van gepantserde dinosauriërs.

“Het is een schitterend exemplaar,” zegt Victoria Arbour, een postdoctoraal onderzoeker van het Royal Ontario Museum die onderzoek doet naar nog een andere goed bewaard gebleven gepantserde dinosauriër, genaamd Zuul crurivastator. “Het is echt geweldig om te beschikken over exemplaren als deze en Zuul; ze geven antwoord op vragen over hoe deze dinosauriërs eruit zagen toen ze nog leefden.”

Naast de aankondiging van de officiële naam van de nodosaurus worden nog meer van zijn geheimen onthuld in de eerste wetenschappelijke beschrijving van het reptiel, die deze week in het tijdschrift Current Biology werd gepubliceerd.

“We wisten zes jaar geleden meteen dat dit iets bijzonders was,” zegt Don Henderson, curator voor dinosauriërs van het Royal Tyrrell Museum. “Maar ik denk niet dat we beseften hoe bijzonder dit exemplaar is.”

Baanbrekende vondst

Borealopelta heeft een lange weg achter de rug. Op 21 maart 2011 kwam er een einde aan het ondergrondse isolement van het dier, toen Shawn Funk, chauffeur op een graafmachine, in een teerzandmijn van het energiebedrijf Suncor in noordelijk Alberta bij toeval op de beenderen stuitte.

Daarna reisde het fossiel naar het preparatielaboratorium van het Royal Tyrrell Museum, waar technicus Mark Mitchell zorgvuldig de omringende rots verwijderde – een klus die in een periode van ruim zes jaar meer dan zevenduizend werkuren kostte. Alleen al het vrijmaken van de schedel nam zo’n acht maanden in beslag.

“Dankzij zijn toewijding is [Borealopelta] aan het licht gekomen,” zegt Caleb Brown, postdoctoraal onderzoeker aan het Royal Tyrrell Museum en hoofdauteur van de nieuwe studie. “Het is een ongelooflijke hoeveelheid werk (...). De preparateurs zijn vaak de onbezongen helden van het verhaal.”

Al dat werk werd beloond met een uitzonderlijke eer. In de nieuwe studie wordt bevestigd dat het bij deze dinosauriër om een nieuwe soort gaat, en zijn officiële naam kan vertaald worden als ‘Noordelijk schild van Mark Mitchell’ – een verwijzing naar de locatie waar de nodosaurus werd gevonden, zijn perfect bewaard gebleven pantser en de man die hem zorgvuldig uit zijn stenen korset heeft bevrijd.

“Ik was blij verrast toen ik de naam hoorde; ik heb m’n armen in de lucht gegooid en gejuicht,” zegt Mitchell.

Camouflage?

De meest omstreden bewering in het onderzoek betreft de potentiële kleuren die de nodosaurus ooit moet hebben gehad. Volgens de auteurs was de buitenkant van de gefossiliseerde dinosauriër bedekt met een laagje zwart smeersel.

In deze dunne zwarte laagjes – waarschijnlijk de resten van de huid van de dinosauriër – ontdekte Jakob Vinther, paleobioloog aan de University of Bristol en medeauteur van de studie, de chemische sporen van het roodbruine pigment feomelanine.

Belangrijker nog is dat Vinther en zijn collega’s geen enkel spoor van het pigment op andere delen van het dier aantroffen. Nadat ze monsters van verschillende doorsneden van het fossiel hadden genomen, leek het erop dat er geen feomelanine op de onderbuik van de dinosauriër voorkwam, waardoor dat gedeelte van het reptiel volgens Vinther veel lichter van kleur moet zijn geweest.

Hoewel sommige dieren een zwarte rug en een lichte onderbuik hebben en daarmee hun lichaamstemperatuur reguleren, gebruiken andere dit patroon als een vorm van camouflage die countershading (‘contrast-schaduwing’) wordt genoemd. Met een tweekleurig voorkomen lijkt een dier op afstand platter en is daardoor moeilijker door roofdieren te spotten.

In moderne ecosystemen hebben landzoogdieren met een gewicht van meer dan een ton, zoals neushoorns, deze vorm van visuele afweer niet nodig om roofdieren op afstand te houden. Als de zware en goed gepantserde Borealopelta wél countershading nodig had, dan moeten de roofdieren die op deze nodosaurus jaagden angstaanjagend vervaarlijk zijn geweest.

“Om een lang verhaal kort te maken: het Krijt was tamelijk eng,” zegt Vinther. “We hebben bewijzen dat er theropoden waren die jaagden op Borealopelta en op andere grote en zwaar gepantserde planteneters, dat ze deze dieren tegen de grond werkten en dan verorberden.”

Kleurrijke hypothese

Maar sommige experts vinden dat de nieuwe studie geen bewijzen aandraagt voor het bestaan van countershading.

“Is het niet een verbluffend exemplaar? Het is een absoluut briljante paleontologische ontdekking,” zegt Alison Moyer, een postdoctoraal onderzoeker aan de Drexel University die zachte weefsels in fossielen heeft bestudeerd. Maar volgens haar wordt “het onderzoek naar de pigmentatie en kleuring – en daarmee ook de conclusies over de relatie tussen prooi- en roofdier – als het ware overspoeld door problematische aspecten.”

Het bewijs van Vinther, dat is verkregen met behulp van tests die deels door de National Geographic Society werden gefinancierd, is indirect. Ondanks de verbluffende staat waarin de nodosaurus werd gevonden, vond Vinther slechts sporen van chemische bestanddelen die waarschijnlijk achterblijven wanneer een bepaald pigment wordt afgebroken.

Moyer vindt dat in de studie onvoldoende is gekeken naar de vraag hoe de chemische samenstelling van het fossiel in de loop der tijden is veranderd en of het bij het zwarte laagje inderdaad om het gefossiliseerde restant van de huid gaat. Er kan zich namelijk ook een laagje bacteriën op het ontbindende kadaver van de dinosauriër hebben gevormd. Het valt haar op dat op de onderbuik van Borealopelta geen enkel stuk huid bewaard is gebleven, en dus is ze er niet van overtuigd dat dit gedeelte helemaal geen pigmentatie had.

Bovendien is het afbraakproduct dat in dit onderzoek een rol speelt, in talloze studies geïdentificeerd als een natuurlijk bestanddeel van mariene sedimenten, het soort gesteente waarin Borealopelta bewaard is gebleven.

“Eindeloos veel verklaringen die veel doodgewoner zouden zijn, zijn niet onderzocht alvorens men tot de slotsom van countershading is gekomen,” zegt ze.

Paleontologe Mary Schweitzer van de North Carolina State University, een toonaangevend expert op het gebied van zachte weefsels in dinosauriërfossielen, is het geheel met Moyer eens. “Naar mijn mening worden hun conclusies niet ondersteund door de gegevens,” schrijft ze in een e-mail.

Vinther reageert met te zeggen dat hij het bewuste bestanddeel niet heeft aangetroffen in de sedimenten waarin het fossiel lag ingebed – alleen maar in de potentiële huid van Borealopelta, en dat in hoge concentraties.

Toch is het volgens Johan Lindgren, paleontoloog aan de Universiteit van Lund, heel goed mogelijk dat de bestanddelen die in verband worden gebracht met feomelanine, tijdens de fossilisering zijn ontstaan bij de afbraak van andere stoffen die in of op de dinosauriër zijn afgebroken. “Dit probleem laat eens te meer zien dat we nog altijd heel weinig weten over de wijze waarop zachte weefsels van dieren bewaard blijven,” zegt hij.

De onderzoekers die Borealopelta analyseren, benadrukken dat hun studie een eerste hypothese over de kleuring van de nodosaurus is, en zeker niet de laatste.

Henderson voegt eraan toe dat hij zich verheugt op de jarenlange, stevige en vruchtbare debatten die de nodosaurus ongetwijfeld zal uitlokken. Het exemplaar heeft zijn plaats gevonden in een museum, waar het door andere onderzoekers en met alle mogelijke technieken kan worden bestudeerd.

Hij zegt dat Borealopelta “op een plek wordt bewaard die past bij zo’n uitzonderlijke vondst – en niet is weggestopt in iemands woonhuis.”