Dartworp: Door het hart van Wallonië

Journalist Niels Guns reist het lot achterna. Zijn blinde worp met een dartpijl op de kaart van de Benelux en net daarbuiten brengt hem deze keer naar het hart van Wallonië.

Op weg naar Spontin. 

Foto door Vince GX
Gepubliceerd 3 feb. 2022 15:50 CET

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in National Geographic Traveler 1/ 2022.

Tot dusver gooide ik mijn dartpijl voor deze serie nog niet in een stad. Dat is niet zo vreemd, als ik het recentste rapport van Eurostat (Europees bureau voor statistiek) mag geloven. Hoewel het merendeel van de bevolking er woont, is maar twaalf procent van het Nederlandse landoppervlak bedekt met stad. In België is dat weliswaar één procentje meer, maar ook hier is de kans groot dat je buiten de stad terechtkomt wanneer je blind op de kaart mikt.

Het Waalse Achêne, waar mijn pijl dit keer landt, is een vlekje op de kaart. Het dorp telt nog geen zevenhonderd zielen en veel meer dan een kerkje en een zalencentrum mag ik niet verwachten, zo leert een vluchtige online zoektocht. Bij gebrek aan slaaplocaties ter plekke, besluit ik te overnachten in Spontin, een dorp op zo’n twee uur wandelen van Achêne. Spontin ligt op zijn beurt weer twee uur lopen van het dichtstbijzijnde treinstation in Assesse. Een boemel vol schooljeugd die in Namen in de trein is gestapt, brengt me naar het station van het Waalse plaatsje waar één eetgelegenheid open blijkt te zijn voor mijn lunch: Il Borgalino, een degelijke Italiaan die een gigantisch bord pasta serveert.

Dinant, met de dertiende-eeuwse Collegiale kerk Onze-Lieve-Vrouw van Dinant.

Foto door Thomas Bormans

Vervlogen tijden

Hoewel het een stukje om is, vermijd ik de wandelroute langs de drukke N946 en struin door bossen en akkers richting Spontin. Ik kom geen mens tegen. Zoals wel vaker wanneer ik lange tijd alleen ben, begin ik in mezelf te praten. En tegen de koeien die, afgaande op hun enorme spiermassa en kleine uiers, niet voor de melk worden gehouden.

Aan de rand van Spontin vind ik een stukje oude glorie. Ik loop langs een verlaten fabrieksterrein dat nu het domein is van graffitiartiesten. Om alles wat beter te kunnen zien, klim ik over een stapel stenen die de voormalige ingang verspert. Ooit werd hier mineraalwater en frisdrank gebotteld met dezelfde naam als het dorp. Maar net als op meer plekken in Wallonië is ook deze industriële activiteit teloorgegaan. Eigenlijk was ik van plan om me niet te richten op dat terugkerende verval, vooral om weg te blijven van clichématigheden, maar toch ontkom ik er niet aan.

Een halfuur later houd ik halt bij het kasteel van Spontin, midden in het dorp. Ondanks dat een bordje waarschuwt dat ik me op privéterrein ga begeven, wandel ik naar de achterkant van het vervallen bouwwerk. Tot mijn verbazing zie ik een bestelbusje en hoor ik het geluid van een drilboor uit het gebouw komen. Mijn roepen wordt niet beantwoord en dus glip ik door een openstaande deur naar binnen. Daar tref ik Thibaut, een jonge, uit Sri Lanka geadopteerde bouwvakker die samen met een collega werkt aan een nieuw onderkomen voor een conciërge die in het kasteel moet komen wonen. ‘De nieuwe eigenaar heeft grootste plannen,’ vertelt Thibaut terwijl hij me eeneemt naar een van de bijgebouwen van het kasteel. ‘Hij wil hier onder andere een restaurant en een congres-centrum openen.’ Poeh, verzucht ik. ‘Dat gaat nog wel even duren, toch?’ Afgaande op de staat van verval kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het een megaklus is om een kasteel in deze toestand te moeten opknappen. Die avond lees ik over het kasteel. De laatste kasteelheer blijkt in 2004 te zijn vermoord door de Duitse klusjesman die er ook woonde, lees ik in het archief van een lokale krant.

Het charmante Namen, aan de rivier de Maas.

Foto door Getty Images

‘Sindsdien staat het leeg,’ verzucht Huguette, eigenares van B&B Le Bouchat-Oreille aan de rand van het dorp. ‘Goed dat er nu eindelijk een nieuwe eigenaar met grote plannen is.’ Haar man Michel is ervan overtuigd dat de nieuwe bezitter voor betere tijden gaat zorgen. Hij pakt er twee vuist dikke boeken bij over de geschiedenis van Spontin. ‘Ooit was het hier bruisend,’ vertelt hij. ‘De fabriek draaide op volle toeren, er was een zwembad en in het kasteel zat een sterrenrestaurant. Koning Boudewijn kwam er regelmatig eten,’ zegt Michel, wijzend op fotografisch bewijsmateriaal in het boek.

Die avond loop ik nog eens door het dorp in de Ardennen. Eigenlijk is het er prachtig: de huizen zijn gemaakt van typische leisteen, het riviertje de Bocq meandert mooi, de bossen rond het dorp hebben subtiele herfstkleuren en het kasteel – hoewel er nog bergen werk te verzetten zijn – heeft potentie.

Adolphe Sax, Dinant.

Foto door Getty Images

Hart

De volgende ochtend loop ik verder richting Dinant met halverwege een tussenstop in Achêne, een wandeling van ongeveer twintig kilometer. Niet ver buiten Spontin stuit ik op een kunstwerk dat het geografische midden van Wallonië aanduidt. Hoe je van niets iets kunt maken, zeg ik hardop tegen mezelf. Toch vind ik het wel geinig om te weten: ik begeef me dus écht in het hart van Wallonië. Niet veel later kom ik een groepje van acht pensionado’s tegen. Ze adviseren me om na Achêne vooral via Foy-Notre-Dame richting Dinant te lopen. ‘Een klein stukje om, maar absoluut top,’ raadt een van hen aan. Hij zet zijn advies kracht bij met een duim omhoog.

Veel Waalser dan dit kan eigenlijk niet, mijmer ik als ik Achêne binnenloop. Bij zalencentrum Domaine D’Achêne wordt het puin geruimd van een feestje daags ervoor. Ernaast ligt de Eglise Saint-Clément, waar ik voor een dichte deur kom te staan. ‘Ik dacht dat alle katholieke kerken altijd open moesten zijn,’ roep ik richting een vrouw die met een stoffer en blik bezig is op de aangrenzende begraafplaats. ‘Niet meer sinds ze overal van alles stelen,’ antwoordt Lilianne. Ze maakt de graven schoon van een paar familieleden, onder wie haar grootouders. Net als Lilianne geboren in Achêne, lees ik op de zerken. In de meer dan zestig jaar dat ze er woont, is er nauwelijks iets veranderd. ‘Ja, een paar huizen erbij, maar dat is het wel.’

Noten en aardbeien

Langs glooiende weilanden en akkers loop ik richting Foy-Notre-Dame, een gehucht met een paar huizen en boerderijen en een kerk die veel groter is dan je in zo’n klein plaatsje zou verwachten. Hier zijn de deuren wel open. Ik steek een kaarsje op voor mijn vader, die ruim vier jaar geleden is overleden.

Het aardbeienmuseum Wépion.

Foto door WBT/ bern ard boccara

Niet dat je hem ermee terugkrijgt, maar het helpt me om even heel bewust aan hem te denken. Met betraande ogen verlaat ik de serene plek. Buiten het dorp zijn boeren bezig met het oogsten van mais. Ik kom Dinant binnengelopen via een steile helling in een bos. Hoewel ik al een tijdje afdaal, had ik niet in de gaten dat ik me op zo’n hoog plateau begaf. Dat zie ik pas als ik aan de kade van de Maas in Dinant sta en naar boven tuur, naar de rotsen met daarbovenop de citadel.

Het pittoreske Dinant heeft twee claims to fame. Allereerst Adolphe Sax, de geniale uitvinder en naamgever van het prachtige blaasinstrument. De andere is Leffe, het bier. Ik overnacht in La Merveilleuse, een hotel dat zich bevindt in het klooster waar het bier voor het eerst werd gebrouwen. Voor het diner daal ik weer af richting de Maas, waar ik aanschuif bij Table D’Antonio, een restaurant met een klassiek Franse keuken. Ik schat dat ik zo ongeveer tachtig procent versta van wat al die Walen tot dusver tegen me hebben verteld. Vaak zijn het geen kernzaken die ik mis. Tenminste, dat meen ik. Maar bij noix de ris de veau ga ik de mist in: nee, niet iets met noten en kalfsvlees, maar kalfszwezerik, een gerecht dat me kriebels geeft sinds ik het als kind ooit voorgeschoteld kreeg. Aan de bereiding ligt het overigens niet. Deze worsteling komt geheel op het conto van mijn eigen herinneringen en gebrekkige woordenschat.

De volgende ochtend zet ik per fiets koers naar Namen, de hoofdstad van Wallonië. Ik kan Dinant natuurlijk niet verlaten zonder een bezoekje aan Maison Adolphe Sax, een minimuseumpje dat gratis te bezoeken is. Daags ervoor had ik nog vergeefs gezocht naar livesaxofoonklanken, maar daarvoor moet je blijkbaar in juli in Dinant zijn, wanneer het jaarlijkse jazzfestival wordt georganiseerd. Met een deuntje van Charlie Parker in mijn hoofd, knijp ik langs de Maas even in de remmen om handschoenen aan te doen.

Mijn fiets is duidelijk een gehuurde, en dus móést de vriendelijke Emilie me aanhouden voor een praatje, zegt ze. Ze blijkt het hoofd van het plaatselijke toerismebureau en nodigt me uit voor een kop koffie. Ze is verheugd dat ik via de RAVeL-route (een afkorting van Réseau Autonome de Voies Lentes) naar Namen ga. Ongeveer dertig kilometer lang fiets ik langs de Maas richting de grootste stad van de regio. In Wépion, een dorpje vlak buiten de stad, zie ik een bordje dat ik niet kan negeren: Musée de la Fraise. Een aardbeienmuseum! Sinds ik deze serie maak, ben ik verknocht geraakt aan dit soort kleine, soms wat knullige museumpjes, waar ik vaak de enige bezoeker ben. En ja hoor, ook nu ben ik, afgezien van medewerker Arthur, zielsalleen in het museum. Ik leer dat Wépion zich de aardbeienhoofdstad van de wereld noemt. Als kunsthistoricus is Arthur een beetje zwaar geschut voor deze plek, concludeer ik als ik in de stromende regen Namen binnen fiets.

Een in onbruik geraakt spoor in de buurt van Spontin.

Foto door Vince GX

Echte stad

Aangezien ik zeiknat ben geregend, is het verleidelijk om de hele avond te blijven plakken in mijn comfortabele kamer in hotel Les Tanneurs, gebouwd in een rij zeventiende-eeuwse huizen. Toch trekt de stad. Eindelijk eens een echte stad. Een plek met pleinen, terrassen, musea, een kathedraal, bedelaars en rozenverkopers. Op deze vrijdagavond wordt het centrum goeddeels bevolkt door drinkende studenten. Aan de oever van de Maas zit een stelletje. Met veel bombarie biedt hij haar de laatste slok van een fles wijn aan. Santé, roep ik, wat wordt beantwoord met een oprechte schreeuw: ‘Santé a vous!’

Grote spandoeken met daarop de aankondiging van het Festival International Nature Namur trekken me richting de andere oever van de Maas. Het blijkt de eerste dag te zijn van het natuurfilmfestival. Ik weet een van de laatste kaartjes te bemachtigen voor Lynx, de openingsfilm. Ook de maker, de Franse fotograaf en filmer Laurent Geslin, blijkt aanwezig te zijn. Met nog natte wandelschoenen schuifel ik het openingsgala binnen. Twaalf jaar lang volgde Geslin een paar Euraziatische lynxen, die sinds een tijdje weer in de Franse en Zwitserse Jura leven, wat een bijzondere verstilde film opleverde over deze ongrijpbare dieren. Hoewel de stad qua oppervlakte niet zo heel veel ruimte inneemt, laat de film zien dat het vanuit het perspectief van een lynx nog best wat minder zou mogen.

Kijk hier voor meer informatie over Achêne.

Meer verhalen lezen van Niels Guns? Dartworp: Langs de lijn of Dartworp: Land van Maas en Cuypers

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in National Geographic Traveler 1/ 2022.

Lees meer

Dit vindt u misschien ook interessant

Reizen
Deze familie woont in een zelfgemaakte dome binnen de noordpoolcirkel
Reizen
Buiten het kader: aflevering 1
Reizen
6x ontsnappen aan de winterse kou doe je op Curaçao
Reizen
Kustwacht Caribisch Nederland: over het programma
Reizen
Dit is de beste plek (en tijd) om het noorderlicht te zien.

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2021 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.